EERSTE PARAGRAAF: De voortreffelijkheid van het īmān en de islam
1. (1) Van `Ubādah ibn aṣ-Ṣāmit al-Anṣārī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie getuigt dat er niets of niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah, alleen, zonder deelgenoot,en dat Muḥammad Zijn dienaar en Zijn boodschapper is,en dat ʿĪsā de dienaar van Allah is en Zijn boodschapper, en Zijn woord dat Hij aan Maryam overbracht, en een geest van Hem,en dat het Paradijs waar is,en dat het Hellevuur waar is,Allah zal hem het Paradijs binnenlaten, ongeacht wat zijn daden ook waren.”In een andere overlevering van Muslim staat: “Wie getuigt dat er niets of niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah, en dat Muḥammad de boodschapper van Allah is — Allah, maakt het Vuur voor hem verboden.”(Buhârî, Enbiya: 47; Müslim, İmân: 46, (28); Tirmizî, İmân: 17, (2640).)
[Dit is een van de overleveringen die allesomvattend zijn met betrekking tot het geloof (īmān). In deze hadith worden niet alleen de fundamentele principes van het islamitisch geloof uiteengezet, maar ook verschillende valse overtuigingen verworpen.
1. De zending (risālah) van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم):
Dit kan beschouwd worden als de eerste geloofspijler van de islam. Want het geloof in tawḥīd (de eenheid van Allah) komt ook buiten de islam voor.
2. De tawḥīd (eenheids)leer:
Het geloof in profeetschap van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) vereist noodzakelijkerwijs het geloof in de eenheid van Allah. Dat wil zeggen: Hij is Degene die het universum heeft geschapen, bestuurt en opvoedt. Hij heeft geen enkele hulp of partner nodig.
Het geloof in de eenheid van Allah (tawḥīd) komt als principe ook voor in andere religie/dīns en zelfs in bepaalde filosofische systemen. Maar de absolute en zuivere tawḥīd die de islam leert, bestaat in geen enkel ander systeem.
Zelfs de joden, die beweren in de eenheid van Allah te geloven, verschillen hierin sterk van de moslims: bij hen overheerst het idee van een nationale god die voorrang geeft aan het Joodse volk. De islam kent geen nationaliteit toe aan de godheid. Allah is de Heer van de werelden. Elke natie, elk levend en niet-levend wezen valt onder deze “werelden” en maakt daar deel van uit.
Het goede en het slechte, het mooie en het lelijke, het vuur en de kou, de aarde en de hemel, het grote en het kleine – alles is door Hem geschapen. Hij is Degene die alles ordent en opvoedt.
Verder wijken de joden af van de tawḥīd door de uitspraak: "ʿUzayr is de zoon van Allah" (zie surah at-Tawbah, 9:30). Daarmee bezoedelen zij hun beweerde geloof in de eenheid van Allah op grove wijze.
3. In deze hadith wordt ook het geloof in het hiernamaals, de derde fundament van het islamitisch geloof, bevestigd: "Het Paradijs is waarheid, en de Hel is waarheid."
4. De persoonlijkheid van ʿĪsā (عليه السلام):
Zijn schepping zonder vader leidde ertoe dat de joden lasterden tegen Maryam (عليها السلام), terwijl de christenen beweerden dat Allah zijn vader is. Aan de ene kant is er tekortdoening (tafrīṭ), aan de andere kant overdrijving (ifrāṭ).
De islam bevestigt dat ʿĪsā (عليه السلام) een geschapen dienaar is, en verwerpt daarmee zowel de ontuchtbeschuldiging van de joden als de vergoddelijking door de christenen.
Zoals in deze hadith wordt vermeld: ʿĪsā (عليه السلام) is een Woord van Allah – dat wil zeggen: hij is ontstaan doordat Allah zei: “Wees!” en hij was. Zoals ook wordt gezegd in surah Yā-Sīn (36:82):"Zijn bevel – wanneer Hij iets wil – is slechts dat Hij zegt: Wees! En het is."
Voor het ontstaan van iets is dus niets anders nodig dan dat Allah zegt: “Wees!” Hoewel in deze wereld de gebeurtenissen meestal via oorzaken plaatsvinden, is het geen vereiste. Allah kan ook zonder tussenkomst van oorzaken iets tot stand brengen.
Maar omdat deze wereld een beproevingsplek is, is het een goddelijke gewoonte (ʿādah) dat gebeurtenissen zich meestal via oorzaken voltrekken. Toch heeft Allah in de Qur’ān op meerdere plaatsen duidelijk gemaakt dat Hij niet gebonden is aan deze regels.
ʿĪsā (عليه السلام) vormt een concreet voorbeeld van zo’n uitzondering: hij werd zonder vader geschapen, enkel door de manifestatie van het woord “Wees!” via Maryam (عليها السلام).
Dat ʿĪsā (عليه السلام) ook "een geest van Allah" wordt genoemd, moet worden begrepen in het licht van het vers:
وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلرُّوحِۖ قُلِ ٱلرُّوحُ مِنۡ أَمۡرِ رَبِّي وَمَآ أُوتِيتُم مِّنَ ٱلۡعِلۡمِ إِلَّا قَلِيلٗا ٨٥
En zij vragen jou over de ziel (die het lichaam in leven houd). Zeg: “De kennis over de ziel is bij mijn Heer. En van (Allah’s verheven) kennis wordt jullie maar weinig gegeven.” (surah al-Isrā’, 17:85)Want ook de ziel is het resultaat van het goddelijke bevel “Wees!”, zonder dat daarvoor een tastbare oorzaak nodig is.
Daarom is de uitdrukking “een geest die van Allah is ingeblazen in Maryam” passend.
Volgens Imam an-Nawawī en andere islamitische geleerden betekent de toeschrijving van termen zoals “Rūḥullāh” (Geest van Allah) of “Kalimatullāh” (Woord van Allah) aan ʿĪsā (عليه السلام) slechts een eerbetoon, en niet dat hij een deel van Allah zou zijn.
Ook andere zaken worden in de Qur’ān op deze manier aan Allah toegeschreven als eerbetoon, zoals:
Nāqatullāh (de kameel van Allah),
Baytullāh (het Huis van Allah, d.w.z. de Kaʿbah).
Op basis daarvan is het niet toegestaan om uit de termen "Rūḥullāh" of "Kalimatullāh" af te leiden dat ʿĪsā (عليه السلام) een deel van Allah is. Anders zou men ook moeten zeggen dat de hele schepping een deel van Allah is, aangezien alles aan Hem toebehoort.
5. Een ander belangrijk geloofspunt uit deze hadith is: grafleven
Wanneer iemand met īmān (geloof) in het graf gaat, zal hij – ook al heeft hij grote zonden begaan – uiteindelijk niet eeuwig in de hel blijven. Door een kleine hoeveelheid goede daden zal hij uiteindelijk het Paradijs binnengaan.
Met deze uitspraak worden de extreme opvattingen over grote zondaars weerlegd, en wordt het standpunt van Ahli as-Sunnah ondubbelzinnig en met bewijs ondersteund.
De uitdrukking “Allah zal hem het Paradijs binnendoen, ongeacht met welk werk hij is overleden” wordt door imaam an-Nawawī geïnterpreteerd als: “Als eindresultaat.”Dus: na het ondergaan van de bestraffing voor zijn slechte daden, zal hij uiteindelijk het Paradijs binnentreden.]
2. (2) Van Abū Saʿīd Saʿd ibn Mālik ibn Sinān al-Khudrī (رضي الله عنه:an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “Uit het Vuur zal Degene die in zijn hart het gewicht van een mosterdzaadje aan īmān heeft zal uit het Vuur worden gehaald.”
Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei daarna: “Wie daaraan twijfelt, laat hem (dan) het volgende lezen:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠
Zeker! Allah doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Sūrah an-Nisāʾ, 4:40)
(Overgeleverd door at-Tirmidhī, Sıfatu Cehennem: 10, (2601). en hij verklaarde het ḥasan-ṣaḥīḥ.)
[Zoals in het laatste deel van de eerdere uitleg werd aangestipt, geldt volgens de geloofsleer van Ahli as-Sunnah dat iemand die als gelovige (mu’min) zijn laatste adem uitblaast, niet voor eeuwig in de Hel zal verblijven.
Het is niet correct om te zeggen dat elke zondaar noodzakelijk in de Hel terechtkomt, want Allah (جل جلاله) vergeeft wie Hij wil.
Degenen die geen vergiffenis ontvangen, zullen hun straf ondergaan in verhouding tot hun zonden. Maar als die persoon een gelovige was, dan is zijn eindbestemming nooit de eeuwige bestraffing in het Hellevuur. De metgezel die de ḥadīth overleverde, wees daarom op een āyah als bewijs voor wie zou twijfelen aan deze blijde boodschap.]
3. (3) Van hem (Abū Saʿīd al-Khudrī) (رضي الله عنه): Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zegt: ‘Ik ben tevreden met Allah als Rab, met de islam als religie/dīn, en met Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) als boodschapper,’voor hem is het Paradijs verplicht geworden.”
(Overgeleverd door Abū Dāwūd, Salât: 361, (1529)
[Ook deze ḥadīth moet begrepen worden binnen de voorwaarden en context zoals bij de eerdere aḥādīth is uitgelegd:
Dat men als gelovige (mu’min) overlijdt.
Dat, als men geen bijzondere vergiffenis van Allah ontvangt, de straf voor slechte daden reeds heeft ondergaan.
Als men deze voorwaarden buiten beschouwing laat, zou dat in strijd zijn met andere religieuze teksten en principes. Dan zou er geen onderscheid meer zijn tussen degene die de geboden van de islam naleeft en degene die dat niet doet.
Maar wie overlijdt als een ware gelovige? Hoe groot is de kans dat iemand die zijn verplichtingen (farāʾiḍ) niet nakomt, zich niet onthoudt van verboden zaken, of zich moslim noemt maar arrogant is tegenover de bevelen van de islam — zoals het gebod van bedekking (ḥijāb) of de regels van erfrecht — en deze als “verouderd” of “alleen voor Arabieren bedoeld” beschouwt, werkelijk als gelovige sterft? Dat is moeilijk met zekerheid te zeggen.
De ḥadīth geeft ons in ieder geval een minimale maatstaf om iemand in wereldlijke zaken als gelovige te beschouwen — en is in dat opzicht belangrijk. Daarnaast biedt hij een belangrijk uitgangspunt voor het begrijpen van de situatie in het Hiernamaals van mensen die grote zonden begaan hebben.]
4. (4) Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een dienaar de islam omarmt en daarin oprecht is/zijn islam mooi is), dan schrijft Allah voor hem al het goede op dat hij (voorheen) verrichtte, en wist Hij van hem al het slechte uit dat hij (voorheen) verrichtte.Daarna geldt het principe van vergelding:Elke goede daad wordt (beloond) met tien tot zevenhonderd keer het equivalent ervan,en elke slechte daad wordt (bestraft) met haar gelijke — tenzij Allah daarover vergeving schenkt.”
De betekenis van “azlafa-hā” is: “die hij eerder verrichtte”.
(Overgeleverd door al-Bukhārī (İman: 31), Nesâî, İman: 10, (8, 105)
[ “daarin oprecht is/als zijn Islām mooi is”. Dat wil zeggen: “als een dienaar moslim wordt en zijn Islām ook mooi is...”
`Ulamā’ (geleerden) hebben deze ‘mooiheid’ of ‘oprechtheid’ van de Islām uitgelegd als: dat het geloof en de oprechtheid (ikhlāṣ) volledig aanwezig zijn; dat de Islām zowel uiterlijk als innerlijk in de persoon is doorgedrongen; dat hij tijdens zijn aanbidding de nabijheid van zijn Rab herinnert en beseft…
In de overlevering van al-Bukhārī wordt weliswaar vermeld dat zijn voorgaande zonden worden vergeven, maar dat ook zijn eerdere goede daden worden opgeschreven, komt daarin niet voor. In andere versies van deze ḥadīth, buiten de Kutub al-Sitta, wordt echter duidelijk vermeld dat zijn voorgaande zonden worden vergeven én dat zijn goede daden hem worden meegeteld.
Men heeft gezegd dat al-Bukhārī dit extra gedeelte (over de goede daden) bewust heeft weggelaten, omdat hij het, vanuit andere principes bezien, problematisch vond dat goede daden verricht in staat van ongeloof een middel tot toenadering tot Allah zouden zijn.
Maar an-Nawawī en Qāḍī ‘Iyāḍ zijn het met deze opvatting niet eens. An-Nawawī zegt:“De correcte mening is wat de diepgaande geleerden unaniem hebben vastgesteld: als een kāfir vóór zijn bekering goede daden heeft verricht – zoals het geven van aalmoezen of het onderhouden van familiebanden – dan worden deze, na zijn bekering tot de Islām, voor hem als goede daden opgeschreven, mits hij ook als moslim sterft.”
An-Nawawī verwerpt ook het bezwaar dat dit in strijd zou zijn met andere regels:“Deze aanname is niet correct. Sommige daden van een kāfir in de wereld zijn immers wel erkend. Zo is bijvoorbeeld de kaffārah voor ẓihār (verzoening voor een verboden eedsvorm) daar een voorbeeld van. Als een kāfir deze boetedoening vóór zijn bekering uitvoert, hoeft hij deze na zijn bekering niet te herhalen.”
Ibn Ḥajar is het met an-Nawawī eens, maar bereikt dezelfde conclusie met een iets andere redenering:“Als iemand na zijn bekering de beloning krijgt voor zijn eerdere goede daden, dan is dat een goddelijke gunst. Dit betekent niet dat die daden op zich – verricht in ongeloof – reeds acceptabel waren. De ḥadīth zegt alleen dat de beloning wordt opgeschreven, niet dat de daden daarvóór al geaccepteerd waren. Het is zelfs mogelijk dat de acceptatie van die daden afhankelijk is gemaakt van het aannemen van de Islām: als hij moslim wordt, worden ze geaccepteerd, anders niet. Deze opvatting is sterker.”
Ibn al-Munīr stelt dat het beweren dat er beloning zou zijn voor daden verricht in staat van ongeloof, strijdig is met de islamitische basisregels. Want de teksten van de Qur’ān en de ḥadīth zijn hier duidelijk in:وَقَدِمۡنَآ إِلَىٰ مَا عَمِلُواْ مِنۡ عَمَلٖ فَجَعَلۡنَٰهُ هَبَآءٗ مَّنثُورًا ٢٣
En Wij keren Ons tot de daden die zij (ongelovigen) hebben verricht en Wij maken die als verspreide zwevende stofdeeltjes.
Toen ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) vroeg naar Ibn Judʿān, of zijn goede daden hem dan niets zouden baten, antwoordde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم):“Hij heeft nooit gezegd: ‘O, mijn Rab, vergeef mij mijn zonden op de Dag des Oordeels.’Hieruit wordt geconcludeerd dat als iemand gelovig sterft, zijn eerdere goede daden hem zullen baten. Zonder īmān zullen de goede daden van een kāfir echter geen nut hebben. Zonder geloof worden de goede daden van de kāfir niet geaccepteerd.
Wel kan het volgende gezegd worden:Zoals het Paradijs verschillende niveaus kent, zo kent de Hel dat ook. Als de īmān gradaties kent, dan kent de kufr dat eveneens. De onrechtvaardige en zondige kāfir zal dus niet gelijk behandeld worden aan de onderdrukte of deugdzame met goede daden. De verblijfplaats blijft weliswaar de Hel, maar hun gradaties, posities, en wat zij aan bestraffing zullen ervaren, is niet gelijk, het is verschillend.
Kafārah az-Zihār (كفارة الظهار):
Zihār is dat een man zijn vrouw vergelijkt met een vrouw die voor hem voor altijd maḥram is (met wie het huwelijk verboden is), hetzij vanwege bloedverwantschap, borstvoeding (ar-Raḍāʿah), of door aanverwantschap (zoals de moeder van zijn vrouw). Dit is een soort gedeeltelijke scheiding.
Een voorbeeld hiervan is dat een man tegen zijn vrouw zegt: “Jij bent voor mij als de rug van mijn moeder.” Dit is een uitdrukking waarmee hij aangeeft dat seksuele omgang met haar verboden is, net zoals het verboden is met zijn moeder.
Een man die zo’n vergelijking maakt, mag daarna geen seksuele omgang hebben met zijn vrouw totdat hij de verplichte kafārah (boetedoening) verricht. Die boetedoening is als volgt:
Als hij daartoe in staat is, moet hij een slaaf vrijlaten/vrijkopen.
Als hij dat niet kan, moet hij twee maanden achtereen vasten.
Als ook dat niet mogelijk is, moet hij zestig behoeftigen voeden.
5. (5) Van Abū Hurayrah: ʿAbd ar-Raḥmān ibn Ṣakhr ad-Dawsī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie zijn islam (of zijn bekering) goed volbrengt, dan wordt elke goede daad die hij verricht voor hem opgeschreven als tien tot zevenhonderdvoudig. En elke slechte daad die hij verricht, wordt slechts als één slechte daad opgeschreven – totdat hij Allah ontmoet.”
(Overgeleverd door Buhârî, İman: 31; Müslim, İman: 205, (129)
[Dit is een van de belangrijke aḥādīth die de omvang van de genade en vergeving van Allah (جل جلاله) tegenover Zijn dienaren uitdrukt.
Toch wordt dezelfde betekenis ook in een āyah verwoord:مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠
Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Sūrah al-Anʿām, 6:160)
Dat goede daden tot zevenhonderd keer vermenigvuldigd worden, wordt in de volgende āyah vermeld:مَّثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ كَمَثَلِ حَبَّةٍ أَنۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ فِي كُلِّ سُنۢبُلَةٖ مِّاْئَةُ حَبَّةٖۗ وَٱللَّهُ يُضَٰعِفُ لِمَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٌ ٢٦١
De gelijkenis van degenen die van zijn rijkdommen uitgeeft op het Pad van Allah is als de gelijkenis van een graankorrel; het groeit in zeven aren en iedere aar heeft honderd korrels. Allah geeft het veelvoudige aan degenen waarover Hij tevreden is. En Allah is voldoende voor de noden van Zijn schepselen, Alwetend. (Sūrah al-Baqarah, 2:261)
Wanneer wij ons met een oprechte intentie tot het dienaarschap wenden, behandelt Allah (جل جلاله) ons niet met rechtvaardigheid, maar met vergeving:Voor één zonde wordt slechts één zonde opgeschreven, maar voor één goede daad ten minste tien keer, tot wel zevenhonderd keer of zelfs nog meer.Zonder twijfel is dit geen rechtvaardigheid, maar pure genade.
Als Allah (جل جلاله) het had gewild, had Hij voor de verrichte goede daden helemaal niets hoeven te noteren — en dat zou nog steeds ware rechtvaardigheid zijn geweest. Want geen enkele goede daad kan opwegen tegen de gunsten die Allah ons gegeven heeft:Het leven, gezondheid, materiële middelen, enzovoorts — we profiteren ervan. Lucht, water, zonlicht, voedsel — het zijn allemaal bezittingen van Allah (جل جلاله). Wij gebruiken Zijn bezit en beschikken over Zijn schepping.
Daarvoor hebben wij verplichtingen van dankbaarheid, lof en dienaarschap. Geen enkele goede daad kan als tegenprestatie gelden voor die gunsten; wij kunnen onze schuld niet aflossen.
Daarom zijn onze aanbiddingen en goede daden in essentie een dankbetoon voor de gunsten uit het verleden — ze zijn geen investering voor toekomstige gunsten.
Maar Allah (جل جلاله) heeft uit Zijn loutere genade beloofd ons in de toekomst te belonen en heeft het Paradijs beloofd.
De grootheid van deze genade en barmhartigheid blijkt uit het feit dat goede daden minimaal tienvoudig worden opgeschreven. En afhankelijk van onze oprechtheid en de zwaarte van de omstandigheden, heeft onze Rab beloofd ze tot wel zevenhonderd keer en zonder grenzen te vermenigvuldigen.]
6.(6) Van Muʿādh ibn Jabal al-Anṣārī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie als laatste woorden (op zijn sterfbed) zegt: ‘Lā ilāha illā Allah (er is geen god behalve Allah)’, zal het Paradijs binnengaan.”
(Overgeleverd door Ebu Dâvud, Cenâiz: 20, (3116)
[De geleerden leggen uit dat met de uitdrukking “Lā ilāha illā Allah” in deze en soortgelijke ahādīth bedoeld wordt: de volledige shahādatayn (geloofsgetuigenis). Dat wil zeggen: het enige wat iemand naar de verlossing leidt, is niet alleen het bevestigen van de Eenheid van Allah, maar ook het uitspreken van “Muḥammadun Rasūlullah (محمدٌ رسولُ الله)” moet daar onderdeel van zijn. Deze twee vormen samen een ondeelbaar geheel.
Al-Munāwī geeft aan dat, omdat bij het sterven alle wereldse en egocentrische verlangens gedoofd zijn, het uitspreken van de shahādah op dat moment oprecht en innerlijk gemeend zal zijn, en dat het daarom door Allah aanvaard wordt.
Deze blijde tijdingen in de ahādīth zijn echter geen excuus om aanbidding of berouw uit te stellen tot het einde van het leven. De juiste houding van een dienaar is dat hij op elk moment oprecht tot Allah vlucht. Want wie weet wat voor einde ons te wachten staat? Zullen wij op normale wijze ouder worden en met een heldere geest sterven?
Of zal de dood ons plotseling overvallen op een onverwacht moment en op een onverwachte leeftijd?
Tegenwoordig zien we dat veel gelovige mensen zich laten misleiden door de achteloosheid van de jeugd en de influisteringen van de shayṭān. Ze stellen het verrichten van ʿibādah en het tonen van berouw uit tot op hoge leeftijd. Ze zeggen dan dat een laatste berouw of het uitspreken van de shahādah op het sterfbed voldoende zou zijn.
Maar we zien ook hoe velen die zich met dergelijke Bektaşi-achtige uitspraken in slaap sussen, onverwacht door een ongeluk om het leven komen.
Bovendien moeten we niet vergeten dat deze soort ahādīth geen garantie geven dat men gespaard blijft van bestraffing vanwege verwaarloosde daden van aanbidding of het schenden van rechten van andere mensen (ḥuqūq al-ʿibād). Wat deze overleveringen garanderen is: het binnengaan van het Paradijs.
De geloofsleer van Ahli as-Sunnah stelt dat elke gelovige die ook maar een beetje goeds heeft verricht, uiteindelijk na het ondergaan van eventuele bestraffing alsnog het Paradijs zal binnengaan. Iemand die als gelovige is overleden, zal niet voor eeuwig in de Hel blijven.]
7.(7) Van Abū Dharr: Jundub ibn Junādah al-Ghifārī (رضي الله عنه):
an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jibrīl (عليه السلام) kwam tot mij en bracht mij het blijde nieuws dat wie van mijn ummah sterft zonder deelgenoot met Allah toe te kennen (shirk), het Paradijs zal binnengaan.”Ik vroeg: “Zelfs als hij overspel heeft gepleegd en gestolen heeft?”Hij zei: “Zelfs als hij overspel heeft gepleegd en gestolen heeft.”Ik vroeg (opnieuw): “Zelfs als hij overspel heeft gepleegd en gestolen heeft?”Hij antwoordde: “Zelfs als hij overspel heeft gepleegd en gestolen heeft.”En bij de vierde keer zei hij: “Ook al is dat tegen de wil in van Abū Dharr.”
(Overgeleverd door Buhârî, Tevhid: 33; Müslim, İman: 153, (94); Tirmizî, İman: 18, (2646)
على رَغم أنف أبي ذرّ” betekent letterlijk: “zelfs als het de neus van Abū Dharr krenkt”, oftewel: “zelfs als Abū Dharr dat moeilijk vindt om te accepteren”. Het is een Arabisch idioom dat uitdrukt dat iets zal gebeuren, ook al zou iemand er innerlijk moeite mee hebben of het tegen zijn gevoel ingaan.
[In de versie van deze hadith die is overgeleverd in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, in het hoofdstuk Kitāb al-Libās (Het Boek over Kleding), wordt vermeld dat Abū Dharr al-Ghifārī (رضي الله عنه) an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bezocht, terwijl hij lag te slapen. Hieruit kan worden opgemaakt dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) deze verheugende boodschap van Jibrīl (عليه السلام) in een droom heeft ontvangen.
De herhaalde verbazing van Abū Dharr (رضي الله عنه) en het telkens opnieuw uitdrukken van zijn verwondering is te begrijpen vanuit een andere overlevering van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) waarin hij zei: “Degene die overspel pleegt, pleegt dit niet terwijl hij op dat moment een gelovige is; en degene die alcohol drinkt, doet dit niet als een gelovige op het moment dat hij drinkt…”
Vanwege deze andere uitspraak raakte Abū Dharr (رضي الله عنه) in verwarring.
De islamitische geleerden hebben, bij het beoordelen van grote zonden, deze tweede overlevering geïnterpreteerd (ta’wīl) en de eerste hadith als uitgangspunt genomen. Met andere woorden: wie zondigt, zondigt niet met een volmaakt geloof (īmān kāmil).
Als men deze hadith niet zou interpreteren, maar letterlijk zou nemen, dan zou men uitkomen bij de opvatting van de Khārijieten, namelijk: “Degene die een grote zonde begaat, is een kāfir.” De ahl al-sunnah wal-jamā‘ah daarentegen zeggen niet dat een zondaar ongelovig is. Ze zeggen: “Hij is een zondaar, en als hij berouw toont, kan Allah hem vergeven.”
Imām Abū Ḥanīfah (رحمه الله) behandelt imān en daden afzonderlijk. Geloof is bevestiging met het hart en het uitspreken met de tong. Als dit aanwezig is, wordt iemand als moslim beschouwd, ongeacht zijn daden. Zelfs als hij grote zonden begaat, blijft hij een gelovige. Hij kan op elk moment berouw tonen en terugkeren.
Zoals ook in de eerdere hadith vermeld werd: Als iemands laatste woorden “Lā ilāha illa Allah” zijn, dan – zelfs als hij niet wordt vrijgesproken van zijn zonden – zal hij, nadat hij zijn straf ondergaan heeft, alsnog het Paradijs binnengaan.
In de betreffende hadith heeft Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zonder aanvullende voorwaarden de uiteindelijke uitkomst weergegeven. Deze manier van spreken heeft als doel de zondaar hoop te geven en hem aan te moedigen tot berouw en terugkeer tot Allah.
Het idee dat deze hadith sommigen mogelijk teveel hoop zou geven en hen zou aanzetten tot zonden, is ongegrond. Want iemand die het fatsoen en het besef van dienaarschap jegens Allah begrijpt, zal niet op Zijn vergiffenis vertrouwen om zonden te kunnen plegen. En wie dit morele besef niet bezit, zal toch al niet luisteren; hij is dan een slaaf van zijn begeerten.
Deze hadith is overgeleverd door zowel al-Bukhārī als Muslim, en behoort daarmee tot de meest authentieke en betrouwbare overleveringen. Onze Edele Profeet (صلى الله عليه وسلم), die spreekt namens de Heer der Werelden, spreekt nooit anders dan de waarheid en het goede.]
8.(8) Van Jābir ibn ʿAbdillāh al-Anṣārī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Twee zaken zijn beslissend.”Daarop vroeg een man: “O Rasulullah, wat zijn die twee beslissende zaken?”Hij zei: “Wie sterft terwijl hij iets deelgenoot (shirk) toekent met Allah, die treedt het Vuur binnen; en wie sterft zonder deelgenoot toekent met Allah die treedt het Paradijs binnen.”
(Overgeleverd door Müslim, İman: 151, (93)
[Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gebruikte, zoals in deze ḥadīth, vaak een stijl die de aandacht trok, nieuwsgierigheid opwekte en mensen aanzette tot het stellen van vragen, nog vóór Hij een goddelijke waarheid zou verkondigen.
Zodra de geesten op die manier voorbereid waren, ging Hij over tot het overbrengen van de daadwerkelijke waarheid. Hierdoor nestelden de geleerde religieuzr/dīn onderwerpen zich op blijvende wijze in het geheugen.
Om dit doel te bereiken, heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zich bediend van zeer uiteenlopende methodes en stijlen.]
9. (9) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):"Ik zei: ‘O Rasulullah, wie is het gelukkigst met uw voorspraak op de Dag der Opstanding?’Hij (صلى الله عليه وسلم) zei:‘Ik vermoedde al dat jij mij dit als eerste zou vragen vanwege de ijver die ik bij jou zie voor de hadieth.De gelukkigste mensen met mijn voorspraak (shafa`ah) op de Dag der Opstanding zijn zij die zeggen: Lā ilāha illā Allāh, oprecht vanuit hun hart.’"
(Overgeleverd door al-Bukhārī, İlm: 34, Rikak: 50)
10. (10) Van Ṣuhayb ibn Sinān (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vreemd is de zaak van de gelovige (mu’min)!
Alles in zijn zaak is goed (khayr) voor hem — en dat is voor niemand het geval behalve voor de gelovige:Als hem iets goeds overkomt, is hij dankbaar, en dat is goed voor hem.En als hem iets slechts overkomt, is hij geduldig, en dat is (ook) goed voor hem.”
(Overgeleverd door Muslim, Zühd: 64, (2999)
[Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) geeft met deze overlevering twee voortreffelijke eigenschappen aan die in een gelovige (mu’min) aanwezig moeten zijn: shukr (dankbaarheid) en ṣabr (geduld).
Wanneer iemand geniet van gezondheid, gunsten, status, kinderen of succes — kortom, van zaken die hij als prettig ervaart — dan moet hij dit erkennen als een gunst van Allah en dankbaarheid tonen. Zo beschermt hij zichzelf tegen verwerpelijke innerlijke toestanden zoals zelfverheerlijking (‘ujb), verwaandheid of het gevoel onafhankelijk van Allah te zijn (istighnā’).
Wanneer hij daarentegen geconfronteerd wordt met ziekte, tegenspoed, rampspoed of een pijnlijke gebeurtenis, dan herinnert hij zich dat dit een beproeving is en dat zijn Rabb (Heer) hem hiermee op de proef stelt. In dat geval roept hij niet in wanhoop, maar zoekt hij naar manieren om zichzelf te verbeteren en toont hij geduld (ṣabr).]
11.(11) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens hand de ziel van Muḥammad is!Geen enkel lid van deze gemeenschap – of het nu een jood of een christen is – die van mij hoort en vervolgens sterft zonder te geloven in wat ik gezonden ben, of hij behoort zeker tot de bewoners van het Vuur.”(Overgeleverd door Müslim, İman: 240, (153)
[Deze ḥadīth maakt op duidelijke wijze duidelijk dat na de komst van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) alle eerdere godsdiensten zijn afgeschaft en hun geldigheid verloren hebben.De verantwoordelijkheid om in an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) te geloven, is verbonden aan het horen van zijn boodschap.Degenen die in afgelegen en geïsoleerde gebieden wonen en daarom de boodschap van profeetschap van Muḥammad niet bereikt hebben, worden niet verantwoordelijk gehouden. Zoals ook in de Qu’rān al-Karīm wordt gezegd:
وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبۡعَثَ رَسُولٗا ١٥
... En Wij bestraffen nooit (iemand van jullie) tot Wij een Boodschapper hebben gezonden (die verduidelijkt wat er van jullie wordt verwacht). (Sūrah al-Isrāʾ, 17:15)
Het feit dat in de ḥadīth specifiek joden en christenen genoemd worden, dient – zoals imaam Nawawī uitlegt – om te benadrukken dat de islam bestemd is voor heel de mensheid. Want deze twee groepen behoren tot de Ahl al-Kitāb, de volgelingen van hemelse godsdiensten. Er wordt dus mee gezegd:“Als zelfs zij – ondanks hun hemelse oorsprong – verplicht zijn om de islam te aanvaarden, dan zijn mensen die een religie/dīn volgen die geen goddelijke openbaring meer kent des te meer verplicht om de islam binnen te treden.”]
12. (12) Van Wahb ibn Munabbih (رضي الله عنه): Er werd tegen hem gezegd: “Is Lā ilāha illallāh niet de sleutel tot het Paradijs?”Hij antwoordde: “Zeker! Maar elke sleutel heeft tanden. Als je komt met een sleutel die tanden heeft, wordt er voor je geopend. Maar als je komt met een sleutel zonder tanden, dan wordt er niet voor je geopend.”(Overgeleverd door Buhârî, Cenâiz: 1)
[Wahb ibn Munabbih bedoelde met de vergelijking van een “sleutel met tanden” het belang van goede daden (ʿibādāt), en daarmee dus ook de inspanning en de moeite die een gelovige dient te verrichten in het geloof.
Hij wilde daarmee aangeven dat men niet enkel door het zeggen van Lā ilāha illa-llāh het Paradijs binnengaat zonder aanbidding en zonder zich moeite te getroosten. Toch heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Lā ilāha illallāh is de sleutel tot het Paradijs.”Zoals ook blijkt uit de hadith van Abū Dharr (رضي الله عنه) hierboven: wie deze uitspraak oprecht omarmt, heeft zeker kans op verlossing.Sommige commentatoren zeggen dat al-Bukhārī deze overlevering vermeldde om erop te wijzen dat het uitspreken van Lā ilāha illallāh oprecht aan het einde van het leven aanleiding kan zijn voor vergeving van alle eerdere zonden — omdat oprechtheid (ikhlāṣ) berouw (tawbah) en spijt (nadamah) met zich meebrengt. Het zeggen van Lā ilāha illallāh kan dan als teken dienen van oprecht berouw.Aangezien niemand weet waar, wanneer of in welke toestand zijn laatste adem komt, is het niet passend — en strijdig met de juiste houding van dienaarschap — om te vertrouwen op berouw op hoge leeftijd en ondertussen vol te houden in het begaan van zonden.De juiste benadering is daarom om Lā ilāha illallāh niet als een simpele formule zonder inhoud te beschouwen, maar als iets dat moet worden ondersteund door goede daden, net zoals een sleutel zonder tanden niets anders is dan een rechte staaf die geen enkel slot kan openen.Toch is het ook belangrijk om te weten wanneer en hoe zulke aḥādīth gebruikt moeten worden. Mensen die hun leven in achteloosheid hebben doorgebracht, kunnen plots ontwaken door een goddelijke genade en tot berouw komen. Zulke mensen hebben behoefte aan blijde tijdingen (tabshīr) zodat ze niet wanhopig worden door schaamte over hun verleden.Juist vanwege de intense behoefte aan deze vorm van troost voor ontwakende zondaren, komen er in veel aḥādīth en āyāt geruststellende boodschappen voor.Zoals in de Qur’ān al-Karīm staat:
قُلۡ يَٰعِبَادِيَ ٱلَّذِينَ أَسۡرَفُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ لَا تَقۡنَطُواْ مِن رَّحۡمَةِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يَغۡفِرُ ٱلذُّنُوبَ جَمِيعًاۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ ٥٣
Zeg: “O Mijn dienaren die buitensporig zijn tegenover zichzelf, wanhoop niet aan de Genade van Allah (aangaande Zijn vergiffenis en toelating tot het Paradijs), waarlijk Allah vergeeft alle zonden. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde, de Barmhartige. (Sūrah az-Zumar, 39:53)
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft ook gezegd dat wie met oprechtheid berouw toont, zo zuiver wordt van zonden als op de dag dat zijn moeder hem baarde. Daarnaast heeft hij verteld hoe groot de vreugde van Allah (جل جلاله) is over iemand die berouw toont, door het te vergelijken met een man die in de woestijn zijn rijdier met al zijn bezittingen verliest, en na een wanhopige slaap zijn rijdier ineens terugvindt. Uit blijdschap roept hij dan — zonder na te denken — uit:“O Allah! U bent mijn dienaar en ik ben Uw Heer!”Zo groot was zijn vreugde, dat hij zich versprak.De Qur’ān al-Karīm gaat zelfs nog verder in het bieden van hoop aan ontwakende zondaren, door te verkondigen dat hun vroegere zonden kunnen worden omgezet in goede daden:
إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ٧٠
Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten. Voor diegenen zal Allah hun zonden in goede daden veranderen, en Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. (Sūrah al-Furqān, 25:70)
Hier gaat het niet om het simpelweg wissen of niet meetellen van zonden, maar om een hogere vorm van de openbaring van de goddelijke barmhartigheid: het veranderen van zonden in beloningen. Hoewel sommige geleerden andere verklaringen geven voor deze āyah, is één van de vier uitleggen die Fakhruddīn ar-Rāzī vermeldt, precies deze betekenis.Sa`īd ibn al-Musayyib en Makhḥūl baseerden hun mening op deze uitleg, en zij ondersteunden het met een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) waarin Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zullen mensen zijn die wensen dat zij veel zonden hadden begaan.”Er werd gevraagd: “Wie zijn dat, O Rasulullah?”Hij antwoordde: “Zij zijn degenen wier slechte daden door Allah zijn omgezet in goede daden.”
In een andere ḥadīth staat: Op de Dag der Opstanding zal een man ondervraagd worden over zijn kleine zonden, en hij zal daarover verantwoording moeten afleggen.Terwijl hij bang is dat ook zijn grote zonden aan het licht zullen komen, zegt al-Ghaffār: “Schrijf voor elke slechte daad van deze dienaar een goede daad als beloning.”Bij het horen van deze onverwachte genade, wordt de man hoopvol en zegt: “Maar ik had ook grote zonden! Ik zie ze niet terug — kon het zijn dat ook die worden omgezet in beloningen?”Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) lachte toen zo hartelijk bij het vertellen van dit verhaal, dat zijn achterste kiezen zichtbaar werden.]
TWEEDE PARAGRAAF:De ware aard van het īmān
1. (14) Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنهما):Een man zei tegen hem: “Ga jij op veldtocht (ghazwah)?” Hij antwoordde: “Voorwaar, ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen:‘De islam is gebouwd op vijf (pijlers):de getuigenis dat er geen godheid is behalve Allah,en dat Muhammed Zijn dienaar en Boodschapper is,het verrichten van de ṣalāh,het opbrengen van de zakāh,de ḥaj naar het Huis (de Kaʿbah),en het vasten van Ramaḍān.’”(Overgeleverd door Buhârî, İman: 1; Müslim, İman: 22 (....); Nesâî, İman: 13, (9, 107-108); Tirmizî, İman: 3, (2612)
2. (15) Van Yaḥyā ibn Yaʿmur:
De eerste die in Basra sprak over de ontkenning van al-Qadar (de voorbeschikking) was Maʿbad al-Juhanī.Ik (Yaḥyā) en Ḥumayd ibn ʿAbd ar-Raḥmān al-Ḥimyarī vertrokken op bedevaart (ḥaj of ʿumrah).We zeiden: “Als we een van de metgezellen (ṣaḥābah ) van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) ontmoeten, laten we hem dan vragen wat deze mensen zeggen over al-Qadar.”
En Allah gaf ons succes, want we troffen ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) aan toen hij de moskee (masjid an-Nabawī) binnenging.Ik en mijn metgezel omringden hem – ik aan zijn rechterzijde en mijn metgezel aan zijn linkerzijde. Ik dacht dat mijn metgezel mij het woord zou laten doen, dus zei ik:
“O Abā ʿAbd ar-Raḥmān! Er zijn mensen in onze omgeving die de Qur’ān reciteren en kennis najagen, en zij menen dat er geen voorbeschikking (al-Qadar) is, en dat zaken geheel nieuw ontstaan (m.a.w. Allah weet niet dat ze zullen gebeuren).”
Hij antwoordde: “Als je hen tegenkomt, zeg hen dan dat ik afstand van hen neem, en dat zij afstand van mij nemen. Bij Degene bij Wie ʿAbdullāh ibn ʿUmar zweert: al zou iemand zoveel goud als de berg Uḥud uitgeven, Allah zal het niet van hem accepteren totdat hij in al-Qadar gelooft.”
Daarna zei hij: “Mijn vader, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), vertelde mij: Terwijl wij bij Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zaten, verscheen er plotseling een man:zeer wit gekleed, met gitzwart haar, geen teken van reizen op hem zichtbaar, en niemand van ons kende hem.Hij kwam zitten tegenover an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), plaatste zijn knieën tegen de knieën van an-Nabī, en legde zijn handen op diens dijen.Hij zei: ‘O Muḥammad, informeer mij over de Islām.’An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Dat je getuigt dat er geen godheid is dan Allah, en dat Muḥammad Zijn dienaar en boodschapper is; dat je de salaah verricht, de zakāt opbrengt, vast (ṣiyām) in Ramaḍān en de ḥaj verricht als je daartoe in staat bent.’
Hij zei: ‘Je hebt gelijk.’ Wij waren verbaasd dat hij hem vragen stelde en hem tegelijkertijd bevestigde.
Daarna zei hij: ‘Informeer mij over de īmān.’An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Dat je gelooft in Allah, in Zijn engelen, in Zijn boeken, in Zijn boodschappers, in de Laatste Dag, en dat je gelooft in al-Qadar, het goede en het kwade ervan.’
Hij zei: ‘Je hebt gelijk.’
Toen vroeg hij: ‘Informeer mij over de iḥsān.’An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet. En als jij Hem niet ziet, dan ziet Hij jou zeker.’
Daarna vroeg hij: ‘Informeer mij over het Uur (de Eindtijd).’An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Degene die gevraagd wordt, weet daar niet meer over dan degene die vraagt.’
Toen vroeg hij: ‘Informeer mij over de tekenen ervan.’An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Dat de slavin haar meesteres zal baren, en dat je de ongeschoeide, naakte, behoeftige herders hun gebouwen ziet verheffen.’
Daarna vertrok de man, en ik bleef een tijdlang zitten.
Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: “O ʿUmar, weet jij wie de vrager was?”Ik zei: “Allah en Zijn Boodschapper weten het het beste.”Hij zei: “Dat was Jibrīl (عليه السلام). Hij kwam om jullie jullie religie/dīn te onderwijzen.”
Abū Dāwūd vermeldt in een andere overlevering dat hij na “de ṣiyām van Ramaḍān” ook “het wassen van de janābah (grote rituele onreinheid)” toevoegt.In een andere overlevering van Abū Dāwūd komt de volgende toevoeging voor:
Een man uit de stam Muzaynah of Juhaynah vroeg:
“O Rasulullah, is de daad die wij verrichten iets dat reeds is gebeurd (en reeds in de bewaakte tafel – al-Lawḥ al-Maḥfūẓ – is vastgelegd), of iets dat vanaf nu pas begint?”
Daarop antwoordde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Het is een reeds voltooide daad.”
De man – of iemand uit het gezelschap – vroeg toen: “Waarom zouden we dan nog moeite doen?”
Toen zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “De daden van de mensen van het Paradijs zullen voor hen gemakkelijk gemaakt worden. En de daden van de mensen van het Vuur worden voor hen ook gemakkelijk gemaakt.”
Een soortgelijke ḥadīth is door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Deze ḥadīth komt ook voor in andere verzamelingen behalve die van at-Tirmidhī.
In deze overlevering is in plaats van “getuigenis afleggen (shahādah)” de formulering gebruikt:
“Dat je Allah aanbidt en Hem geen deelgenoten toekent.”
Verder bevat deze overlevering ook de toevoeging:
“Wanneer de blootsvoetsen en naakten leiders van de mensen worden.”
En ook de volgende toevoeging:
“(De tijdstip van) de Dag des Oordeels is één van de vijf zaken van het vijf ongeziene (al-mughayyabāt al-khams), waarvan niemand behalve Allah kennis heeft.”
Vervolgens reciteerde hij het volgende vers:
إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَيُنَزِّلُ ٱلۡغَيۡثَ وَيَعۡلَمُ مَا فِي ٱلۡأَرۡحَامِۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ ٣٤
Waarlijk Allah! Bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur, Hij laat de regen vallen en Hij kent wat zich in de schoten bevindt. Niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet in welk land hij zal sterven. Waarlijk, Allah is Alwetend, Bewust van alle (zaken). (Surah Loqmaan, 31:34)
In een andere overlevering is er, na het noemen van “de naakten”, ook de volgende toevoeging:
“Wanneer de doven en stommen koningen over de aarde worden.”
In de Sunan van an-Nasā’ī staat nog de volgende toevoeging:
Hij (an-Nabie صلى الله عليه وسلم) zei: “Nee, bij Degene Die Muḥammad gezonden heeft met de waarheid en leiding: ik weet daarover (over het tijdstip van het Uur) niet meer dan jullie. Degene die kwam was Jibrīl (عليه السلام). Hij was in de gedaante van Dihyah al-Kalbī neergedaald.”
(Overgeleverd Müslim, İman: 1, (8); Nesâî, İman: 6, (8, 101); Ebu Dâvud, Sünnet: 17, (4695); Tirmizî, İman: 4, (2613), en anderen, met verschillende aanvullingen)
[De bovenstaande overlevering toont aan dat de discussies over het onderwerp van al-Qadar (voorbeschikking) al begonnen waren tijdens het leven van de metgezellen (ṣaḥābah).Immers, de eerste bekende persoon die het idee van de ontkenning van al-Qadar, afkomstig van de Ahl al-Kitāb, naar voren bracht, is Maʿbad al-Juhani. Hij overleed in het jaar 80 na Hidjrah, terwijl er in die periode nog vele ṣaḥābah in leven waren. Daaruit volgt dat Maʿbad met veel van hen heeft ontmoet en gesproken.]
1. Relatie īmān (geloof) en “Islām
Of zij nu tot de voorgaande (mutakaddimīn) of latere (muta`ākhirīn) generaties behoren, islamitische geleerden hebben veel gedebatteerd over wat precies “īmān” (geloof) is, wat “Islām” is, en of deze twee begrippen hetzelfde of verschillend zijn. Degenen die geprobeerd hebben het vraagstuk op te lossen op basis van de overgeleverde teksten (naṣṣ), zijn er ook niet in geslaagd om de moeilijkheid volledig op te lossen.
Want hoewel an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de hierboven genoemde hadith – bekend als de ḥadīth van Jibrīl (عليه السلام) – de geloofszaken die het hart en het geloven betreffen als “īmān” aanduidt, en de praktische zaken als “Islām”, zien we in andere overleveringen dat ook praktische daden worden genoemd wanneer “īmān” wordt uitgelegd. Hetzelfde geldt voor sommige verzen uit de Qorʾān.
Zo heeft az-Zuhrī gezegd: “Islām is (slechts) een uitspraak, īmān is daad.” Hij gaf als bewijs hiervoor het vers:
قَالَتِ ٱلۡأَعۡرَابُ ءَامَنَّاۖ قُل لَّمۡ تُؤۡمِنُواْ وَلَٰكِن قُولُوٓاْ أَسۡلَمۡنَا وَلَمَّا يَدۡخُلِ ٱلۡإِيمَٰنُ فِي قُلُوبِكُمۡۖ وَإِن تُطِيعُواْ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ لَا يَلِتۡكُم مِّنۡ أَعۡمَٰلِكُمۡ شَيۡـًٔاۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٌ ١٤
De bewoners van de woestijn zeiden: “Wij geloven.” Zeg (tegen hen O Mohammed): “Jullie geloven (nog) niet maar zeg liever: ‘Wij hebben ons onderworpen,’ want het geloof heeft jullie harten nog niet bereikt. Maar als jullie Allah en Zijn Boodschapper gehoorzamen, dan vermindert Hij niets (van de beloning) van jullie daden. Waarlijk, Allah is Vergevingsgezind, (voor de berouwvollen), Barmhartig (tegenover de gelovigen). (Sūrah al-Ḥujurāt, 49:14)
Sommige geleerden daarentegen zeiden dat “Islām” en “īmān” hetzelfde betekenen. Zij toonden als bewijs het vers:
فَمَا وَجَدۡنَا فِيهَا غَيۡرَ بَيۡتٖ مِّنَ ٱلۡمُسۡلِمِينَ ٣٦
Maar Wij vonden er slechts één huis van degenen die zich (aan Allah) overgegeven (moslims) hadden. (het huis van Loeth)
(Sūrah adh-Dhāriyāt, 51:36)
Een van de eerste hadithuitleggers, al-Khaṭṭābī, gaf hierover de volgende verklaring:
“Het juiste is om geen algemene uitspraak te doen, maar om genuanceerd te spreken.
Een moslim is in sommige situaties een gelovige (muʾmin), en in andere situaties niet. Maar een muʾmin is in elke situatie een moslim. Elke muʾmin is dus zeker een moslim, maar niet elke moslim is per se een muʾmin. Als men het zo bekijkt, worden de verzen correct geïnterpreteerd, en wordt het debat over dit onderwerp gematigder. Ook worden de (ogenschijnlijke) tegenstellingen tussen de overleveringen opgeheven.”
De essentie van īmān is het innerlijk bevestigen (taṣdīq), de essentie van Islām is gehoorzaamheid en overgave. Een persoon kan uiterlijk gehoorzaam lijken terwijl hij innerlijk geen overgave kent, of innerlijk overgegeven zijn zonder uiterlijk gehoorzaam te zijn.
Al-Khaṭṭābī gaf ook een uitleg bij de hadith van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
“Īmān bestaat uit meer dan zeventig takken.”
Hij zei hierover:
“Volgens deze hadith is het begrip ‘īmān’ een juridische term (sharʿī), die verwijst naar een geheel met onderdelen van verschillende niveaus – hoog en laag. De naam ‘īmān’ wordt dus zowel voor het geheel als voor de afzonderlijke delen gebruikt. De ware realiteit van īmān vereist het bestaan van al deze onderdelen, net zoals bij de sharʿī ṣalāh (het gebed). Ṣalāh heeft ook verschillende onderdelen. Hoewel soms de naam ‘ṣalāh’ gebruikt wordt voor een deel ervan, is de werkelijkheid pas compleet als alle delen aanwezig zijn. Hierop wijst ook de uitspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):‘Schaamte (ḥayāʾ) is een tak van īmān.’Deze hadith maakt ook duidelijk dat de muʾminīn verschillende niveaus van geloof hebben – sommigen zijn hoger, anderen lager.”
Imām al-Baghawī (رحمه الله) zei eveneens:
“In de hadith waarin Jibrīl (عليه السلام) over īmān en Islām vroeg en an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) antwoordde, gaf an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de naam ‘Islām’ aan uiterlijke daden en ‘īmān’ aan innerlijke geloofszaken.
Deze indeling betekent niet dat daden geen onderdeel zijn van īmān, noch dat het innerlijk bevestigen (taṣdīq) geen deel is van Islām. Integendeel, het is een onderverdeling binnen één geheel. Deze twee samen vormen de dīn (godsdienst). Daarom zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan het eind van de hadith:‘Dat was Jibrīl, hij kwam om jullie jullie dīn te onderwijzen.’”
De begrippen “īmān” en “Islām” omvatten dus beide zowel het bevestigen als het handelen. Dit wordt ook bevestigd door de volgende verzen:إِنَّ ٱلدِّينَ عِندَ ٱللَّهِ ٱلۡإِسۡلَٰمُۗ ١٩
Waarlijk, de (geaccepteerde) godsdienst bij Allah is de islam…(Sūrah Āl ʿImrān, 3:19) ٱلۡيَوۡمَ أَكۡمَلۡتُ لَكُمۡ دِينَكُمۡ وَأَتۡمَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ نِعۡمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلۡإِسۡلَٰمَ دِينٗاۚ
Vandaag heb Ik de godsdienst voor jullie voltooid en Mijn gunst voor jullie volmaakt en heb de Islam voor jullie als godsdienst gekozen. (Sūrah al-Māʾidah, 5:3)
وَمَن يَبۡتَغِ غَيۡرَ ٱلۡإِسۡلَٰمِ دِينٗا فَلَن يُقۡبَلَ مِنۡهُ وَهُوَ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ مِنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٨٥
En wie er een andere godsdienst dan de islam zoekt, het zal nooit van hen geaccepteerd worden en in het Hiernamaals zal hij één van de verliezers (in de Hel) zijn.
(Sūrah Āl ʿImrān, 3:85)2. Ihsān
In de hadith waarin ihsān wordt omschreven als: "Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet", wordt deze term als een teken gebruikt voor een verheven spirituele rang. De islam moedigt de moslims aan om ernaar te streven deze toestand te bereiken. De volmaaktheid van de religie/dīn wordt namelijk niet alleen bereikt door het vervullen van de verplichte voorschriften. De dienaar moet zich bewust zijn van het bestaan van hogere spirituele niveaus, en zich inspannen om die te bereiken. Deze hadith vestigt de aandacht op een beschouwelijk niveau dat boven īmān en islām uitstijgt: de rang van ihsān.
Binnen het islamitische soefisme — dat als doel heeft de ziel te zuiveren van innerlijke onreinheid en door verheffing van de geest nabijheid tot Allah te bereiken — wordt ihsān uitvoerig geanalyseerd en toegelicht. In het kort kunnen we zeggen: de mens kan, met name door spirituele en intellectuele training, de gewoonte ontwikkelen om zich voortdurend bewust te zijn van het feit dat hij onder goddelijke observatie en toezicht staat. Herhaalde verzen en ahadith maken duidelijk dat al onze woorden en daden, moment na moment, worden geregistreerd — zelfs gevoelens, gedachten en intenties die we niet in daden omzetten, worden opgeschreven. En op de Dag des Oordeels zullen wij over elk ogenblik van ons leven verantwoording moeten afleggen op basis van deze registraties.
Geen enkele gelovige kan deze waarheid ontkennen. Toch zijn er maar weinigen die hun gedrag voortdurend onder invloed van dit besef sturen. Dus het bereiken van de rang van ihsān is afhankelijk van training en inspanning, zodat men zich elk moment bewust is van deze goddelijke observatie.
Hoewel ihsān eenvoudig lijkt, is het in werkelijkheid een moeilijk te bereiken toestand. Maar juist vanwege die moeilijkheid is het waardevol en verheven. Iedere inspanning en elke stap die gezet wordt om deze toestand te bereiken, zal de persoon verheffen en zijn wereldse én eeuwige opbrengst vergroten.
De gelovige is opgedragen om alles met hoop tegemoet te treden. De doelen die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) ons voorhoudt, liggen niet buiten menselijke capaciteit.
Daarom is het streven naar de rang van ihsān zowel ons recht als onze plicht. Toen men tegen een mier zei: “Je pootjes zijn klein, je zult Makkah voor de ḥajj toch niet kunnen bereiken?”, antwoordde zij: “Misschien bereik ik het niet, dat is waar, maar kan ik dan tenminste niet sterven op de weg daarheen?” — Deze metafoor is voldoende om te begrijpen waarom men naar de rang van ihsān moet streven, zelfs als het onhaalbaar lijkt.
Onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft ooit het verhaal verteld van een man die honderd mensen had vermoord, maar op weg ging om Allah om vergeving te vragen. Nog voordat hij het dorp van berouw had bereikt, stierf hij onderweg. Toch gaf an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan dat zijn stappen niet tevergeefs waren geweest, en dat iedere stap hem ten goede kwam. Hij sloot dit verhaal af met het verheugende nieuws dat deze berouwvolle misdadiger uiteindelijk gered werd en genade van ar-Raḥmān verkreeg.
3. Tekenen van de Dag des OordeelsOm de bovenstaande ḥadīth goed te begrijpen, dienen enkele punten nader toegelicht te worden. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) maakt met duidelijke bewoordingen duidelijk dat zaken zoals “Wanneer is de Dag des Oordeels?” — hoewel het mensen bezighoudt — in de praktijk geen enkel voordeel opleveren, en dat niemand behalve Allah dit weet. Vervolgens noemt hij de tekenen:
Dat een slavin haar meester baart: Hieraan zijn verschillende betekenissen toegekend. Volgens een uitleg die door Ibn Ḥajar als meest correct wordt beschouwd, zal tegen het einde der tijden het fenomeen van ‘uqūq (ongehoorzaamheid aan de ouders) toenemen. Kinderen zullen hun moeders behandelen zoals een meester met zijn slavin omgaat, namelijk met hardheid en minachting. Een andere uitleg is dat kinderen die uit slavinnen geboren worden, zullen opklimmen naar de hoogste posities, zoals legeraanvoerders, gouverneurs of zelfs heersers. De Islamitische geschiedenis kent vele voorbeelden van dergelijke grootheden.
Ibn Ḥajar begrijpt hieruit dat tegen het einde der tijden de maatschappelijke orde volledig verstoord zal raken en alles op zijn kop zal staan. De sufalā’ (het uitschot van de samenleving) zullen prestigieuze posities innemen en zo aan de macht komen.
Volgens hem is dit de meest correcte betekenis die uit de ḥadīth gehaald kan worden. Hij wijst erop dat dit ook ondersteund wordt door het vervolg van de ḥadīth, waarin vermeld wordt dat herders rijk zullen worden en elkaar zullen beconcurreren in het bouwen van hoge gebouwen — wat eveneens een teken is van maatschappelijke omkering en corruptie.
Dat schaapherders zullen wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen: Ook dit is een toekomstvoorspelling die door andere aḥādīth bevestigd wordt en een wonder vormt. In andere overleveringsvormen van deze ḥadīth, die buiten de Kuttub as-Sittah (de zes gezaghebbende ḥadīth-verzamelingen) voorkomen, worden nog andere details genoemd. Geleerden die deze varianten in overweging nemen, begrijpen hieruit dat arme boeren rijk zullen worden en met geweld de macht zullen grijpen. De uitspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer de woestijnarabieren (al-‘Arab al-bādiyah) zich aristocratisch gaan gedragen en paleizen in de steden gaan bouwen, dan is dat het omkeren van de orde die de Islam heeft gebracht” wordt door al-Qurṭubī als volgt uitgelegd:
“Hier wordt voorspeld dat de maatschappelijke verhoudingen zullen veranderen. Vooral de bedoeïenen, de plattelandsbewoners en nomaden, zullen zich meester maken van staatszaken en zich met geweld tot heersers van het land maken. Door hun machtspositie zullen zij rijk worden, en hun volledige aandacht richten op het bouwen van grote gebouwen en zichzelf daarin prijzen. Wij zijn in onze eigen tijd getuige van deze toestand geworden.”
Sommigen hebben in deze ḥadīth van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zelfs een verwijzing gezien naar het opkomen van democratische regimes naar Westers model.
3.(16) Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):
Terwijl wij met an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de moskee zaten, kwam er een man binnen op een kameel. Hij liet zijn kameel neerknielen in de moskee en bond hem vast. Daarna zei hij:
“Wie van jullie is Muḥammad?”
Wij zeiden: “Die man daar, de witgetinte man die achterover leunt.”
In de overlevering van an-Nasā’ī via Abū Hurayrah (رضي الله عنه) staat:
“De witgetinte man met een rode gloed op zijn huid, die leunt.”
Toen zei hij (de man): “O zoon van ʿAbdul-Muṭṭalib.”
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ik heb je gehoord.”
De man zei: “Ik ga je vragen stellen, en ik zal streng zijn in het vragen. Wees dus niet boos op mij.”
- “Vraag wat je wilt.”
- “Ik vraag je bij jouw Rab en de Rab van hen die vóór jou waren: Heeft Allah jou naar alle mensen gestuurd?”
- “Ik bezweer je bij Allah: heeft Allah jou bevolen om vijf keer per dag en nacht de ṣalāh te verrichten?”
- “Ik bezweer je bij Allah: heeft Allah jou bevolen om deze maand van het jaar te vasten?”
- “Ik bezweer je bij Allah: heeft Allah jou bevolen om deze zakāt te nemen van onze rijken en te verdelen onder onze armen?”
- “Ik geloof in wat jij hebt gebracht, en ik ben de afgevaardigde van mijn volk. Ik ben Ḍimām ibn Thaʿlabah, van de stam van Banū Saʿd ibn Bakr.”(Dit is overgeleverd door de Vijf Boeken (al-Kutub al-Khamsah: Abū Dāwūd, at-Tirmidhī, an-Nasā’ī, Ibn Mājah, en Muslim of al-Dārimī – afhankelijk van context).De tekst is afkomstig uit de overlevering van al-Bukhārī)
In de versie van Muslim staat:
Een man kwam en zei: “O Muḥammad, jouw gezant kwam naar ons en beweerde dat jij zegt dat Allah jou heeft gestuurd.”
Hij zei: “Hij heeft de waarheid gesproken.”
- “Wie heeft de hemel geschapen?”
- “Allah.”
- “Wie heeft de aarde geschapen?”
- “Allah.”
- “Wie heeft deze bergen opgericht en er datgene in geplaatst wat er zich in bevindt?”
- “Allah.”
- “Bij Hem Die de hemel geschapen heeft, de aarde geschapen heeft, en de bergen opgericht heeft: heeft Allah jou gezonden?”
- “Ja.”
- “En jouw gezant beweerde dat wij vijf keer per dag en nacht ṣalāh moeten verrichten.”
- “Hij heeft de waarheid gesproken.”
- “Bij Hem Die jou gezonden heeft, heeft Allah jou hiermee bevolen?”
- “Ja.”
Daarna vroeg hij over de zakāt. Toen over het vasten.
Daarna over de ḥajj — telkens antwoordde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met: “Hij heeft de waarheid gesproken.”En telkens zei de man: “Bij Hem Die jou heeft gezonden: heeft Allah jou dit bevolen?”En telkens antwoordde hij: “Ja.”
Toen draaide de man zich om en zei: “Bij Hem Die jou met de waarheid heeft gezonden: ik zal niets toevoegen aan wat verplicht is en ik zal er niets van weglaten.”
Daarop zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “Als hij de waarheid heeft gesproken, zal hij zeker het Paradijs binnengaan.”(Overgeleverd door Buhârî, İlm: 6; Müslim, İman: 10, (12); Tirmizî, Zekat: 2, (619); Nesâî, Siyâm: 1, (4, 120); Ebu Dâvud, Salât: 23, (486)
[Deze ḥadīth is vanuit meerdere gezichtspunten belangrijk:
De waarde van een eed bij de Arabieren ten tijde van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم)De Arabieren in de tijd van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) hechtten veel waarde aan het zweren van een eed. Een eed had voor hen een sterk overtuigende en bevestigende kracht in hun spraak.
Het principe van verificatie onder de bedoeïenenDe berichten en oproepen die de gezanten van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) overbrachten, werden geverifieerd via gezanten die naar al-Madīnah werden gestuurd. Zoals besproken in de vakken van uṣūl (islamitische methodologie), hebben sommige geleerden deze overlevering als bewijs gebruikt voor het belang van het zoeken naar een hoge isnād (korte keten van overlevering). Op basis hiervan hebben zij gesteld dat reizen voor het verkrijgen van een 'āli isnād een aanbevolen praktijk (Sunnah) is.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) luistert serieus naar vragen en beantwoordt ze stuk voor stukDit toont zijn nauwkeurigheid en zorgvuldigheid in het onderwijzen van de mensen en het beantwoorden van hun religieuze vragen.
Alleen het verrichten van de verplichte daden van de religie/dīn is voldoende voor verlossingWant toen de bedoeïen zei: “Ik zal hier niets aan toevoegen en ik zal er niets van weglaten,” antwoordde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): "Als hij zijn woorden waarmaakt, zal hij het succes en de redding behalen."]
4. (17) Van Ṭalḥah ibn ʿUbaydillāh (رضي الله عنه):Een man uit Najd kwam naar Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), met verward haar. Wij hoorden het gezoem van zijn stem maar konden niet begrijpen wat hij zei,totdat hij dichtbij Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) kwam, en het bleek dat hij over de islam vroeg.
Toen zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Vijfmaal ṣalāhs per dag en nacht.”
Hij zei: “Ben ik tot meer dan deze verplicht?”Hij antwoordde: “Alleen als je vrijwillig (nafilah) extra's doet.”
Toen zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “En het vasten van Ramaḍān.”
Hij vroeg: “Is er buiten dat nog iets verplicht?”Hij antwoordde: “Alleen als je vrijwillig extra's doet.”
Daarna noemde hij ook de zakāh.Hij vroeg: “Ben ik tot meer dan die twee verplicht?”Hij zei: “Alleen als je vrijwillig extra's doet.”
Daarop draaide de man zich om, terwijl hij zei:
“Ik zal hier niets aan toevoegen en er niets van wegnemen.”
Toen zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Hij is geslaagd als hij de waarheid heeft gesproken.”Of:“Hij zal het Paradijs binnengaan als hij de waarheid heeft gesproken.”
Overgeleverd door de zes, behalve at-Tirmidhī.Bij Abū Dāwūd luidt de versie:
“Bij Allah, hij is geslaagd als hij de waarheid heeft gesproken.”
(Overgeleverd door Buhârî, İman: 34; Müslim, İman: 8, (11); Nesâî, Sıyâm: 1, (4, 120); Ebu Dâvud, Salât: 1, (391); Muvatta, Kasru's-Salât fi's-Sefer: 94, (1, 175)
5. (18) Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Een vrouw vroeg hem over de nabīdh al-jirr (soort gefermenteerde drank).
Hij vertelde dat de gezantschap van ʿAbd al-Qays naar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) kwam. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wie is de gezantschap, of wie zijn de mensen?”Ze zeiden: “Rabiʿah.”
Hij zei: “Welkom aan de mensen of aan de gezantschap, (jullie zullen inshaAllah) geen schande en spijt (krijgen met jullie bezoek) ”
Zij zeiden: “We komen van een ver gebied naar u toe, en tussen ons en jullie is (het gebied) van de ongelovige Mudar clan. We kunnen alleen in de heilige maand (ash shahra’l harām) naar u komen. Beveel ons daarom een duidelijke daad zodat wij die kunnen doorgeven aan degenen achter ons, en zodat we daarmee het Paradijs kunnen binnengaan.”
Hij gaf hen vier opdrachten en verbood hen vier dingen.
Hij beval hen het volgende:Het geloof in Allah (تعالى) alleen.Hij zei: “Weet je wat het geloof is?”Zij zeiden: “Allah en Zijn Rasul weten het het beste.”
Hij zei: “Het getuigenis dat er geen godheid is behalve Allah, en dat Muhammed Rasulullah is, het verrichten van de ṣalāh, het geven van zakāh, het vasten van Ramaḍān, en het betalen van een vijfde (khums) van de oorlogsbuit.”
Hij verbood hen de volgende vier dingen (vaten waarin sap werd bereid):De dubbāʾ ((flessen gemaakt van kalebas)), de ḥantam (een kruik gemaakt van aarde), de muzaffat (met teer bedekt vat) en de naqīr (een kom gemaakt van een palmwortel).
Shuʿbah zei: “Misschien noemde hij de muqayyir (een vat dat van binnen is gelakt met teer/bitumen)”Hij zei: “Bewaar ze en vertel ze aan degenen die na jullie komen.”
Hij zei tegen Shajj ʿAshajj, een lid van ʿAbd al-Qays: “In jou zijn twee eigenschappen die Allah تعالى liefheeft: geduld (al-ḥilm) en kalmte (al-anāh).”
(Deze uitleg is overgeleverd door de vijf grote hadith-boeken: Buhârî, İman: 40, İlm: 25, Mevâkîtu's-Salât: 2, Zekât: 1, Farzu'l-Hums: 2, Mevâkıb: 4, Meğâzî: 69, Edeb: 98, Haberi'l-Vâhid: 5, Tevhîd: 56; Müslim, İmân: 23, 24, 25 (17); Ebu Dâvud, Eşribe: 7, (3692); Tirmizî, İman: 5, (2614); Nesâî, İman: 25, (8, 120))
(De jarār (grote kruiken) waren gemaakt van kalebassen zoals de ḥantam en dubbāʾ.De termen bij de twee verwijzen naar wijn (al-khamr) en naqīr is oorspronkelijk een houten stok.De muzaffat is een vat van binnen bekleed met teer (al-zift) en dat heet ook al-muqayyir.
Deze vier vaten versnellen de fermentatie en veroorzaken een snel bedwelmend effect. Daarom werd het gebruik ervan verboden tijdens het begin van de islam, maar deze verbodsbepalingen zijn later afgeschaft (abrogatie).
[Deze overlevering is via verschillende ketens (ṭuruq) overgeleverd. In alle versies zijn aanvullende en elkaar aanvullende details aanwezig. Ibn Ḥajar verzamelt in zijn commentaar op al-Bukhārī, vooral in het Kitāb al-Īmān, talrijke details over deze ḥadīth. Ook Nawawī doet hetzelfde in zijn commentaar op Muslim. We zullen hieruit een deel samenvatten.
Over het aantal personen dat deelnam aan de delegatie die naar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) kwam, worden verschillende aantallen genoemd zoals 14, 13 of 40. Nauwkeurig onderzoek wijst uit dat dit aantal tot wel 45 kan oplopen.
In een overlevering wordt vermeld dat zij “een ruiterij van 13 man” waren. Ibn Ḥajar reconstrueert dat de delegatie uit 40 man bestond, maar dat 13 van hen de leiders waren en daarom over een rijdier beschikten. Door de namen uit de verschillende overleveringen te verzamelen, probeert hij de deelnemers bij naam te identificeren. Hij noemt er ongeveer twintig.
Hoewel deze overlevering informatie geeft over het aantal delegaties die naar Medina kwamen om moslim te worden, dient men aan de genoemde aantallen niet te veel waarde te hechten vanwege tegenstrijdigheden in de overleveringen.
De leider van de delegatie was al-Mundhir ibn 'Āʾiz (رضي الله عنه), bijgenaamd al-Ashajj al-ʿAbdī al-Asarī.
Deze delegatie behoorde tot het dorp van de stam ʿAbd al-Qays, een subgroep van de stam Rabīʿa die in Bahrein woonde, ten oosten van Medina. Tussen hen en Medina bevond zich de stam Muḍar, die nog geen islam had aangenomen. De eerdere bekering van deze groep wordt als volgt verklaard: een koopman genaamd Munqiḍ ibn Ḥayyān, die al jarenlang handelsrelaties met Medina onderhield, ontmoette tijdens een van zijn bezoeken an-Nabie (صلى الله عليه وسلم).
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) kende hem van vóór zijn profeetschap. Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem naar zijn volk en noemde daarbij enkele vooraanstaande personen bij naam, waarbij hij wilde weten hoe het met hen ging.
Deze belangstelling van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) was voor Munqiḍ voldoende om direct de islam te aanvaarden. Hij leerde de soera’s al-Fātiḥa en al-ʿAlaq uit zijn hoofd en vertrok uit Medina. Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gaf hem ook een brief mee voor de stammen van ʿAbd al-Qays waarin hij hen uitnodigde tot de islam.
Munqiḍ (رضي الله عنه) durfde bij zijn terugkomst zijn bekering niet direct kenbaar te maken. Ook overhandigde hij de brief niet. De verandering in zijn gedrag en zijn nieuwe gewoonten vielen echter zijn vrouw op.
Zij vond het vreemd dat hij sinds zijn terugkeer zijn handen en voeten waste, zich richtte tot een bepaalde richting (de qiblah) en bepaalde bewegingen maakte – soms boog hij, soms wierp hij zich op de grond.
De vrouw, die de dochter was van al-Ashajj – de hierboven genoemde leider van de delegatie – vertelde dit aan haar vader. Ze zei: “Sinds mijn man terug is uit Medina, vertoont hij vreemd gedrag. Hij wast zijn handen en voeten, richt zich naar een bepaalde richting en doet daar allerlei bewegingen, zoals buigen en zich op de grond werpen. Sinds zijn terugkeer doet hij dit voortdurend.”
Haar vader sprak met Munqiḍ (رضي الله عنه) en zij bespraken de situatie. Munqiḍ overtuigde al-Ashajj (رضي الله عنه) van de waarheid van de islam, waarop ook hij moslim werd.
Al-Ashajj (رضي الله عنه) verspreidde de islam binnen zijn stam. Hij las de brief van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) voor en men besloot collectief om moslim te worden. Vervolgens stuurden ze een delegatie naar Rasulullah (صلى الله عليه وسلم).
De hierboven besproken ḥadīth beschrijft een scène van de komst van deze delegatie.
In sommige andere overleveringen wordt nog een verduidelijking vermeld: toen deze delegatie Medina naderde, onderbrak an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), als een wonderbaarlijke mededeling van het ongeziene (ghayb), zijn gesprek met zijn metgezellen en zei: “Vanuit deze richting zal zo dadelijk de beste delegatie van de oostelijke volkeren verschijnen.” ʿUmar (رضي الله عنه) ging hen tegemoet.
De delegatie van ʿAbd al-Qays vertelde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) dat zij hem niet geregeld konden bezoeken, en vroegen hem de zaken te onderwijzen die noodzakelijk zijn om het Paradijs binnen te gaan. De reden dat zij niet vaak konden komen, was de stam Muḍar die tussen hen en Medina lag en die nog polytheïstisch was. Alleen in de heilige maanden was de weg veilig.
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) onderwees hun, zoals in de ḥadīth vermeld, de fundamenten van de islam – met uitzondering van de ḥajj – en leerde hun ook dat één vijfde van de oorlogsbuit belasting is (voor de staat).
Over het weglaten van de vermelding van de ḥajj zijn verschillende verklaringen gegeven. Ibn Ḥajar wijst al deze verklaringen af en stelt: “Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) had hier niet de bedoeling om álle verplichtingen en verboden te benoemen. Zo noemt hij onder de verboden enkel het verbod op alcohol.”
In de ḥadīth valt op dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), bij het definiëren van īmān, na de geloofsbelijdenis ook de daden noemt die behoren tot de zuilen van de islam, zoals de ṣalāh, het vasten en de zakāt. Zoals eerder vermeld, stellen veel islamitische geleerden op basis van dergelijke duidelijke teksten dat islam en īmān hetzelfde zijn.
Het is echter zeker dat īmān vooral een innerlijke overtuiging is van het hart en het geweten. Dit wordt met de tong uitgesproken, maar of het oprecht is, weet alleen Allah. Dit aspect van het geloof valt buiten het oordeel van mensen. Islam daarentegen duidt op de zichtbare daden die het geloof vereist. Daden zijn noodzakelijk verbonden aan īmān. Toch kunnen er – zoals bij hypocrieten – ook daden zijn zonder oprecht geloof. Volmaakt geloof en volmaakte daden zijn echter onafscheidelijk.
In de ḥadīth worden bepaalde vaten verboden verklaard. Deze vaten werden in de tijd van de jahiliyyah gebruikt voor het maken van wijn. Na het verbod op wijn beval Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) volgens sommige overleveringen dat deze vaten gebroken moesten worden, maar later stond hij toe dat ze na reiniging gebruikt mochten worden.
De hierboven geciteerde overlevering verbiedt in het bijzonder het gebruik van bepaalde vaten voor het maken van druivensap (sharbat), omdat die het gistingsproces versnellen en het sap snel in wijn kunnen veranderen. Volgens sommige geleerden zoals Imām Mālik en Aḥmad ibn Ḥanbal is het verbod op het gebruik van wijnvaten niet opgeheven (naskh), en blijft dit verbod van kracht.
6. (19) Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (كرَّم اللهُ وجهه):An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geen dienaar heeft (ware) īmān totdat hij in vier dingen gelooft: dat er geen godheid is dan Allah, en dat ik Muḥammad ben, de Rasulullah, die met de waarheid is gezonden; en dat hij gelooft in de dood, en in de opstanding na de dood, en in de voorbeschikking (al-qadar).”(Overgeleverd Tirmizî, Kader: 10, (2146);
[ʿAliyy al-Qārī vermeldt dat de ontkenning (nefy) in deze overlevering niet verwijst naar een gebrek aan volledigheid (kemāl), maar naar het ontbreken van de basis (aṣl). Dat wil zeggen: het ontbreken van één van de vier genoemde zaken leidt niet tot een verminderde vorm van geloof, maar tot kufr (ongeloof). Deze vier fundamenten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden; zij vervolmaken het geloof niet, maar vormen de kern ervan.
1. Het uitspreken van de twee getuigenissen (shahadatayn): de eenheid van Allah en het feit dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) naar de gehele mensheid is gezonden.
2. Geloof in de dood, dat wil zeggen: het geloof dat het wereldse leven vergankelijk is. Daarmee wordt de overtuiging van de dahriyyah verworpen, die stellen dat het universum eeuwig is en zonder einde zal voortbestaan. Deze opvatting leeft vandaag voort in het communisme. Want communisme is niet slechts een economisch systeem, maar ook een geloofssysteem. Zijn fundamentele ideologie beschouwt religies/dīns – in het bijzonder die gebaseerd zijn op tawḥīd (de eenheid van Allah), risālah (boodschapper-zijn van an-Nabie), en het hiernamaals – als “opium” en verwerpt ze. Volgens hen zal het universum oneindig voortbestaan door voortdurende ontleding en samenstelling.
Met deze profetische uitspraak zou ook bedoeld kunnen zijn dat het geloof in de dood betekent dat men erkent dat ook de dood een schepping van Allah is (zie het begin van Soera al-Mulk).
Want sommige aanhangers van het naturalisme leggen de dood slechts uit als een gevolg van de verstoring van biologische samenstelling.
3. Geloof in baʿth baʿda al-mawt, dat wil zeggen: het geloof in de opstanding na de dood. Onder dit geloof vallen ook de overtuigingen over de afrekening, het Paradijs, de Hel, enzovoort.
4. Geloof in de voorbeschikking (al-qadar): dat alles wat in het universum plaatsvindt, gebeurt met de beschikking en het voorbeschikte besluit van Rabb al-ʿĀlamīn (de Heer der werelden); er is geen plaats voor toeval.
7. (20) Van ash-Shurayd ibn Suwayd ath-Thaqafī: Ik zei: O Rasulullah, mijn moeder heeft mij opgedragen een gelovige slaaf namens haar vrij te laten. En ik bezit een zwarte Nubische slavin. Zal ik haar vrijlaten?”Hij zei: “Roep haar.”Ik riep haar, en zij kwam. Toen vroeg hij: “Wie is jouw Rab?”Zij antwoordde: “Allah.”Toen vroeg hij: “En wie ben ik?”Zij antwoordde: “Rasulullah.”Hij zei: “Laat haar vrij, want zij is een gelovige (mu’minah).”(Overgeleverd door Ebu Dâvud, Eymân: 19 (3283); Nesaî, Vesâya: 8, (6, 251)
In deze ḥadīth worden de fundamentele eigenschappen onderwezen die vereist zijn om te oordelen of iemand een gelovige (mu’min) is: het geloof in Allah en Zijn Rasulullah (صلى الله عليه وسلم).An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) stelt, na de bevestiging van deze basisprincipes, geen verdere vragen en gaat niet in op details. Zo vraagt hij bijvoorbeeld niet naar de Namen en Eigenschappen van Allah, noch naar het verrichten van daden zoals de ṣalāh of het vasten.De volgende ḥadīth bevestigt dezelfde betekenis. In een versie die door Abū Dāwūd is overgeleverd, drukt de slavin haar geloof zelfs uit via gebaren zonder te spreken.
Het onderzoeken of de slavin een gelovige was, had te maken met het feit dat bij een keffārah (boetedoening) de slaaf die wordt vrijgelaten, een gelovige moet zijn.Imām ash-Shāfiʿī, Mālik en al-Awzāʿī oordeelden op basis van dergelijke duidelijke teksten (nuṣūṣ) dat een niet-gelovige slaaf niet kan worden vrijgelaten als geldige invulling van de kaffārah.
Echter, Abū Ḥanīfah en zijn metgezellen waren van mening dat – met uitzondering van de keffārah voor doodslag – ook het vrijlaten van een niet-gelovige slaaf kan volstaan voor andere soorten kaffārah.]
8. (21) Van Muʿāwiyah ibn al-Ḥakam as-Sulamī (رضي الله عنه):
Ik kwam bij Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘Ik heb een slavin die mijn schapen hoedde. Toen ik bij haar kwam, bleek er een schaap te ontbreken. Ik vroeg haar wat ermee was gebeurd, en zij zei: “Een wolf heeft het opgegeten.” Ik werd verdrietig om dat schaap, en zoals ieder mens ben ik iemand van de kinderen van Ādam, dus sloeg ik haar in haar gezicht. Nu rust er op mij de verplichting om een slaaf vrij te laten. Mag ik haar vrijlaten?’
Toen vroeg an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan haar: “Waar is Allahu Taʿālā?”Zij antwoordde: “In de samā‘ (hemel).”Toen vroeg hij: “En wie ben ik?”Zij antwoordde: “U bent de Rasulullah.”Daarop zei hij: “Laat haar vrij, want zij is een gelovige (mu’minah).”
(Overgeleverd door Müslim, Mesâcid 33, (537); Muvatta, Itk 8, (2, 776); Nesâî, Sehv 20 (3, 18); Ebu Dâvud, Eymân 19 (3282)
9. (22) Van al‑ʿAbbās ibn ʿAbd al‑Muṭṭalib (رضي الله عنه):Ik hoorde an‑Nabie (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Degene die de zoetheid van īmān heeft geproeft is tevreden is met Allah als Rab, met de Islam als dīn (godsdienst) en met Muḥammad als Rasul.”
(Overgeleverd door Müslim, İman: 56, (34); Tirmizî, İmân: 10, (2625)
[Volgens imaam an-Nawawī betekent het Arabische werkwoord ‘raḍī (tevreden)” in wezen: “ik ben tevreden met hem/het, ik heb ermee genoegen genomen en heb niets anders nodig gehad.” Vanuit dit perspectief maakt de ḥadīth duidelijk dat degene die zich niet volledig aan de islam onderwerpt en deze niet als levensweg kiest, en degene die de volledige Sunna van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) niet waardeert of volledig accepteert, de ware smaak (ḥalāwah) van īmān niet kan proeven.
Een persoon die zichzelf wel als moslim beschouwt, maar bepaalde goddelijke geboden bekritiseert of ze niet aanvaardt, en zich laat leiden door menselijke of persoonlijke opvattingen, zal – tenzij hij zich van deze toestand bevrijdt – niet kunnen genieten van de zoetheid en innerlijke voldoening van het geloof.
Qāḍī ‘Iyāḍ levert bij deze ḥadīth de volgende waardevolle verklaring:“Volgens deze ḥadīth is het geloof van iemand die deze eigenschappen bezit geldig (ṣaḥīḥ), zijn ziel is tot rust gekomen in de waarheden van het geloof, en hij ervaart innerlijke vrede.
Zijn tevredenheid over de genoemde zaken is een bewijs dat hij daarover met zekerheid kennis bezit, dat zijn inzicht doordringt tot religieuze zaken, en dat het geestelijk genoegen van het geloof zijn hart heeft bereikt.
Want wie tevreden is met iets, ervaart het als gemakkelijk. Zo is ook de toestand van de gelovige: wanneer het geloof in zijn ware essentie het hart binnendringt, wordt de aanbidding van Allah voor hem iets eenvoudigs en aangenaams.”
10.(23) Van ʿAbdullāh ibn Muʿāwiyah al-Ghāḍirī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn drie zaken – wie ze verricht, die heeft werkelijk de smaak van het geloof (īmān) geproefd:
wie Allah alleen aanbidt en weet dat er geen godheid is dan Allah,
en wie de zakāt van zijn bezit geeft terwijl zijn ziel daar tevreden mee is, elk jaar opnieuw, zonder tegenzin,
en wie daarbij geen oud, irritant, ziek of waardeloos dier geeft, maar (geeft) het gemiddelde van jullie bezit.
Voorwaar, Allah (جل جلاله), heeft jullie niet om het beste (van jullie bezittingen) gevraagd, noch jullie bevolen het slechtste te geven.”
(Overgeleverd door Abū Dāwūd, Zekât: 4, (1582)
[Ook in deze ḥadīth wordt – net als in de vorige – uitgelegd hoe men werkelijk de smaak van īmān (geloof) kan proeven. Een punt waarop nadrukkelijk wordt gewezen, is de aard van het bezit dat men als zakāt geeft.
Er wordt aangeraden om zakāt te geven van het gemiddelde van het bezit:Het mag niet behoren tot het beste deel waaraan de eigenaar sterk gehecht is, maar het mag ook niet zo minderwaardig zijn dat het de waardigheid van de ontvanger krenkt.
Er zijn andere ḥadīths die de zakāt-inzamelaars ertoe verplichten om op dit punt zorgvuldig te zijn. Zo mag bijvoorbeeld het schaap dat men uit een kudde inneemt, niet het meest opvallende dier zijn dat door de eigenaar met bijzondere zorg en moeite is grootgebracht.]
11.(24) Van Bahz ibn Ḥakīm ibn Muʿāwiya ibn Ḥaydah al-Qushayrī, van zijn vader, van zijn grootvader (رضي الله عنهم), die zei:
“Ik zei: ‘O Nabie Allah (صلى الله عليه وسلم), ik ben pas tot u gekomen nadat ik meer keren dan het aantal van deze vingers (en hij wees op zijn vingers) had gezworen dat ik naar u zou komen en uw religie/dīn zou omarmen. En voorwaar, ik was een man die niets begreep behalve wat Allah (جل جلاله), en Zijn Boodschapper mij leerden.En ik vraag u bij het Aangezicht van Allahu Ta `ala: waarmee heeft Allah u tot ons gezonden?’
Hij zei: “Met de islam.”
Ik vroeg: “Wat zijn de tekenen van de islam?”
Hij zei: “Dat je zegt: ‘Ik onderwerp mijn aan Allahu Ta `la, en ik wend mij af van alles daarbuiten.’Dat je het ṣalāh verricht en de zakāt opbrengt.Elke moslim is voor een andere moslim onschendbaar: zij zijn broeders en helpers van elkaar.Een daad van een polytheïst wordt pas geaccepteerd nadat hij de islam omarmt, of zich losmaakt van de polytheïsten en zich bij de moslims voegt.”
(Overgeleverd door an-Nasā’ī Zekât: 72, (5. 82)
12.(25) Van Sufyān ibn ʿAbdillāh ath-Thaqafī (رضي الله عنه):
Ik zei: ‘O Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم), zeg mij iets over de islam, waarover ik niemand anders meer hoef te vragen na u.’Hij zei: ‘Zeg: Ik geloof in Allah, de Verhevene – en wees daarna standvastig.’”
(Overgeleverd door Muslim İman: 62, (38)
[Deze ḥadīth behoort tot de kernachtige uitspraken van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), die bekendstaan als Jawāmiʿ al-Kalim (allesomvattende woorden). Hoewel het slechts uit enkele woorden bestaat, omvat het zeer brede en diepe betekenissen:“Erken Allah als de Enige, geloof enkel in Hem, volg vervolgens het rechte pad dat de religie/dīn aangeeft, wijk nooit af van de tawḥīd (eenheid van Allah), en wend je tot aan je dood nooit af van de gehoorzaamheid aan Allah.”
Deze ḥadīth komt overeen met de volgende āyah:إِنَّ ٱلَّذِينَ قَالُواْ رَبُّنَا ٱللَّهُ ثُمَّ ٱسۡتَقَٰمُواْ تَتَنَزَّلُ عَلَيۡهِمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ أَلَّا تَخَافُواْ وَلَا تَحۡزَنُواْ وَأَبۡشِرُواْ بِٱلۡجَنَّةِ ٱلَّتِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ ٣٠
Waarlijk, degenen die zeggen: “Onze Heer is (alleen) Allah,” en daarin standvastig blijven, voor hen zullen de Engelen afdalen (zeggende): “Vrees niet noch wees bedroefd! Maar ontvang het goede nieuws van het Paradijs wat jullie beloofd is! (Sūrah Fuṣṣilat, 41:30)]
13(26) Van Anas (رضي الله عنه):Rasūlullah (ﷺ) zei: “Wie ons salaah verricht, zich richt tot onze qiblah en van onze geslachte dieren eet, die is een moslim.”(Overgeleverd door an-Nasā’ī Nesâî, İman: 9, (8, 105)Dit is een gedeelte van een langere ḥadīth die ook is overgeleverd door al-Bukhārī, Abū Dāwūd en at-Tirmidhī – moge Allah de Verhevene Zich over hen allen ontfermen.
[In deze hadith wordt uitgelegd op welke handelingen men moet letten om iemand als moslim te beschouwen. In de ahadieth genummerd 7 en 8 werd al besproken welke geloofsovertuigingen noodzakelijk zijn om als gelovige (mu’min) te worden beschouwd.
De versie van de hadith zoals overgeleverd door al-Bukhārī, Abū Dāwūd en at-Tirmidhī wijkt iets af en luidt als volgt:"Ik ben bevolen om tegen de mensen te strijden totdat zij zeggen: 'Lā ilāha illā Allāh.' Wie dit zegt, ons gebed verricht, zich richt tot onze qibla en volgens onze wijze slacht, diens bloed en bezit zijn voor ons verboden..."
Zoals eerder vermeld, omvat het enkel vermelden van de shahāda de erkenning van beide delen van de geloofsgetuigenis. Het is niet zo dat alleen "Lā ilāha illā Allāh" zeggen voldoende is om als moslim te worden beschouwd — daar is consensus over onder de geleerden. Ibn Ḥajar zei hierover: “Zoals we bij het zeggen van ‘al-Ḥamdu’ de hele sūrah al-Fātiḥa bedoelen, bedoelen we met de uitspraak van ‘Lā ilāha illā Allāh’ ook ‘Muḥammadun Rasūlullāh’.
Deze zijn ondeelbaar.”
Er is echter ook gezegd: “Het begin van de hadith gaat over hen die de tawḥīd (eenheid van Allah) ontkennen. Als iemand de tawḥīd erkent, is hij zoals een monotheïst van de Ahl al-Kitāb. Om als moslim te worden beschouwd, moet hij ook geloven in wat Rasulullah (ﷺ) heeft gebracht.” Daarom worden in het vervolg van de hadith bepaalde handelingen genoemd — zoals ṣalāh, zich richten tot onze qibla, en slachten volgens onze regels (of het eten van ons geslacht dier). Deze daden worden verbonden aan de shahādah, zodat onvolledigheid wordt voorkomen en verwarring wordt weggenomen.
In wezen omvat het formele islamitische gebed ook de getuigenis van de boodschappelijke missie van Rasūlullah (ﷺ).
De wijsheid achter het noemen van slechts enkele specifieke zaken in de hadith is het volgende: Onder de Ahl al-Kitāb zijn er ook handelingen zoals het verrichten van gebeden, zich richten tot een qibla en het slachten van dieren. Maar hun manier verschilt van de onze: zij bidden niet zoals wij, zij richten zich niet tot onze qibla, en zij eten zelfs ons geslachte vlees niet. Daarom worden deze handelingen nadrukkelijk genoemd om duidelijk te maken dat men geen moslim kan zijn tenzij men deze daden verricht zoals wij dat doen.]
DERDE PARAGRAAF: Over figuurlijke betekenis en gebruik
1. (27) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: Het geloof (īmān) bestaat uit meer dan zeventig (of: zestig) onderdelen. Het beste ervan is het zeggen van: 'Er is geen godheid dan Allah,' en het minste ervan is het verwijderen van iets schadelijks van de weg. En schaamte (hayā') is een onderdeel van het geloof.(Overgeleverd door Buhârî, İman: 3; Müslim, İman: 57-58, (35-36); Ebu Dâvud, Sünnet: 15, (4676); Tirmizî, İman: 6, (2617); Nesâî, İman: 16, (8, 110); İbnu Mâce, Mukaddime: 9, (57)
[Deze overlevering behoort tot de aḥādīth die vanuit meerdere invalshoeken en ketens zijn overgeleverd. Dat deze ḥadīth voorkomt in zowel de Ṣaḥīḥ van al-Bukhārī als Muslim – en zij het hierover eens zijn – verhoogt de waarde van de ḥadīth aanzienlijk. Zoals gedeeltelijk zal worden toegelicht, hebben de islamitische geleerden zich uitvoerig beziggehouden met deze ḥadīth. Ze hebben geprobeerd de in de ḥadīth genoemde “vertakkingen van het geloof” (shuʿab al-īmān) één voor één aan te tonen op basis van de Qorʾān en de ḥadīth.
Imām al-Bayhaqī (رحمه الله) heeft, geïnspireerd door deze ḥadīth, een omvangrijk werk geschreven met de titel Shuʿab al-Īmān, waarvan we vernomen hebben dat het pas recent gedrukt is. Imām al-Bayhaqī (رحمه الله) heeft dit grote werk opgedeeld in hoofdstukken naar het aantal vertakkingen van het geloof, en in elk hoofdstuk verzamelt hij de overleveringen die daarop van toepassing zijn.
Aynī geeft echter aan dat geen van deze werken hem voldoende bevredigt in het vaststellen van de daadwerkelijke vertakkingen van het geloof.
Bij het toelichten van de ḥadīth willen we beginnen met het wijzen op de tegenstrijdigheden tussen de verschillende overleveringen. Sommige versies – zoals die van al-Bukhārī – vermelden dat het geloof meer dan zestig vertakkingen heeft, terwijl andere spreken van meer dan zeventig, of specifieke aantallen zoals 64, 33, 309 of zelfs 315.
Eveneens gebruikt men in sommige overleveringen het woord shuʿab (vertakkingen), terwijl andere termen worden gebruikt met een vergelijkbare betekenis zoals khiṣāl (eigenschappen), bāb (hoofdstukken), sharīʿa (wetspunten) of sahm (delen).
Bijvoorbeeld:
“De meest verheven eigenschap van het geloof is de uitspraak: lā ilāha illa-llāh.”
“Het geloof heeft meer dan zeventig hoofstukken.”
“De Islām bestaat uit drieëndertig sharīʿa-wetten. Wie één daarvan voor Allah uitvoert, zal het Paradijs binnengaan.”
“Voor de Almachtige en Majestueuze Raḥmān is er een tafeltje waarop driehonderdnegentien sharīʿa-wetten geschreven staan. Allah zegt: ‘Wie van Mijn dienaren, zonder metgezellen aan Mij toe te schrijven, ook maar één van deze naleeft, zal Ik zeker het Paradijs binnenlaten.’”
“De Islām bestaat uit tachtig delen. Ṣalāh is één deel, zakāt één deel, het vasten van Ramaḍān één deel, de ḥajj is één deel... Degene die geen enkel deel bezit, heeft verlies geleden.”
Het woord dat wij vertaalden als “meer dan” is in het Arabisch biḍʿun, en de exacte numerieke betekenis ervan is onderwerp van verschil van mening. Sommigen zeggen dat het wijst op een aantal tussen 3 en 10, terwijl anderen zeggen: 3 tot 9, of 2 tot 10, 12 tot 20, 3 tot 7, of zelfs 5 tot 7. Aḥmad ibn Ḥanbal zegt dat het naar 7 verwijst.
Aynī wijst erop dat het meest correcte standpunt is dat biḍʿun wijst op een aantal tussen 1 en 10.
Met betrekking tot het gebruik van de getallen 60 of 70 in de overleveringen zijn er verschillende interpretaties gegeven. In het algemeen wordt gezegd dat hiermee niet een exact getal bedoeld wordt, maar veeleer “veelheid”. Dat men daaraan vervolgens biḍʿun toevoegt (“meer dan...”) geeft aan dat de vertakkingen van het geloof niet aan een vast aantal gebonden zijn, maar talrijk zijn. Als er sprake zou zijn van een strikte begrenzing, dan zou het niet vaag gehouden zijn.
Ook wordt vermeld dat Arabieren het getal 70 vaak gebruiken als stijlfiguur voor overdrijving.
Toch beweren sommige geleerden dat de genoemde aantallen daadwerkelijk bedoeld zijn, en dat het de bedoeling is om deze vertakkingen precies te tellen.
Ibn Ḥibbān zegt in zijn werk Waṣf al-Īmān wa Shuʿabuhu het volgende over het tellen van de genoemde vertakkingen:
“Ik heb een tijdlang geprobeerd de betekenis van deze ḥadīth te achterhalen. Daartoe begon ik met het tellen van de vormen van aanbidding. Maar deze overtroffen het in de ḥadīth genoemde aantal. Daarna wendde ik mij tot de Sunan-verzamelingen en begon ik de daden te tellen die Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) tot het geloof rekende. Deze kwamen echter uit op minder dan zeventig.
Daarop wendde ik mij tot het Boek van Allah. Daar begon ik alle daden van aanbidding te tellen die Allah tot het geloof rekent. Dat aantal kwam wél uit op meer dan zeventig.
Toen voegde ik alles samen wat in de Qorʾān en de soenna was genoemd, ook met inbegrip van herhalingen. Ik zag dat het totaal van wat Allah en Zijn Boodschapper (صلى الله عليه وسلم) tot het geloof rekenen precies op meer dan zeventig uitkomt – niet meer, niet minder. Toen begreep ik dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) met deze ḥadīth doelde op het aantal dat voorkomt in het Boek en de Soenna.”
Velen hebben zich ingespannen om dit aantal op basis van ijtihād (juridisch redeneren) vast te stellen, maar hebben geen bevredigend resultaat bereikt.
Qāḍī ʿIyāḍ zegt:“Dat de details van deze kwestie niet volledig bekend zijn, doet niets af aan het geloof zelf. Want de fundamenten (uṣūl) en de uitwerkingen (furūʿ) van het geloof zijn duidelijk en onbetwistbaar. Het is verplicht om in het algemeen te geloven dat het geloof zoveel vertakkingen heeft.
Welke zaken daartoe behoren en hoe ze precies gedefinieerd zijn, is afhankelijk van nader onderzoek en bewijs.”
Qāḍī ʿIyāḍ vervolgt:“Deze kennis behoort tot de goddelijke kennis en profetische kennis. Niemand anders weet dit. De sharīʿa omvat al deze aspecten, maar heeft ze niet expliciet aan ons meegedeeld. Onze onwetendheid hierover brengt ons geen schade. De zaken waarvoor wij verantwoordelijk zijn, kennen we tot in detail.
Wij weten wat wij moeten geloven en wat wij moeten vermijden.”
Aynî vermeldt dat na dit soort citaten overgeleverd is dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de volgende ḥadīth de hoogste en de laagste tak van het geloof heeft benoemd:
“De hoogste tak van het geloof is: lā ilāha illā Allāh zeggen;de laagste is: het wegnemen van iets schadelijks van de weg.”
De overige (takken) bevinden zich tussen deze twee. Ook al kennen wij deze niet allemaal afzonderlijk, toch geloven wij erin als geheel. Zoals wij slechts weinig engelen bij naam kennen, maar wel in alle engelen geloven – wat ons geloof in engelen niet minderwaardig maakt – zo brengt ook ons algemeen geloof in de takken van het geloof geen tekortkoming met zich mee.
De Takken van het Geloof
Na deze toelichting probeert al-‘Aynî de genoemde takken van het geloof één voor één op te sommen. Omdat wij dit interessant vonden, vermelden wij het hier.
Hij zegt:
“Met de hulp en bijstand van Allah zeggen wij: de kern van het geloof is: bevestiging met het hart en de uiting met de tong. Maar het volmaakte en volledige geloof bestaat uit: bevestiging, uitspreken en daden – het is dus driedelig.”
Eerste Deel: Geloofsovertuigingen (al-ʿAqāʾid) met betrekking tot bevestiging (taṣdīq): 30 takken:
Geloof in Allah: in Zijn Wezen (dhāt), Zijn Eigenschappen, Zijn Eenheid en dat er niets aan Hem gelijk is.
Geloof dat alles behalve Allah geschapen is (ḥudūth).
Geloof in de engelen.
Geloof in de geopenbaarde Boeken.
Geloof in de profeten (عليهم السلام).
Geloof in de voorbeschikking (al-qadar), dat zowel het goede als het kwade van Allah afkomstig is.
Geloof in het Hiernamaals: ondervraging in het graf, bestraffing in het graf, opstanding, bijeenbrengen op de Opstandingsvlakte, de afrekening (ḥisāb), de weegschaal (mīzān), de oversteek van de brug (ṣirāṭ), enzovoorts.
Geloof in het Paradijs en het eeuwige leven daarin.
Geloof in de Hel, de straf daarin en dat de ongelovigen er voor eeuwig zullen verblijven.
Allah liefhebben.
Liefhebben omwille van Allah en haten omwille van Allah. Liefde voor de Muhājirūn en de Anṣār (رضي الله عنهم) en liefde voor de familie van de Boodschapper (صلى الله عليه وسلم) vallen hier ook onder.
Liefde voor an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): het brengen van ṣalāt en salām over hem, en het volgen van zijn Sunnah horen hierbij.
Oprechtheid (ikhlāṣ) en het vermijden van huichelarij (riyāʾ) en hypocrisie (nifāq).
Berouw tonen en spijt hebben.
Vrees voor Allah hebben.
Hopen op de barmhartigheid van Allah.
Het vermijden van wanhoop en hopeloosheid.
Dankbaarheid (shukr) tonen.
Trouw zijn aan beloftes.
Geduldig zijn.
Nederigheid tonen, respect hebben voor ouderen.
Mededogen en barmhartigheid tonen, vooral jegens jongeren.
Tevreden zijn met Allah’s beschikking.
Vertrouwen op Allah (tawakkul).
Niet op eigen daden vertrouwen, zichzelf niet prijzen of als onberispelijk beschouwen.
Jaloezie en afgunst vermijden.
Haat en wraakzucht opgeven.
Woede vermijden.
Geen mensen bedriegen, geen slechte vermoedens koesteren, geen verrader zijn.
Liefde voor wereldse zaken opgeven, evenals de liefde voor bezit en status.
Als je je een goede of slechte handeling voor de geest haalt die met het hart te maken heeft, maar hierboven niet genoemd is, dan behoort die in essentie toch tot één van de bovengenoemde punten. Dat zul je bij een beetje nadenken ontdekken.
Tweede Deel: Daden met de tong: 7 takken:
Het uitspreken van de tawḥīd: lā ilāha illā Allāh.
Het reciteren van de Qur’ān.
Het verwerven van kennis.
Het onderwijzen van kennis.
Het smeken tot Allah (duʿāʾ).
Het gedenken van Allah (dhikr), inclusief het vragen van vergiffenis (istighfār).
Het vermijden van nutteloze spraak.
Derde Deel: Lichamelijke daden: 40 takken, onderverdeeld in drie soorten:
1. Specifieke handelingen (16 takken):
Reinheid: van het lichaam, kleding en de omgeving.
Dit omvat ook wudūʾ, ghusl (bij janābah, ḥayḍ, nifās).
Ṣalāh verrichten: de verplichte, vrijwillige en in te halen gebeden.
Zakāt geven: inclusief sadaqah, sadaqat al-fiṭr, vrijgevigheid en gastvrijheid voor armen en gasten.
Verplichte en vrijwillige vasten.
De ḥajj verrichten (ook ʿumrah valt hieronder).
Iʿtikāf in de moskee; zoeken naar Laylat al-Qadr hoort hierbij.
Emigreren naar een land waar de dīn geleefd kan worden; vluchten uit een gebied van shirk.
Het nakomen van geloften (naḏr).
Het naleven van eden.
Het verrichten van keffārāt (boetedoeningen).
Bedekking van het ʿawrah, zowel binnen als buiten het gebed.
Slachten van offerdieren (udhiyyah), inclusief naḏr-offers.
Zorgen voor begrafeniszaken.
Schulden aflossen.
Eerlijkheid in transacties, vermijden van rente (ribā).
Waarheidsgetrouwe getuigenis afleggen, de waarheid niet verzwijgen.
2. Gerelateerd aan de directe omgeving (6 takken):
Trouw zijn in het huwelijk en kuisheid bewaren.
Zorgen voor het gezin; goed omgaan met personeel.
Goedheid jegens ouders; vermijden van ongehoorzaamheid jegens hen.
Opvoeding van kinderen.
Familiebanden onderhouden (ṣilat ar-raḥim).
Gehoorzaamheid aan ouderen.
3. Betrekking op het publieke domein (18 takken):
Besturen met rechtvaardigheid.
De gemeenschap volgen.
Gehoorzaamheid aan de gezagsdragers (ūlū al-amr).
Vrede stichten onder mensen; strijden tegen opstandelingen en extremisten.
Samenwerken in het goede.
Het bevelen van het goede en het verbieden van het verwerpelijke (al-amr bil-maʿrūf wa-n-nahy ʿani-l-munkar).
Het toepassen van de ḥadd-straffen.
Strijden (jihād); het onderhouden van kazernes hoort hierbij.
Vertrouwenszaken nakomen; het afstaan van het vijfde deel (khums) van oorlogsbuit.
Geld uitlenen met de intentie het terug te vorderen.
Goed zijn voor de buren.
Verdraagzaam zijn; halal inkomsten verwerven.
Bezit op een juiste manier besteden; verspilling vermijden.
De vredesgroet beantwoorden (Salām).
"Yarḥamukā Allāh" zeggen tegen iemand die niest.
Anderen geen schade berokkenen.
Amusement vermijden.
Schadelijks van de weg verwijderen.
In totaal zijn dit 77 takken van het geloof.
Het feit dat het verwijderen van iets schadelijks van de weg als een tak van het geloof wordt genoemd, wijst op het belang van publieke dienstverlening en infrastructuur in de islam. Als het verwijderen van doorns, afval of stenen al een geloofsdaad is, hoeveel te meer is het bouwen van wegen, het waarborgen van veiligheid, het voorzien in rustplaatsen en het bouwen van bruggen dan geen grootse daad bij Allah! Dit is de reden waarom al vanaf de eerste eeuwen van de islamitische geschiedenis de wegen postinfrastructuur zich sterk heeft ontwikkeld. Zo ver dat men al in de tijd van de Umayyaden mijlpalen langs de hoofdwegen plaatste om de afstand tot het centrum in mijlen aan te duiden – net als in onze tijd.]
2.(28) van Anas (رضي الله عنه), die zei:
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: "Degene die drie eigenschappen in zich heeft, zal de smaak van het geloof (īmān) proeven:
Allah en Zijn boodschapper (Rasulullah صلى الله عليه وسلم) hem geliefder zijn dan alles wat daarbuiten is,
iemand een ander liefheeft, louter omwille van Allah,
en haat om terug te keren naar het ongeloof nadat Allah de Verhevene hem daarvan gered heeft, zoals hij het zou haten om in het Vuur geworpen te worden."
Overgeleverd door de Vijf (Buhârî, İman: 9, 14, İkrâh: 1; Müslim, İman: 67, (43); Tirmizî, İman: 10, (2626); Nesâî, İman: 3, (8, 96); İbnu Mâce, Fiten: 23, (4033).), met uitzondering van Abū Dāwūd.
In een andere overlevering van an-Nasāʾī staat:"...liefheeft omwille van Allah en haat omwille van Allah."
[Het ware religieuze persoon is iemand dat Allah en Zijn Rasul meer liefheeft dan alles anders. Het is onmogelijk om iets anders te denken.
Zoals ook in een āyah wordt benadrukt en het belang van deze kwestie wordt vastgesteld:
قُلۡ إِن كَانَ ءَابَآؤُكُمۡ وَأَبۡنَآؤُكُمۡ وَإِخۡوَٰنُكُمۡ وَأَزۡوَٰجُكُمۡ وَعَشِيرَتُكُمۡ وَأَمۡوَٰلٌ ٱقۡتَرَفۡتُمُوهَا وَتِجَٰرَةٞ تَخۡشَوۡنَ كَسَادَهَا وَمَسَٰكِنُ تَرۡضَوۡنَهَآ أَحَبَّ إِلَيۡكُم مِّنَ ٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَجِهَادٖ فِي سَبِيلِهِۦ فَتَرَبَّصُواْ حَتَّىٰ يَأۡتِيَ ٱللَّهُ بِأَمۡرِهِۦۗ وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡفَٰسِقِينَ ٢٤
Zeg: “Als jullie vaders, jullie zonen, jullie broeders, jullie vrouwen, jullie verwanten de weelde die jullie verdiend hebben, en de handel waarin je een verlies vreest, en de huizen waarin jullie verheugd zijn, jullie dierbaarder zijn dan Allah en Zijn Boodschapper, en het hard streven en vechten voor Zijn Zaak, wacht dan tot Allah jullie Zijn besluit geeft. En Allah leidt geen mensen die verdorven zijn. (Surah at-Tawbah, 9:24)
Hoe de liefde voor Allah en Zijn Rasul, die hier wordt benoemd, tot uiting komt, wordt in een andere āyah uitgelegd: namelijk door gehoorzaamheid aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
قُلۡ إِن كُنتُمۡ تُحِبُّونَ ٱللَّهَ فَٱتَّبِعُونِي يُحۡبِبۡكُمُ ٱللَّهُ وَيَغۡفِرۡ لَكُمۡ ذُنُوبَكُمۡۚ وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٣١
Zeg (O Mohammed: “Als jullie (echt) van Allah houden, volg mij dan, Allah zal van jullie houden en jullie zonden vergeven. En Allah is de Barmhartige, de Genadevolle. (surah Āl ʿImrān, 3:31)
In de ḥadīth wordt ook een maatstaf gegeven voor het liefhebben van anderen buiten Allah en Zijn Rasul: er wordt opgedragen om af te zien van liefhebben en haten op een manier die Allah niet behaagt. Met andere woorden: men dient de vrienden van de Waarheid te beminnen – degenen die Allah liefheeft – en men dient degenen te mijden die Allah onwaardig zijn, zoals losbandigen, wellustigen en vijanden van de religie/dīn.Liefdes die niet omwille van Allah zijn, zullen ons in het wereldse ertoe brengen hun pad te volgen, en in het hiernamaals leiden tot schade.
Zoals an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Op de Dag der Opstanding) zal een persoon met degene zijn van wie hij hield.”
Als we ook rekening houden met zijn uitspraak: “De religie/dīn is niets anders dan houden van en haten omwille van Allah,” dan wordt duidelijk hoe belangrijk en levensbepalend het is om onze gevoelens van liefde en afkeer in te zetten volgens de Islam.
Zij die zichzelf als moslim beschouwen, maar hun wereld van liefde enkel vullen met artiesten, sporters, romanschrijvers enz., of die geen liefde en aandacht tonen voor de grootheden van de Islam en haar verheven waarden, zouden zichzelf moeten onderzoeken in het licht van deze āyāt en ḥadīth.
Want men moet zich ervan bewust zijn dat men rekenschap zal moeten afleggen over alles waaraan men in het leven, zelfs maar één moment, aandacht of liefde heeft besteed –uit de kapitaal van de tijd die men van zijn leven gekregen heeft.
3.(29) Van Anas (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Geen van jullie gelooft werkelijk totdat ik hem geliefder ben dan zijn vader, zijn kind en de gehele mensheid.’”
En in een andere overlevering van an-Nasā’ī (رحمه الله تعالى) staat:“…geliefder voor hem dan zijn bezit en zijn familie.”(Overgeleverd door Buhârî, İman: 8; Müslim, İman: 70, (44); Nesâî, İman: 19, (8, 114, 115)
[Ibnu Ḥajar zegt: “Hoewel in deze ḥadīth sprake lijkt te zijn van de ontkenning van īmān, wordt hiermee in werkelijkheid niet het hele geloof ontkend, maar slechts de volmaaktheid ervan.”Hij legt uit dat het bij de Arabieren gebruikelijk is om bij het ontkennen van iets met de naam (bijv. īmān), in feite de volmaakte vorm ervan te ontkennen — en dat dit vaak voorkomt.
Als voorbeeld noemt hij de uitspraak: “Die-en-die is geen mens.” Daarmee wordt niet letterlijk bedoeld dat de persoon geen mens is, maar dat hij de volmaakte eigenschappen van een mens mist.
Ibnu Ḥajar geeft verder aan dat iemand die slechts dit kenmerk bezit, maar de overige pilaren van het geloof verwaarloost, niet als kāmil (volmaakt) gelovige kan worden beschouwd.Toch benadrukt hij uitdrukkelijk dat iemand die deze eigenschap niet bezit, niet tot de ongelovigen (kāfirūn) gerekend mag worden.
De formulering van de ḥadīth in deze vorm is bedoeld om de zaak te benadrukken (mubālaġah)].
5.(31) Van Abū Umāmah (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie liefheeft omwille van Allah, haat omwille van Allah, geeft omwille van Allah, en onthoudt omwille van Allah —die heeft zijn īmān voltooid.”Overgeleverd door Abū Dāwūd Sünnet: 16, (4681).
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “De (ware) moslim is degene voor wie andere moslims veilig zijn voor zijn tong en zijn hand. En de (ware) gelovige is degene bij wie de mensen zich veilig voelen over hun levens en hun bezittingen.”(Overgeleverd door at-Tirmiḏī İman: 12, (2629)en an-Nasā’ī. İman: 8, (8, 104, 105)
[Ook hier geeft Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) een beschrijving met de bedoeling de moslim in volmaakte zin (kāmil) te duiden. Dat wil niet zeggen dat een moslim die anderen met zijn hand of tong schaadt, ongelovig (kāfir) wordt.Echter, eigenschappen zoals het geen schade toebrengen aan anderen en het niet verstoren van veiligheid worden in deze bewoordingen op een krachtigere en duidelijkere manier benadrukt.Want een gelovige die deze ernstige waarschuwing van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) hoort, zal – om zijn kostbaarste bezit, zijn īmān en zijn Islām, niet te laten beschadigen of verminderen – zijn best doen om zich van dergelijk gedrag te onthouden.]
7.(33) Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “De moslim is degene voor wie de andere moslims veilig zijn voor zijn tong en zijn hand. En de muhājir is degene die afstand neemt van wat Allah verboden heeft.”
Overgeleverd door de vijf (Buhârî, İman: 4; Müslim, İman: 64, (40); Ebu Dâvud, Cihâd: 2, (2481); Nesâî, İman: 9, (8, 105).), met uitzondering van at-Tirmiḏī.Dit is de bewoording van al-Bukhārī.In een andere overlevering van aṣ-Ṣaḥīḥayn (al-Bukhārī en Muslim) en an-Nasā’ī wordt het volgende vermeld:
Een man vroeg:“O Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), welke daad is het beste binnen de Islām?”Daarop antwoordde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “Dat jij voedsel geeft (aan anderen) en de salām-groet brengt aan wie je kent en wie je niet kent.”
[Bij het begrijpen van het deel over de muhājirīn (migranten) in de vorige hadith moet het volgende worden begrepen: Van de tijd dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah emigreerde tot de verovering van Makkah waren de moslims overal zwak. Het was onmogelijk om de Islām vrijuit te leven. In Madīnah had an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) geen politieke macht, omdat de moslims daar in de minderheid waren. Omdat de situatie zo was, riepen de Qur’ān en de ahadith herhaaldelijk, nadrukkelijk en zelfs met krachtige woorden degenen die moslim waren geworden op om te emigreren (hijrah) — zowel om het aantal moslims in Madīnah te doen groeien en politieke invloed te verkrijgen, als om te zorgen dat moslims in de Islām konden beleven zonder verloren te gaan.
We zien zelfs dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan degenen die vroegen wat geloof is, antwoordde dat het emigreren is.
Door deze herhaalde oproepen en aansporingen werd het een buitengewoon waardevolle daad om onder de voorwaarde van emigratie trouw te zweren (bay‘ah) en daarna zijn familie, bezit, eigendommen en gevestigde levensorde achter te laten en met alleen het leven naar Madīnah te migreren. Na de verovering van Makkah veranderde de situatie en verbood an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de emigratie.
Degenen die beloofden te emigreren en de spirituele beloning van de muhājirīn wilden ontvangen, maar wier verzoek werd afgewezen, gingen zelfs tot invloedrijke tussenpersonen om voor hen te bemiddelen.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: "Na de verovering is er geen emigratie meer," maar liet andere daden zien die hetzelfde beloningsniveau van emigratie geven, zoals: het nalaten van het kwaad, ...het nalaten van wat je Rab niet behaagt, en de ware muhājir is degene die de verboden dingen van Allah nalaat.]
8.(34) Van Abū Sa‘īd al-Khuḍrī (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als jullie zien dat een man regelmatig de moskee bezoekt, getuig dan van zijn geloof, want Allah de Verhevene zegt:إِنَّمَا يَعۡمُرُ مَسَٰجِدَ ٱللَّهِ مَنۡ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَأَقَامَ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَى ٱلزَّكَوٰةَ وَلَمۡ يَخۡشَ إِلَّا ٱللَّهَۖ فَعَسَىٰٓ أُوْلَٰٓئِكَ أَن يَكُونُواْ مِنَ ٱلۡمُهۡتَدِينَ ١٨
De moskeeën van Allah zullen alleen onderhouden worden door degenen die in Allah en de Laatste Dag geloven, en die het gebed onderhoud en zakaat geeft en die niemand vreest behalve Allah. Zij zijn het die tot de rechtgeleiden behoren. (surah at-Tawbah 9/18)
(Overgeleverd door at-Tirmiḏī, Tefsir, Sûre 2, (3092)
[`Ulamā’ (geleerden) begrijpen uit deze overlevering dat elke vorm van betrokkenheid bij de moskee bedoeld wordt: het regelmatig deelnemen aan de salaah in congregatie, het bijwonen van dhikren kennisbijeenkomsten, i‘tikāf verrichten, de bouw, het onderhoud en de renovatie van de moskee, en het bijdragen aan het opvullen van eventuele tekorten in materiële zin.
Al deze vormen van betrokkenheid zijn tekenen van iemands īmān (geloof). Ongelovigen en vijanden van de Islām daarentegen streven er niet naar om moskeeën te bouwen of te onderhouden, maar juist om ze te vernietigen. Wanneer de ongelovigen de landen van de Islām binnenvallen, is het sluiten van de moskeeën meestal hun eerste daad. Overal en te allen tijde zijn degenen die zich storen aan moskeeën altijd ongelovigen geweest. Dit wordt ook door verzen uit de Qur’ān bevestigd.
Sa‘īd ibn al-Musayyab zei: “Wie in de moskee zit, zit in het gezelschap van zijn Rab. Daarom is het passend dat hij met goedheid herinnerd wordt.”]
9.(35) Van Anas (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Drie zaken behoren tot de kern van het geloof:
Het zich onthouden van (het bestrijden van) iemand die zegt: ‘Lā ilāha illā Allah’ (er is geen godheid behalve Allah); hem niet als ongelovige verklaren vanwege een zonde; en hem niet uit de islam verwijderen wegens een daad.
De jihād blijft voortduren vanaf het moment dat Allah, de Verhevene, mij heeft gezonden tot het moment dat de laatste van deze ummah de Dajjāl zal bestrijden.
De tirannie van een tiran en de rechtvaardigheid van een rechtvaardige maken het (de jihād) niet ongeldig.
En geloof in de voorbeschikking (al-qadar) behoort eveneens tot het geloof.”
(Overgeleverd door Abū Dāwūd Cihad 35, (2532)
[In deze hadith wordt allereerst het belang benadrukt van het respecteren van iemand die door het uitspreken van de kalimat ash-shahādah (de geloofsgetuigenis) de islam is binnengedreden. Hoe groot de zonde van een gelovige ook mag zijn, hij mag niet tot ongelovige (kāfir) worden verklaard. De grootste belediging tegenover een gelovige is tegen hem te zeggen: “Jij bent een kāfir (ongelovige).”
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft dit in vele ahadith verboden. In de Ṣaḥīḥayn (van al-Bukhārī en Muslim) staat een ernstige waarschuwing met betrekking tot het verklaren van iemand tot kāfir:“Wie tegen zijn broeder zegt: ‘O kāfir!’, dan keert dat woord op één van hen beiden terug.”Dat wil zeggen: als zijn broeder géén kāfir is, dan valt deze uitspraak terug op de spreker zelf.
Tegenover deze ernstige profetische waarschuwing dient een gelovige die de waarde van zijn geloof kent, nooit een medegelovige tot ongelovige te verklaren.
Helaas zien we dat sommige moslims, omwille van onbenullige kwesties of onderlinge verschillen, elkaar snel en zonder aarzeling tot kāfir verklaren, alsof het een plicht is geworden.
Ten tweede wordt benadrukt dat de jihād zal blijven voortduren tot aan de Dag der Opstanding. Zelfs als de leider aan het hoofd onrechtvaardig is, dient men het bevel tot jihād te gehoorzamen.
De definitie van jihād in de sharīʿah is: “strijd tegen ongelovigen of opstandelingen.”Oorlogen die niet aan deze beschrijving voldoen, worden niet als jihād beschouwd.
Het derde punt dat tot de essentie van het geloof behoort, is het geloof in de voorbeschikking (al-qadar).Dit is een van de gevoeligste onderwerpen die de mensheid bezighoudt. Een ware gelovige moet zonder aarzeling aanvaarden dat alle gebeurtenissen – goed of slecht, groot of klein – plaatsvinden door de goddelijke beschikking van Allah.
Hij mag hierover geen twijfel tonen.
Indien men dit verwerpt, zouden er uitspraken ontstaan die haaks staan op ons geloof, zoals:“Allah's kennis omvat niet alles”,“Zijn macht reikt niet overal toe”,“Wat Hij niet wil, gebeurt toch”,“Gebeurtenissen zijn aan toeval onderworpen.”
Dit zijn allemaal betekenissen die strijdig zijn met de kern van het geloof.]
10.(36) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):
Sommige metgezellen van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) vroegen hem:“Bij sommigen van ons gaan bepaalde influisteringen (waswasah) door het hoofd, waarvan wij overtuigd zijn dat het zondig zou zijn om ze hardop uit te spreken.”
Hij zei: “Hebben jullie dat werkelijk ervaren?”Zij zeiden: “Ja.”Hij zei: “Dat is het duidelijke bewijs van geloof (ṣarīḥ al-īmān).”
In een andere overlevering staat:“Alle lof zij Allah, Die zijn (de duivels) list heeft teruggebracht tot slechts influistering.”
En bij Muslim, van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), staat dat zij zeiden:“O Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), één van ons vindt in zichzelf (gedachten) die hij liever zou zien verbranden tot as of van de hemel op de aarde zou vallen dan dat hij ze hardop uitspreekt.”
Hij zei: “Dat is zuiver geloof (maḥḍ al-īmān).”
(Overgeleverd door Müslim, İman: 209 (132); Abū Dāwūd, Edeb: 118 (5110)
[In de hadith stellen de metgezellen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) een vraag over bepaalde influisteringen (waswasah) die in hun binnenste opkomen zonder dat ze dat zelf willen. Uit de overleveringen blijkt dat het hier gaat om influisteringen die betrekking hebben op zaken van het geloof (īmān), en in sommige overleveringen zelfs over gedachten betreffende Allah, wat normaal gesproken ontoelaatbare, absurde ideeën zijn.
De vrees heerst dat het bewust uitspreken van zulke gedachten een zonde zou zijn. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) maakt echter duidelijk dat deze onwillekeurige innerlijke gedachten iemand geen schade berokkenen. Hij neemt als bewijs de angst die de gelovige voelt over zulke gedachten. Want gevoelens zoals angst of nieuwsgierigheid zijn emoties die zich niet zomaar door wilskracht laten onderdrukken. Deze innerlijke stemmen, die voortkomen uit zulke gevoelens, ervaart ieder mens op enig moment.
Mensen met een gevoelige en angstige aard kunnen zelfs wanhopig raken door deze gedachten, denkend dat hun hart is verdorven. Maar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) maakt duidelijk dat de zorg die men voelt over deze influisteringen een duidelijk teken is van ware geloof.
Hij bedoelt: “Aangezien je deze gedachte niet met je wil ondersteunt, er mentaal niet in meegaat, en er verdriet van ondervindt – dan is het slechts een influistering van de shayṭān. Besteed er geen aandacht aan.”
EERSTE PARAGRAAF:De shahādah (geloofsgetuigenis) en het juridische oordeel over de uiting ervan met de tong
1.(37) Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: "Mij is opgedragen om tegen de mensen te strijden totdat zij getuigen dat er geen godheid is behalve Allah, en dat Muhammed de Boodschapper van Allah is, de ṣalāh verrichten en de zakāh opbrengen.Als zij dit doen, dan zijn hun levens en hun bezittingen door mij beschermd, behalve op grond van het islamitische recht. En hun afrekening is bij Allah (aangaande hun oprechtheid)."
(Overgeleverd door al-Bukhārī İmân: 17 en Muslim. Muslim İman: 36, (22) vermeldde echter de zin "behalve op grond van het islamitische recht" niet.)
[In de hadith wordt aangegeven dat degene die de voorwaarden van de islam vervult, veiligheid geniet met betrekking tot zijn bezittingen, leven en eer. Niemand mag hem dan lastigvallen of schade berokkenen.
De uitzondering op deze garantie – aangeduid met “het recht van de islam” – verwijst naar wettelijke verplichtingen. Dat wil zeggen: er wordt zakāh geheven, en indien iemand een misdrijf begaat, wordt hij overeenkomstig zijn daad bestraft.
Bijvoorbeeld: als iemand onterecht een ander doodt, dan wordt hij zelf ook ter dood gebracht door middel van qiṣāṣ (wedervergelding).
Dergelijke sancties en beperkingen die door de religie/dīn zijn vastgesteld, zijn niet in strijd met de veiligheid en bescherming die aan degene die de islam binnentreedt, is beloofd.]
2.(38) van ʿUbaydullah ibn ʿAdiyy ibn al-Khiyār (رضي الله عنه):
Terwijl Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zat, kwam er een man naar hem toe en sprak hem in het geheim aan. Wij wisten niet wat hij tegen hem zei, totdat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zijn stem verhief.
Toen bleek dat hij toestemming vroeg om een man van de hypocrieten te doden.
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Getuigt hij niet dat er geen godheid is dan Allah en dat Muhammed de Boodschapper van Allah is?”De man zei: “Jawel, en ik getuig dat voor hem.”
Hij vroeg: “Verricht hij niet de ṣalāh?”De man antwoordde: “Jawel, en ik getuig dat ook.”
Daarop zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Zij zijn degenen van wie Allah mij heeft verboden hen te doden.”
(Overgeleverd door Muvatta, Kasru's-Salât: 84, (1, 171)
Volgens de uitleg van de geleerden achtte an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de beschuldigingen over deze persoon niet voldoende om hem te laten doden.
Hij verbood om zulke vermeende hypocrieten te doden, om te voorkomen dat men zou zeggen: “Muhammed laat zijn metgezellen doden”, en om zo geen aanleiding te geven tot haat tegen de islam in de harten van de mensen.
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft herhaaldelijk soortgelijke verzoeken, zoals “Hij is een hypocriet, geef toestemming zodat we hem kunnen doden”, telkens op dezelfde manier beantwoord:
“Nee, ik wil niet dat men zegt: ‘Muhammed laat zijn metgezellen doden.’]
3.(39) Van Ṭāriq al-Ashjaʿī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie Lā ilāha illa Allah zegt en niet meer gelooft in wat buiten Allah aanbeden wordt, voor diegene maakt Allah de Verhevene zijn bezit en zijn bloed (leven) verboden. Zijn afrekening is bij Allah de Verhevene.”–(Overgeleverd door Muslim İman, 37-38 (23)
In een andere overlevering van hem (Muslim) staat:“Wie Allah als Enige erkent...” en de rest is gelijk.
[In de onderlinge omgang tussen mensen is een uiterst belangrijk punt de houding die een gelovige tegenover een andere gelovige aanneemt. Allereerst is het van groot belang om te weten: wie is een gelovige (mu’min) en wie is dat niet? Vervolgens moeten de eerbied en rechten die een mu’min tegenover een andere mu’min heeft, gekend worden. In welke situaties vervallen deze rechten? Wat is de zwaarte van de zonde wanneer men zich niet aan deze rechten houdt? Dit zijn zaken die men moet kennen.
Bovendien hebben we in vele overleveringen die we tot nu toe binnen het boek “Kitābu’l-Īmān” hebben genoteerd, gezien dat op deze kwestie herhaaldelijk is gewezen.
Anderzijds hebben wij — in de fitnah-toestanden die ons land in de recente geschiedenis heeft meegemaakt en in zekere mate nog steeds doormaakt — van dichtbij het belang ingezien van het bespreken van de onderlinge betrekkingen tussen gelovigen volgens religieuze maatstaven. En we blijven dat belang ook vandaag nog zien.]
Wij mogen een moslim niet beschuldigen van ongeloof, huichelarij of soortgelijke termen.
Een van de grootste fouten die gemaakt worden in de onderlinge omgang tussen leden van verschillende religieuze dienstgroepen, is het uitspreken van ongepaste kritiek op elkaar . Dergelijke beschuldigingen zijn ook de belangrijkste oorzaak van de toenemende afstand en vijandigheid tussen deze groepen. Onze religie/dīn heeft duidelijk aangegeven wie als kāfir of als munaafiq kan worden bestempeld. Zolang iemand de kalimah ash-shahādah uitspreekt en geen enkel religieus voorschrift ontkent, heeft niemand het recht hem vanuit religieus oogpunt als ongelovige te bestempelen — zelfs al verzaakt die persoon het verrichten van verplichte daden of is hij vervallen in bepaalde zonden.
De geleerden op het gebied van de ‘aqīdah (geloofsleer) zijn het er unaniem over eens dat, ook al gelooft iemand niet met zijn hart, zodra hij met zijn tong de imān (geloof) belijdt, hij als moslim behandeld moet worden. In de Fatāwā van al-Bezzāziyyah staat dat iemand die zegt “Muhammadur-Rasulullah” (Mohammed is de Boodschapper van Allah), of zegt “Āmantu bimā āmana bihi ar-Rasūl” (Ik geloof in wat de Boodschapper [صلى الله عليه وسلم] heeft geloofd), en zelfs iemand die enkel zegt “Allāhu wāḥidun” (Allah is één), als moslim beschouwd wordt. Als iemand zou zeggen: “Ik heb hem ṣalāh zien verrichten in de Grote Moskee (al-Jāmiʿ al-Kabīr),” en een ander bevestigt dit door te zeggen dat hij hem daar inderdaad zag bidden, dan wordt hij als moslim erkend.
Vanwege het grote belang van deze kwestie zien we dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) dit onderwerp herhaaldelijk bespreekt in zijn aḥādīth. Volgens Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zijn wij verplicht iedereen die de shahādah uitspreekt als moslim te beschouwen en hen als zodanig te behandelen. Zo zegt hij:"Ik ben bevolen om te strijden tegen de mensen totdat zij zeggen: lā ilāha illa-llāh (er is geen godheid dan Allah).
Als zij dit doen, dan zijn hun levens en hun bezittingen door mij beschermd (ik onderzoek dan niet of hij oprecht was of niet). De uiteindelijke beoordeling en afrekening is bij Allah."
Een bekend voorval hierover is het verhaal van ʿUsāmah ibn Zayd (رضي الله عنه). Volgens de overlevering van Ibn Hishām, vond er tijdens een gevecht een situatie plaats waarin ʿUsāmah bijna zijn tegenstander had overwonnen. Toen deze tegenstander in de knel zat, sprak hij de kalimah ash-shahādah uit. ʿUsāmah meende dat deze uitspraak slechts bedoeld was om aan de dood te ontsnappen, en doodde hem alsnog zonder aarzeling.
Toen ze terugkeerden naar al-Madīnah en an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) over deze gebeurtenis hoorde, werd hij diep bedroefd en wees ʿUsāmah streng terecht:
"O ʿUsāmah, waarom doodde je iemand die lā ilāha illa-llāh zei?"
ʿUsāmah verdedigde zichzelf met: "O Rasulullah, hij zei het alleen maar om aan de dood te ontsnappen!"
Daarop bleef an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) herhalen:
"Waarom doodde je iemand die lā ilāha illa-llāh zei, o ʿUsāmah?"Zo vaak dat ʿUsāmah diep bedroefd werd en zei: "Was ik maar tot dan toe nog geen moslim geweest, zodat ik mij van zo’n zonde had kunnen onthouden."
In de overlevering van Muslim waarschuwt Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) ʿUsāmah als volgt:“Heb je zijn hart opengesneden om te weten of hij oprecht was in zijn bekentenis?”
In de overlevering van Abu Dāwud wordt hieraan toegevoegd:“Hoe zul je op de Dag des Oordeels rekenschap afleggen voor het doden van iemand die lā ilāha illā llāh zei?”
De uitspraak van Ṣāʿd (رضي الله عنه), een van de metgezellen: “Zolang ʿUsāmah niet gedood heeft, zal ik geen moslim doden,” toont de diepe invloed die deze gebeurtenis had op zowel ʿUsāmah als de andere metgezellen.
Een nog opmerkelijkere overlevering komt van Miqdād ibn al-Aswad:“Ik vroeg aan de Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): ‘Als ik een ongelovige tegenkom en vecht, en tijdens het gevecht snijdt hij mijn arm af met zijn zwaard, maar raakt verslagen en smeekt mij om genade door te zeggen: “Ik ben moslim geworden”, mag ik hem dan doden?’
Hij antwoordde: ‘Nee, dood hem niet.’
Ik zei nogmaals: ‘Maar o Rasulullah, hij heeft mijn arm afgehakt en spreekt toch die bekentenis uit.’
Hij zei: ‘Nee, je mag hem niet doden. Als je hem doodt, neemt hij jouw positie vóór het doden in, en jij neemt zijn positie vóór het uitspreken van de kalimah ash-shahādah in (dus word jij een ongelovige).’”
Een ander voorbeeld dat het respect toont dat de uitspraak van de kalimah ash-shahādah in het geweten van een moslim moet oproepen, is dat het absoluut verboden is om zulke mensen een munaafiq te noemen. Zoals overgeleverd, vooral in de boeken van al-Bukhārī, wordt tijdens een bijeenkomst de naam genoemd van Mālik ibn Duhayshin, die de moslims veel leed heeft aangedaan. Een van de metgezellen zegt: “Hij is een hypocriet, hij houdt niet van Allah en Zijn Boodschapper.”
Daarop onderbreekt Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) en zegt: “Zeg dat niet, zie je niet dat hij lā ilāha illā llāh zegt en daarmee de tevredenheid van Allah zoekt?”
Als de ander zegt: “Maar wij beschouwen hem toch als meer geneigd tot hypocriet zijn, en als iemand die het beste wil voor de hypocrieten,” antwoordt Rasulullah (صلى الله عليه وسلم):“Degene die lā ilāha illā llāh zegt uit verlangen naar het behagen van Allah, heeft Allah het Paradijs verboden te betreden.”
Vanwege het grote belang van deze kwestie volgt hier nog een ander voorbeeld uit het leven van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم):
Op een dag verdeelde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) de zakāh-gelden die uit de provincie waren binnengekomen onder vier personen van wie het hart gewonnen moest worden voor de islam. Sommigen die niets kregen uit deze verdeling uitten hun ontevredenheid.
Eén van hen ging zelfs te ver en zei: “O Rasulullah, wees rechtvaardig en vrees Allah!”
Hoewel Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) boos werd over deze uiting, zei hij slechts:“Jammer voor jou, wie vreest Allah het meest op aarde behalve ik?”
Toen Hālid ibn Walīd (رضي الله عنه) (of volgens een andere overlevering, ʿUmar (رضي الله عنه)) zag dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) bedroefd was, kwam hij naar hem toe en zei:“O Rasulullah, geef mij toestemming om zijn hoofd af te hakken.”
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nee, misschien zal hij ṣalāh verrichten (en daarmee vergeeft Allah hem).”
Hālid (رضي الله عنه) antwoordde daarop: “Hoeveel mensen zijn er die met hun tong iets zeggen wat totaal niet overeenkomt met wat in hun hart is, maar toch veel ṣalāh verrichten.”
Als reactie gaf an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan Hālid (رضي الله عنه) het volgende, wat tot nu toe als het beste geneesmiddel tegen de kwaal van verdeeldheid beschouwd kan worden en met gouden letters geschreven dient te worden:“Ik ben niet opgedragen om in de harten van mensen te kijken of hun buik open te snijden.”
Onder het licht van deze aḥādīth wordt duidelijk hoe groot een zonde en onrecht het is om over een moslim zulke woorden te zeggen als: “Let niet op zijn ṣalāh, dat is slechts vertoning (riyā’),” of: “Hij gaat op haj om de mensen te misleiden.”
Volgens de tekst van de Qur’ān al-Karīm moet men zelfs iemand die ṣalāh verricht, vast, en salaam geeft in overeenstemming met de islamitische etiquette, als moslim erkennen en zo behandelen, ook al twijfelt men aan hem:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِذَا ضَرَبۡتُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ فَتَبَيَّنُواْ وَلَا تَقُولُواْ لِمَنۡ أَلۡقَىٰٓ إِلَيۡكُمُ ٱلسَّلَٰمَ لَسۡتَ مُؤۡمِنٗا تَبۡتَغُونَ عَرَضَ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا
O, jullie die geloven! Wanneer jullie gaan (vechten) voor de zaak van Allah, controleer dan (de waarheid) en zeg niet tot degene die jullie Salam (groet) geeft: “jij bent geen gelovige,” verlangend naar de vergankelijke goederen van het wereldse leven.
(surah An-Nisāʾ 4:94)
De reden van het neerdalen van dit vers is interessant in onze context. Volgens verschillende overleveringen, die voor ons minder van belang zijn, stuurde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) een militaire groep uit voor een bepaalde taak. Toen deze groep het bewoonde gebied Batin al-Idām bereikte, vluchtte het volk voor hen uit, behalve een rijke man (of een herder) die bij zijn bezit bleef en de moslims met de islamitische groet naderde. Muhallam ibn Gassām doodde deze man en nam zijn goederen in beslag. Toen men terugkeerde en deze gebeurtenis aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) werd gerapporteerd, werd het bovenstaande vers geopenbaard.
Volgens aḥādīth en seerah-boeken stierf de dader kort daarna. Toen zijn lijk begraven werd, weigerde de aarde het lichaam te accepteren, en hoewel het drie keer werd begraven, kwam het telkens weer aan de oppervlakte. Toen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hiervan hoorde, zei hij:“De aarde accepteert veel slechtere mensen dan deze. Maar Allah wilde jullie het belang tonen van het respect voor de uitdrukking lā ilāha illā llāh.”
Het hierboven genoemde vers beveelt zelfs in de meest kritieke momenten zoals oorlog om degene die de islamitische groet brengt als moslim te behandelen. Tegen deze achtergrond kan de lezer zelf beoordelen hoe passend het is binnen islamitische normen om iemand die zich volledig als moslim bekendmaakt, en die zelfs het dienen van de islam als zijn levensdoel neemt, hard en onterecht te beschuldigen alleen omdat hij lid is van een andere partij of groep.
In verband met het voorgaande is het belangrijk te benadrukken dat het in het islamitische geloof uiterst gevaarlijk is en een zware zonde om iemand takfīr (als ongelovige verklaren) uit te spreken. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wie zijn broeder een ongelovige noemt, een van beiden is zeker een ongelovige. Indien degene die beschuldigd wordt geen ongelovige is, keert de kufr terug naar degene die het uitsprak.”
Om de ernst van deze waarschuwing duidelijk te maken: in het debat of de Khārijieten (een afwijkende sekte buiten Ahl as-Sunnah wal-Jamā‘ah) wel of niet als kāfir verklaard moeten worden, hebben sommigen vanwege de grote verantwoordelijkheid van takfīr en de ambiguïteit (dubbelzinnigheid of onduidelijkheid door meerdere mogelijke betekenissen) in dit geval ervoor gekozen zich neutraal te houden en niets positiefs of negatiefs te zeggen. Anderen die vinden dat ze wel takfīr moeten worden, gebruiken deze hadith als bewijs en stellen: “Aangezien zij de islamitische gemeenschap als ongelovigen verklaren, zijn zij zelf ongelovigen geworden.”
Qadı `Iyād zegt in zijn werk ash-Shifāʾ over deze kwestie precies het volgende:“Wij verklaren de ongeloof van iedereen die de ummah (gemeenschap) van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) beschuldigt van dwaling en die alle metgezellen van ongeloof beticht.”
Een andere belangrijke hadith die hier genoemd moet worden, is die waarin an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bericht dat de islamitische gemeenschap in 73 groepen zal worden verdeeld, waarvan slechts één groep de furqa an-nājiyah (de redderlijke groep, oftewel de ware, reddende secte) zal zijn.
Volgens een versie van deze hadith werd gevraagd wie die geredde groep precies zijn, en het antwoord luidde: “Zij zijn degenen die op mijn pad zijn, mijn metgezellen, degenen die niet strijden en ruzie maken over de religie/dīn van Allah, en die niemand van de aanhangers van de eenheid van Allah (tawhīd) uitsluiten vanwege een zonde.”
Samenvatting:Een onderwerp waarover islamitische geleerden het eens zijn en de aandacht van de ummah van Muhammed (صلى الله عليه وسلم) op vestigen, is het takfīr-vraagstuk. Deze voorzichtigheid wordt kernachtig samengevat door Huccetü’l-İslām Imām al-Ghazālī met de woorden:“Men moet vermijden om een moslim onterecht als ongelovige te bestempelen (takfīr), zelfs al is er enige twijfel… Want het toestaan van het bloedvergieten van iemand die de tawhīd (de eenheid van Allah) belijdt, is een vergissing. Het is beter per ongeluk het leven van een ongelovige te sparen dan per ongeluk het bloed van een moslim te vergieten.”
Een belangrijke fout die vaak gemaakt wordt:Tegenwoordig komen we vaak mensen tegen die hun medemoslims, vanwege enkele tekortkomingen, met overdreven beschuldigingen tot takfīr vervallen. Onder hen bevinden zich ook mensen met hoge posities, diploma’s en zelfs schrijvers. Omdat deze mensen door hun maatschappelijke status en respect die ze genieten invloedrijk zijn, leidt hun foutieve denkwijze tot schade voor duizenden, tienduizenden of zelfs miljoenen mensen.
We gaan niet hun intenties betwijfelen — dat is aan Allah. Zelfs als we aannemen dat ze met de beste bedoelingen handelen om de religie/dīn te dienen, leidt hun verdeeldheid en partijdigheid juist tot meer verdeeldheid en haat, en daarmee handelen ze tegen hun intenties in; ze schaden uiteindelijk en maken erger dan goed.
Hun fout komt voort uit oppervlakkige en beperkte religieuze kennis. Hoewel de argumenten die zij gebruiken om anderen te beschuldigen soms vast lijken, zijn de conclusies die zij trekken onzeker en hun analogieën incorrect.
Om dit toe te lichten kunnen we enkele uitspraken en verklaringen van geleerden noemen over daden die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) koppelde aan ongeloof:An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: Iemand die overspel pleegt, pleegt dat niet als gelovige op het moment dat hij het doet. Iemand die alcohol drinkt, drinkt dat niet als gelovige op het moment dat hij het drinkt. En iemand die steelt, steelt dat niet als gelovige op het moment dat hij steelt."
In een andere hadith:“Keer je niet af van je vaders. Wie zich bewust van zijn vaderschap afkeert en iemand anders als vader aanneemt, handelt met ongeloof.”
In een andere hadith zegt an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):"Niemand van jullie gelooft totdat hij voor zijn broeder liefheeft wat hij voor zichzelf liefheeft."
In een andere hadith zegt hij:"Wie zich van mijn sunnah afkeert, is niet van ons."
Er zijn nog veel meer voorbeelden. Volgens onze geleerden bedoelt an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met zulke uitspraken niet het absolute ontbreken van het geloof, maar het ontbreken van het volmaakte geloof.
Bijvoorbeeld, iemand die alcohol drinkt heeft zijn geloof niet verloren, maar hij ontbreekt het volmaakte niveau van imān. Iemand die jaloers en egoïstisch is, en niet wenst wat hij voor zichzelf wenst voor zijn broeder, is ook niet absoluut niet-gelovig (dus geen kâfir), maar hij heeft geen perfect geloof.
Evenzo is iemand die zijn vader ontkent en iemand anders als vader aanduidt geen kâfir. Tijdens de vertaling van deze hadith zei een van de geleerden, Kâmil Miras, iets wat deze nuance benadrukt:"Hij heeft de zegeningen ontkend."
Kortom, deze soort ahadith wijzen erop dat:"Iemand die perfect geloof bezit niet zal zondigen met bijvoorbeeld zinā, alcohol drinken, diefstal plegen, zijn vader ontkennen, altijd goedwillend is tegenover anderen, en de sunnah volgt."
Dit wijst erop dat zulke zonden het geloof aantasten en het niveau ervan verlagen. Sommige geleerden zeggen dat het doel van deze uitspraken is om de ernst van deze zonden te benadrukken en mensen met kracht te waarschuwen en te weerhouden. Voor ons zijn beide uitleggen passend en correct.
Verder willen we nog wijzen op een andere groep ahadith waar moslims vaak fouten in maken vanwege de oppervlakkigheid die we eerder beschreven: ahadith over de kenmerken van de munāfiqīn (hypocrieten). Deze worden vaak herhaald door predikers, zijn bij iedereen bekend, maar leiden vaak tot verkeerde conclusies.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei:"Er zijn drie kenmerken die, wanneer ze bij iemand worden gevonden, die persoon een ware hypocriet maken. En wanneer hij stopt met één van die eigenschappen, dan heeft hij een eigenschap van de hypocrisie, totdat hij ermee stopt:
Hij verraden wordt als hem wordt toevertrouwd,
Hij liegt als hij spreekt,
Hij houdt zijn woord niet als hij een belofte doet."
In een andere overlevering zegt hij:"Het bewijs van het geloof is liefde voor de Ansār, en het teken van hypocrisie is afkeer van de Ansār.""Alleen een gelovige houdt van de Ansār, een hypocriet haat hen. Wie van hen houdt, houdt Allah van hem, en wie hen haat, haat Allah hem."
Gebaseerd op deze ahadieth, wanneer één van de genoemde eigenschappen bij een willekeurige moslim wordt waargenomen, is het een ernstige zonde en een vrijwel onherstelbare fout om die persoon te beschuldigen van echte munāfiq (hypocriet) zijn in de ware zin van het woord — dat wil zeggen iemand die met zijn tong gelovig is, met zijn daden moslim lijkt, maar in zijn hart het bestaan en de eenheid van Allah niet gelooft, profeetschap van an-Nabie Mohammed (صلى الله عليه وسلم) verwerpt en in de ogen van Allah nog erger is dan een kâfir.
Met zorg bekeken, blijkt dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met deze ahadieth wil aangeven dat bepaalde eigenschappen absoluut onwaardig zijn voor een moslim en krachtig door de islam worden afgewezen. De zin in de hadith:"Wie een van deze eigenschappen bezit, heeft in hem een eigenschap die typerend is voor hypocrisie, totdat hij ermee stopt," ondersteunt dit standpunt.
Zo legt Nawawî uit bij de hadith:"Wie sterft zonder jihad te verrichten en zonder het verlangen daartoe, sterft op een tak van hypocrisie," dat deze hadith bedoelt dat iemand die zonder goede reden thuisblijft en niet meedoet aan de jihad, zich gedraagt als een hypocriet, want het vermijden van de jihad is een vorm van hypocrisie.
Dus zegt an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met deze ahadieth niet:"Als je iemand met een van deze eigenschappen ziet, bestempel hem dan als een echte hypocriet, behandel hem zoals hypocrieten, verbreek alle contacten en de vrede met hem."
In plaats daarvan bedoelt hij:"Laat deze eigenschappen geen plaats krijgen in jullie onderlinge relaties. Wie merkt dat hij een van deze eigenschappen heeft, moet snel proberen daarvan af te komen. Zulke eigenschappen passen niet bij een ware gelovige, maar bij hypocrieten."
Met andere woorden, uit deze ahadieth begrijpen wij dat sommige eigenschappen die een mens kan hebben mooi en goed zijn, terwijl andere lelijk en slecht zijn. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) moedigt de moslim en de gelovige aan om goede eigenschappen te ontwikkelen en verbiedt slechte eigenschappen. Het gewenste en ideale is dat een gelovige geen enkele slechte eigenschap bezit, maar uitsluitend goede eigenschappen, oftewel de eigenschappen die kenmerkend zijn voor “de moslim”.
In de praktijk is dit echter anders. Net zoals bij kâfirs en munâfiq’s ook goede “moslim-eigenschappen” kunnen voorkomen, kunnen er ook bij gelovigen slechte “kâfiren munâfiq-eigenschappen” aanwezig zijn.
Net zoals iemand die met zijn tong het bestaan van Allah en profeetschap van an-Nabie Muhammed (صلى الله عليه وسلم) belijdt maar het niet met zijn hart bevestigt, ondanks zijn goede manieren en fraaie karaktereigenschappen, niet als moslim wordt beschouwd, kunnen wij ook iemand die de kalimah ash-shadah (de getuigenis van geloof) uitspreekt, niet als kâfir bestempelen vanwege een niet-moslim eigenschap of kâfir-achtig karakter. Het uitspreken van woorden en daden die tot takfîr leiden, is een ander onderwerp.
Een van de belangrijkste islamitische eigenschappen is bijvoorbeeld vrijgevigheid. Het doen van giften, liefdadigheid en goedheid aan anderen zonder eigenbelang wordt in onze religie/dīn sterk geprezen en aangemoedigd. Maar zelfs als een kâfir zulke giften zou doen dat hij de aarde ermee zou vullen, zouden wij hem toch niet als moslim beschouwen. Want de Qur’ân zegt:
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ وَمَاتُواْ وَهُمۡ كُفَّارٞ فَلَن يُقۡبَلَ مِنۡ أَحَدِهِم مِّلۡءُ ٱلۡأَرۡضِ ذَهَبٗا وَلَوِ ٱفۡتَدَىٰ بِهِۦٓۗ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ وَمَا لَهُم مِّن نَّٰصِرِينَ ٩١
Waarlijk, degenen die ongelovig zijn en sterven terwijl zij ongelovig zijn: daarvan zal de (hele) aarde vol goud niet van worden geaccepteerd als zij dit als een losprijs zouden aannemen. Voor hen is er een pijnlijke bestraffing en zij hebben geen helpers.
(surah Âl-i Imrân: 3/91)
Deze āyah geeft het oordeel over een “moslim eigenschap” zoals vrijgevigheid bij een kâfir weer. Er is niets wat ons ervan weerhoudt ditzelfde oordeel uit te breiden naar andere mooie eigenschappen.
Immers, in een andere āyah staat:وَمَن يَبۡتَغِ غَيۡرَ ٱلۡإِسۡلَٰمِ دِينٗا فَلَن يُقۡبَلَ مِنۡهُ وَهُوَ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ مِنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٨٥
En wie er een andere godsdienst dan de islam zoekt, het zal nooit van hen geaccepteerd worden en in het Hiernamaals zal hij één van de verliezers (in de Hel) zijn. (surah Āl-i Imrān: 3/85)
Laten we nu, om het oordeel over niet-moslim eigenschappen die bij een moslim kunnen voorkomen — welke in de ahadieth als toebehorend aan ongeloof (kufr) en hypocriet gedrag (nifāq) worden genoemd — te begrijpen, kijken naar een overlevering van Abū Dharr (رضي الله عنه):Ik kwam bij an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij sliep. Toen hij wakker werd, ging ik naast hem zitten. Tijdens ons gesprek zei hij: “Wie lā ilāha illallāh zegt en daarna sterft, zal het Paradijs binnengaan.”Ik vroeg verbaasd: “Zelfs als hij overspel pleegt of steelt?”Hij antwoordde: “Ja, zelfs als hij overspel pleegt of steelt!”Ik kon mijn verbazing niet bedwingen en vroeg nogmaals:“Zelfs als hij overspel pleegt of steelt, zal hij dan het Paradijs binnengaan?”An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) antwoordde weer: “Ja, zelfs als hij overspel pleegt of steelt.”Dit herhaalde hij drie keer. Bij de vierde keer zei hij: “Ja, zelfs als Abū Dharr (رضي الله عنه) gestraft wordt met dat zijn neus over de grond wordt geschuurd, zal hij het Paradijs binnengaan, zelfs als hij overspel pleegt of steelt.”
Maar hierboven zagen we dat deze twee eigenschappen (overspel en diefstal) door an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zelf als eigenschappen van ongeloof werden genoemd.
Dit betekent dat we niet op basis van één enkele hadith of āyah een oordeel moeten vellen, want dat leidt tot vergissingen.
In de Qur’ān staat er over zonden:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨
Waarlijk, Allah vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allah deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (surah Nisā’: 4/48)
Dit is de Islamitische norm. Degene die in Allah en het Hiernamaals gelooft, wijkt niet af van deze maatstaven. Hij vervangt deze niet door de duisternis en onwetendheid van zijn eigen of andermans begeerten.
Een moslim weet ook dat men niet op basis van slechts één enkele hadith of āyah een definitief oordeel kan vellen. Dit leidt vaak tot fouten. Er zijn over één vers of hadith overgangen (nāsikh en mansūkh), algemene en specifieke uitspraken. Het is de taak van de geleerden om deze te onderscheiden en te combineren. Het is de plicht van de gelovige om de weg van de geleerden te volgen. Deze manier van handelen is het pad van Ahl al-Sunnah wa’l-Jamā‘ah, de hoofdweg van de Islamitische ummah.
TWEEDE PARAGRAAF: Regels over de bayʿah (een plechtige gelofte van trouw en gehoorzaamheid)
1.(40) Van Ubādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه):
Wij waren in een bijeenkomst met Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), en hij zei:
"Willen jullie mij de bayʿah geven dat jullie Allah niets zullen toekennen als deelgenoot, niet zullen stelen, geen overspel zullen plegen, geen ziel zullen doden die Allah heeft verboden – behalve met rechtvaardige reden?"
In een andere overlevering:
"...en dat jullie jullie kinderen niet zullen doden, en geen leugen (bewuste laster) zullen verzinnen die jullie tussen jullie handen en voeten verzinnen (=willens en wetens), en dat jullie mij niet ongehoorzaam zullen zijn in wat goed en rechtvaardig is. Wie van jullie zijn belofte nakomt, zijn beloning is bij Allah. En wie van jullie iets van dat alles overtreedt en Allah verbergt het (voor de mensen), zijn zaak ligt bij Allah: als Hij wil, vergeeft Hij hem; en als Hij wil, straft Hij hem."
Dus wij gaven hem de bayʿah daarop.
Overgeleverd door de vijf: Buhârî, İman: 11; Müslim, Hudud: 41, (1709); Nesâî, Bey'a: 17, (7, 148); Tirmizi, Hudud: 12, (1439) (behalve Abū Dāwūd). An-Nasā’ī voegde in een andere overlevering eraan toe, na de woorden "zijn beloning is bij Allah":
"...En wie van jullie iets van dat alles overtreedt en hij wordt daarvoor in het wereldse gestraft, dan is dat een boetedoening en reiniging (van zijn zondes) voor hem."
En in een andere overlevering, overgeleverd door de drie (Buhârî, Müslim, Muvatta ) en an-Nasā’ī:
"Ik gaf Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) de bayʿah op het luisteren en gehoorzamen, of het nu in moeilijke omstandigheden is of in gemakkelijke omstandigheden, in prettige situaties of in onaangename situaties, zelfs wanneer er voorkeursbehandelingen plaatsvinden ten nadele van ons en ons recht wordt geschonden. (Ik beloofde) geen machtsstrijd te voeren tegen degenen die het gezag in handen hebben, om de waarheid te spreken waar we ook zijn, en om bij het vervullen van Allah’s bevel niet bang te zijn voor de blaam van hen die bekritiseren."
En in een andere overlevering:
"...dat jullie het gezag niet zullen betwisten van degenen die het bezitten, behalve wanneer jullie duidelijk ongeloof (kufr bawāḥ) zien waarvoor jullie van Allah een bewijs hebben."
[Het Arabische woord bay`ah betekent oorspronkelijk het afronden van een koopovereenkomst door middel van een handdruk.
Omdat de gehoorzaamheidsbelofte tussen de leider (imam) en het volk (onderdanen) lijkt op een commerciële overeenkomst, kreeg dit ook de naam bayʿah, en wordt ook wel mubāyaʿah genoemd.
Eén van de partijen – an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) – beloofde beloning van Allah, en de andere partij beloofde trouw en gehoorzaamheid.1. De eerste bayʿah tussen Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) en de moslims vond plaats tijdens de Eerste ʿAqabah-bayʿah, gevolgd door de Tweede ʿAqabah-bayʿah.
Een andere belangrijke bayʿah vond plaats onder een boom te Ḥudaybiyah, met ongeveer 1500 moslims, en staat bekend als Bayʿat ar-Riḍwān. Dit zijn de belangrijkste collectieve bayʿahs die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) sloot met zijn gemeenschap.
Daarnaast is er ook de bayʿah die hij na de hidjrah (migratie) sloot met de vrouwen van Madīnah, wat ook een belangrijke collectieve bayʿah is die vermeld moet worden. Verder heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met veel individuen afzonderlijke bayʿah-beloften afgesloten, en soms zelfs met kinderen.
Tijdens de bayʿah van ʿAqabah zeiden de Anṣār (رضي الله عنهم) tegen Rasulullah (صلى الله عليه وسلم):
“O Rasulullah! Totdat u naar ons land komt, zijn wij niet verantwoordelijk voor uw bescherming en eer. Maar als u naar ons komt, wordt uw eer en bescherming een verplichting voor ons. Wij zullen u beschermen zoals wij onszelf, onze kinderen en onze vrouwen beschermen.”
De bayʿah die hierboven in de overlevering van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه) wordt genoemd, vond ook plaats tijdens ʿAqabah en staat bekend als Bayʿat an-Nisā’.
Met deze bayʿah borg an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de naleving van de kernzaken van de islam en de gehoorzaamheid aan hem. Deze overeenkomst kan beschouwd worden als de eerste serieuze stap en het fundament voor het ontstaan van de islamitische staat.
2.
Een punt dat toelichting vereist in de hadith is de vraag of iemand die een misdrijf heeft gepleegd en daarvoor in de wereld is gestraft, ook nog in het Hiernamaals ter verantwoording wordt geroepen.
Hoewel in de aangehaalde hadith expliciet vermeld wordt dat de wereldse straf een reiniging van de zondes (kaffārah) is, hebben sommige andere overleveringen aanleiding gegeven tot twijfel. Hierdoor is onder de geleerden verschil van mening ontstaan over de vraag of ḥudūd-straffen (de door de sharīʿah vastgestelde straffen) ook als boetedoening gelden in het Hiernamaals.
De meerderheid van de geleerden heeft, op basis van de betrouwbaarheid van de bovenstaande hadith, de mening aangenomen dat alle ḥadd-straffen – behalve de doodstraf vanwege afvalligheid (irtidād) – gelden als boetedoening en reiniging.
De straf voor de afvallige (murtad) vormt hierop een uitzondering, omdat de genoemde hadith tot gelovigen is gericht. De afvallige heeft echter door zijn uittreden uit de islam het kenmerk ‘gelovige’ verloren, en valt daarom buiten de beloofde kafārah (boetedoening) die aan gelovigen is toegezegd.
3. Een ander punt dat we moeten bespreken is, is het verbod op het bestrijden van leiders/overheden, zelfs wanneer onze rechten geschonden worden en onder alle omstandigheden – of ze nu gunstig of ongunstig zijn. In de overleveringen wordt geduld in zulke situaties bevolen.
De geleerden verklaren dit als volgt: om grotere schade te voorkomen, is het beter om strijd met leiders/overheden te vermijden.
Toch zijn er ook geleerden die zeggen dat als een tirannieke leider afgezet kan worden zonder tot onrust (fitnah) te leiden, dit dan wel toegestaan is.
2.(41) Van ʿAwf ibn Mālik al-Ashjaʿī (رضي الله عنه):
Wij waren bij an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met negen, of acht, of zeven (mannen). Toen zei hij: “Willen jullie Rasulullah de bayʿah geven?”
Wij staken onze handen uit en zeiden: “Waarop geven wij u de bayʿah, o Rasulullah?”
Hij zei: “(Jullie geven de bayʿah) opdat jullie Allah (de Verhevene) aanbidden en Hem geen deelgenoten toekennen, dat jullie de vijf dagelijkse ṣalāh verrichten, dat jullie luisteren en gehoorzamen.”
En toen zei hij een woord zachtjes, bijna onhoorbaar, namelijk: “…en dat jullie niets aan mensen vragen.”
ʿAwf zegt: “Ik heb sommigen van die groep gezien: als de zweep van één van hen op de grond viel, vroeg hij niemand om hem op te rapen (maar pakte het zelf op).”
(Overgeleverd door: Müslim, Zekat: 108, (1043); Ebu Davud, Zekat 27, (1642); Nesâî, Salât: 5, (1, 229); İbnu Mâce, Cihâd:41, (2867);
3.(42) Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):
Wanneer wij Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) de bayʿah gaven op het luisteren en gehoorzamen, zei hij tegen ons: ‘Voor zover jullie daartoe in staat zijn.’”
(Overgeleverd door de zes: Buhârî, Ahkam: 42; Müslim, İmâret: 90, (1867); Nesâî, Bey'at: 18, (7, 148); Tirmizî, Siyer: 37, (1597); Muvatta, Bey'at: 1, (2, 982); İbnu Mâce, Cihâd: 43, (2874)
4.(43) Umaymah bint Ruqayqah (رضي الله عنها):
Ik kwam met een groep vrouwen van de Anṣār naar Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) en wij zeiden: ‘Wij willen u de bayʿah geven dat wij niets aan Allah zullen toekennen als deelgenoot, niet zullen stelen, geen overspel zullen plegen, onze kinderen niet zullen doden, geen leugen (bewuste laster) zullen verzinnen die wij tussen onze handen en voeten uitdenken (=willens en wetens), en dat wij u niet zullen ongehoorzamen in wat goed is (al-maʿrūf).’
Toen zei hij: ‘Voor zover jullie daartoe in staat zijn en het kunnen verdragen.’
Wij zeiden toen: ‘Allah en Zijn Boodschapper zijn barmhartiger voor ons dan wij voor onszelf. Kom, laat ons u de bayʿah geven!’
Sufyān zei: ‘Bedoelde ze daarmee een handdruk?’
Toen zei hij (an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): ‘Ik schud geen handen met vrouwen. Mijn woord tegen honderd vrouwen is als mijn woord tegen één vrouw.’
(Overgeleverd door Imam Malik (Muvatta), Bey'a: 2, (2, 982); at-Tirmidhī, Siyer: 37. (1597);
[1. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft, zowel bij vrouwen als bij mannen, bij het afleggen van de bayʿah steeds de voorwaarde toegevoegd: “Voor zover jullie daartoe in staat zijn.”Sterker nog, hij spoorde hen aan om dit zelf ook te zeggen.
Dit komt omdat Allah de Verhevene deze ummah niet belast met wat zij niet aankan – zoals in de Qur’ān staat (surah al-Baqarah, 2:286):
لَا يُكَلِّفُ ٱللَّهُ نَفۡسًا إِلَّا وُسۡعَهَاۚ
‘Allah belast niemand boven zijn vermogen…’
Dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) deze voorwaarde noemde, had duidelijk een overtuigende uitwerking op de vrouwelijke metgezellen. Zozeer zelfs dat zij zeiden:
“Rasulullah is barmhartiger voor ons dan wij voor onszelf,”en zoals ook in sommige overleveringen wordt vermeld, zeiden zij vervolgens haastig:“Kom, o Rasulullaha, reik ons uw hand zodat wij u direct de bayʿah kunnen geven!”
2. Zoals uit de bovenstaande overlevering blijkt, wilden de vrouwen – net als de mannen – de bayʿah geven door middel van een handdruk (muṣāfaḥah).Maar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft wellicht juist bij deze gelegenheid een nieuw islamitisch gedragsprincipe vastgelegd: Een man en een vrouw die met elkaar mogen trouwen (dus geen maḥram van elkaar zijn), mogen elkaar niet aanraken.
De geleerde az-Zurqānī vermeldt hierover aanvullende overleveringen:
“Tijdens de mubāyaʿah (bayʿah) raakten de vrouwen de hand van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) alleen aan over zijn kleding.”
In een andere overlevering wordt gezegd:
“Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gaf geen hand aan vrouwen bij de bayʿah, tenzij er een kledingstuk (zoals een doek) over zijn hand lag.”
Evenzo staat in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī een overlevering van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها):
“Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) accepteerde de bayʿah van vrouwen met de openbaring van de volgende ayaah:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِذَا جَآءَكَ ٱلۡمُؤۡمِنَٰتُ يُبَايِعۡنَكَ عَلَىٰٓ أَن لَّا يُشۡرِكۡنَ بِٱللَّهِ شَيۡـٔٗا وَلَا يَسۡرِقۡنَ وَلَا يَزۡنِينَ وَلَا يَقۡتُلۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ وَلَا يَأۡتِينَ بِبُهۡتَٰنٖ يَفۡتَرِينَهُۥ بَيۡنَ أَيۡدِيهِنَّ وَأَرۡجُلِهِنَّ وَلَا يَعۡصِينَكَ فِي مَعۡرُوفٖ فَبَايِعۡهُنَّ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُنَّ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٢
O, Profeet! Als de gelovige vrouwen tot jou gekomen zijn om de belofte af te leggen dat zij niemand in de aanbidding met Allah zullen verenigen, dat zij niet zullen stelen, dat zij geen overspel zullen plegen, dat zij hun kinderen niet zullen doden, dat zij niet zullen lasteren, niet zullen liegen en jou niet in het goede ongehoorzaam zullen zijn, accepteer dan hun belofte en vraag Allah hen te vergeven.
Waarlijk, Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. (surah al-Mumtaḥanah: 60:12)”
En zij (ʿĀ’ishah) zei: “De hand van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft nooit de hand van een vrouw aangeraakt die niet tot zijn mahram behoorde.”
Samenvattend: alle overleveringen bevestigen unaniem dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) tijdens de bayʿah de handen van vrouwen niet met blote hand aanraakte.
DE KWESTIE VAN Imāmāh EN GEHOORZAAMHEID
Wie is volgens de islam de imam (staatshoofd)? Wat zijn zijn voorwaarden en eigenschappen? Hoe wordt hij aangesteld, en om welke redenen kan hij afgezet worden? Wat betekent gehoorzaamheid, waar liggen de grenzen ervan, en in welke gevallen is ongehoorzaamheid toegestaan?
Het zijn vragen die dagelijks besproken en bediscussieerd worden.
De antwoorden op deze vragen, gebaseerd op de primaire bronnen van de islam, hebben wij eerder gepubliceerd in ons boek "Anarchie in het Licht van de Islam".
Vanwege het belang van het onderwerp nemen wij hier een gedeelte daarvan over.
Het belang van gehoorzaamheid in onze religie/dīn
Na het toepassen van rechtvaardigheid kunnen we zeggen dat gehoorzaamheid het tweede grote principe is om fitnah (onrust) en corruptie te voorkomen. Sterker nog, gehoorzaamheid is op zichzelf een onderdeel van rechtvaardigheid.
Want gehoorzaamheid betekent, dat een persoon zijn plaats kent, zich houdt aan de grenzen die de religie/dīn aangeeft, en daarmee de belofte en het verbond met Allah nakomt.
Elke moslim heeft in wezen, bewust of onbewust, een contract met Allah gesloten, waarin hij zich heeft verplicht om Zijn bevelen te gehoorzamen.Elke gelovige is dus verantwoordelijk om die verbintenis na te komen, en daarmee zijn verplichting tegenover Allah te vervullen en rechtvaardigheid te waarborgen.
De Qur’ān bevestigt deze gehoorzaamheid in vele verzen. De ware manifestatie van de religie, evenals de wereldse en het hiernamaalse hulp, overwinning, beloning en gunsten die aan de gelovige zijn beloofd, zijn allen verbonden aan het vervullen van deze plicht tot gehoorzaamheid. Wereldlijk geluk, maatschappelijke vooruitgang en persoonlijke vervolmaking, al deze zaken hangen af van de hoedanigheid van gehoorzaamheid.
Wie Allah niet op ware wijze gehoorzaamt, of een samenleving die dat niet doet, heeft geen recht om de wereldse of het hiernamaalse beloningen te verwachten die de religie belooft.
Wie Allah niet werkelijk gehoorzaamt, individueel of als gemeenschap, heeft geen recht om de beloften van de religie/dīn op te eisen.
De Qur’ān zegt hierover:
تِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِۚ وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ يُدۡخِلۡهُ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ وَذَٰلِكَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١٣
Dit zijn de door Allah vastgestelde bepalingen en iedereen die Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt: Hij (Allah) zal hem het Paradijs binnenleiden, waar rivieren onderdoor stromen.
Daar zullen zijn in verblijven en dat zal een groot succes zijn. (Sūrat an-Nisāʾ, 4:13)
وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَٱلرَّسُولَ فَأُوْلَٰٓئِكَ مَعَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِم مِّنَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ وَٱلصِّدِّيقِينَ وَٱلشُّهَدَآءِ وَٱلصَّٰلِحِينَۚ وَحَسُنَ أُوْلَٰٓئِكَ رَفِيقٗا ٦٩
En degenen die Allah en de Boodschapper gehoorzamen, zullen dan in het gezelschap verkeren van degenen aan wie Allah Zijn gunst heeft verleend, namelijk, de Profeten, de oprechten, de martelaren en de rechtvaardigen. En uitmuntend zijn deze metgezellen. (Sūrat an-Nisāʾ, 4:69)
وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَيَخۡشَ ٱللَّهَ وَيَتَّقۡهِ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡفَآئِزُونَ ٥٢
En ieder die Allah en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, en bang voor Allah is en Hem vreest: zij zijn de geslaagden. (Sūrat an-Nūr, 24:52)
وَأَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَلَا تَنَٰزَعُواْ فَتَفۡشَلُواْ وَتَذۡهَبَ رِيحُكُمۡۖ وَٱصۡبِرُوٓاْۚ إِنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلصَّٰبِرِينَ ٤٦
En gehoorzaam Allah en Zijn Boodschapper en redetwist niet onderling, waardoor jullie ontmoedigd raken en jullie kracht verdwijnt. En wees geduldig (in hulp en ondersteuning). Weet dat Allah aan de kant van de geduldigen staat. (Sūrat al-Anfāl, 8:46)
Drie gezagsposities waaraan gehoorzaamheid verschuldigd is
Hier zullen wij niet de afzonderlijke religie/dīn bevelen van de islam opsommen die gehoorzaamheid vereisen, maar eerder het belang van gehoorzaamheid zelf benadrukken en de nadruk leggen op het gebod: “Gehoorzaamt!”
De islam toont drie gezagsposities waaraan men moet gehoorzamen: Allah (جل جلاله);Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) en ulū al-amr (gezagsdragers). Aan de eerste twee moet gehoorzaamheid direct en onvoorwaardelijk zijn, zoals herhaaldelijk en naast elkaar genoemd wordt in de Qur’ān al-Karīm, want de ware gehoorzaamheid is die aan Allah en Rasulullah (صلى الله عليه وسلم). De gehoorzaamheid aan ulū al-amr is enkel geldig en geoorloofd wanneer hun bevelen in overeenstemming zijn met die van Allah en Rasulullah (صلى الله عليه وسلم).
Toch wordt er in de Qur’ān al-Karīm ook één keer nadrukkelijk geboden om aan deze drie tegelijk gehoorzaam te zijn:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُواْ ٱلرَّسُولَ وَأُوْلِي ٱلۡأَمۡرِ مِنكُمۡۖ فَإِن تَنَٰزَعۡتُمۡ فِي شَيۡءٖ فَرُدُّوهُ إِلَى ٱللَّهِ وَٱلرَّسُولِ إِن كُنتُمۡ تُؤۡمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ ذَٰلِكَ خَيۡرٞ وَأَحۡسَنُ تَأۡوِيلًا ٥٩
O, jullie die geloven! Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de Boodschapper en degenen van jullie die een gezagspositie hebben. (En) als jullie over iets van mening verschillen, keer dan terug tot Allah en Zijn Boodschapper, als jullie in Allah en de Laatste Dag geloven. Dat is beter en gepaster voor de laatste bepaling. (an-Nisāʾ: 4/59)
`Ulū’l-amr (gezagsdragers)
De term `ulū al-amr, zoals hij in de Qur’ān voorkomt wordt aangeduid met “gezagsdragers”, en soms met termen als “waliy al-amr”. In dezelfde betekenis komen we ook andere aanduidingen tegen zoals sultan of imam.
Sinds de tijd van de ṣaḥābah en tābiʿīn, zijn er verschillende opvattingen geweest over wie precies met ulū al-amr bedoeld wordt. Sommigen zeiden dat hiermee de `ulema (geleerden) worden bedoeld, terwijl anderen van mening waren dat het om de umara (leiders en machthebbers) gaat.
Imām an-Nawawī vermeldt een meer praktische definitie:
“`Ulū al-amr zijn degenen onder de leiders en gouverneurs aan wie gehoorzaamheid door Allah verplicht is gesteld.”
Hij voegt daaraan toe dat deze opvatting de gezamenlijke mening is van zowel de vroegere als latere geleerden, of zij nu mufassir (exegeet), faqīh (jurist), enzovoorts zijn.
Ömer Nasuhi Bilmen omschrijft `ulū al-amr als volgt in termen van islamitische rechtsleer (fiqh): “Een moslim die, hetzij door verkiezing vanuit de islamitische gemeenschap, hetzij door eigen kracht en invloed de machtspositie heeft verworven en erin geslaagd is de moslims een sfeer van veiligheid en stabiliteit te bieden.”
Zoals hieruit blijkt, wordt meestal een staatshoofd bedoeld. Echter, afhankelijk van de context kan de term `ulū al-amr ook worden toegepast op iedere vertegenwoordiger van het gezag – oftewel de “autoriteit” in hedendaagse termen. Daarom omvat de term begrippen als imam, khalīfah, amīr, āmil, maʾmūr, ʾāmir, sultan, enzovoorts. Deze begrippen drukken elk op hun eigen manier het concept `ulū al-amr uit.
Eenheid/saamhorigheid rond de `Ulū’l-Amr
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zag de eenheid, grootsheid, vrede en geluk van de islamitische gemeenschap als verbonden aan de saamhorigheid rondom één leider. Daarom spoorde hij met al zijn welsprekendheid en kracht aan tot het vormen van eenheid en samenwerking rond een imām (ulū’l-amr), en veroordeelde hij hevig elke vorm van verdeeldheid en afscheiding van de gemeenschap. Hij berispte en waarschuwde degenen die zich afzonderden. Deze gewenste eenheid en samenwerking rondom de imām is in de eerste plaats afhankelijk van gehoorzaamheid aan hem.
In een overlevering die al-Bukhārī van Anas (رضي الله عنه) heeft overgeleverd, staat:
“Ook al wordt er iemand over jullie aangesteld als leider die zwart is als een uitgedroogde rozijn, luister dan naar hem en gehoorzaam hem.”
In een overlevering die Muslim heeft overgeleverd zegt Abū Dharr (رضي الله عنه):
“Mijn intieme vriend (an-Nabie صلى الله عليه وسلم) raadde mij aan om zelfs een leider te gehoorzamen, ook al was hij een slaaf met afgehakte armen.”
De betekenis van de termen als “uitgedroogde rozijn” en “afgehakte armen” bedoeld wordt dat een leider, zelfs als hij van lage komaf is of er onaanzienlijk uitziet, nog steeds gehoorzaamd moet worden, zonder te kijken naar afkomst of uiterlijk.
Een andere overlevering luidt:
“Zelfs al wordt een zwarte Abessijnse slaaf leider over jullie aangesteld, luister dan naar hem en gehoorzaam hem. Laat eenieder blijven gehoorzamen, tenzij hem wordt opgedragen zijn islam te verlaten. In zo’n geval strekt hij zijn nek uit (tot executie). Moge hij zonder moeder komen te zitten! Als zijn religie/dīn hem ontnomen wordt, blijft er voor hem niets van de wereld of het hiernamaals over.”
In de volgende ḥadīth wordt het in opstand komen tegen de imām als een teken van de Dag des Oordeels genoemd:
“Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is: de Dag der Opstanding zal niet aanbreken totdat jullie je imām doden, elkaar met het zwaard bevechten en de slechtsten onder jullie heersers worden over jullie wereldse zaken.”
In sommige overleveringen wordt gehoorzaamheid aan de leider op gelijke hoogte gesteld met gehoorzaamheid aan Allah:
“Wie mij gehoorzaamt, heeft Allah gehoorzaamd. En wie mij ongehoorzaam is, is Allah ongehoorzaam. Wie mijn leider gehoorzaamt, heeft mij gehoorzaamd. En wie mijn leider ongehoorzaam is, is mij ongehoorzaam.”
Voorwaarde van gehoorzaamheid bij de bayʿah
Sommige overleveringen tonen aan dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bij het sluiten van de bayʿah met de eerste moslims als voorwaarde stelde dat zij onder alle omstandigheden gehoorzaam zouden zijn. Het feit dat dit als één van de eerste voorwaarden werd gesteld om het islamitisch geloof te aanvaarden, had tot doel om het belang van gezag en gehoorzaamheid te onderstrepen voor de Arabieren van die tijd, die voorheen zonder autoriteit en gehoorzaamheid leefden. Ubādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه) zei:
“Wij gaven onze bayʿah aan Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) om gehoorzaam te zijn in voorspoed en tegenspoed; in zaken die wij prettig vonden en in zaken die wij onprettig vonden…”
Gehoorzaamheid, zelfs als het onwelgevallig is
Niet alleen in de bovengenoemde overlevering van Ubādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه), maar ook in talrijke andere overleveringen van metgezellen over de bayʿah, zien we dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de voorwaarde van gehoorzaamheid nadrukkelijk stelde. Dit gold ongeacht of het bevel wel of niet in de smaak viel, en ongeacht of de omstandigheden van rijkdom of armoede waren, zolang de imam geen duidelijk ongeloof (kufr) vertoonde, was gehoorzaamheid verplicht.
Bayʿah omwille van Allah
Om deze gehoorzaamheid onder alle omstandigheden te waarborgen, benadrukte an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) dat de bayʿah en de gehoorzaamheid uitsluitend omwille van Allah moest zijn, en dat er geen wereldse doeleinden aan verbonden mochten worden.Voor degenen die de bayʿah gaven met een werelds doel zijn er strenge waarschuwingen en berispingen overgeleverd.Zo zei hij: “Er zijn drie personen aan wie Allah op de Dag des Oordeels niet zal kijken, niet met hen zal spreken, hun zonden niet zal vergeven, en voor wie er een pijnlijke bestraffing is: (…) Eén van hen is degene die om een werelds motief de imam zijn trouw zweert — hij gehoorzaamt als hem gegeven wordt wat hij wenst, maar stopt met gehoorzamen als hem niets wordt gegeven.”
Samenvatting
Als we het voorgaande samenvatten, dan is het oordeel van de islam als volgt:"Gehoorzaamheid aan de imam is verplicht in zaken die geen ongehoorzaamheid aan Allah zijn."Want: “De imam is als een schild tegen vijandelijke aanvallen en onderdrukking tussen mensen. Hoe hij persoonlijk ook is, onder zijn leiding wordt er gestreden tegen vijanden, opstandelingen en allerlei vormen van verderf (zoals anarchisten).”
Een volledige uitleg van de kwestie van gehoorzaamheid hangt nauw samen met het begrip van het imāmaatsconcept in de islam. Daarom zullen we, ondanks enige herhaling, in het volgende hoofdstuk nader ingaan op het imāmaatsbegrip en de relevante islamitische regelgeving en theorieën hierover.
Regels met betrekking tot het Imāmāh
Een van de belangrijkste aspecten waarin de delicate benadering van de islam tegenover fitna (interne onrust) en anarchie het duidelijkst naar voren komt, is de islamitische opvatting en benadering van het Imāmāh (leiderschap). Van het geloof in de noodzakelijkheid van het Imāmāh, tot de eigenschappen die van een imam worden vereist, de wijze waarop hij wordt gekozen, het idee van gehoorzaamheid aan hem, en de straffen voor degenen die in opstand komen tegen hem, elk van deze kwesties is vormgegeven en gekleurd door de zorg om fitna te voorkomen.
Tegenwoordig ontwikkelt deze kwestie zich, door onwetendheid en kwade bedoelingen, onder gelovigen helaas juist als een bron van anarchie. Nochtans, als men zich op de hoofdbronnen zou richten en de verklaringen zou bestuderen van de salaf-geleerden, de ware gidsen van de ummah in elk tijdperk, die vrij waren van alle wereldse belangen en persoonlijke motieven, dan zou men ontdekken dat de opvatting van het Imāmāh binnen de islam geen anarchie, maar juist orde brengt; geen wanorde, maar discipline en structuur.
Onze bedoeling met het behandelen van dit onderwerp is dan ook om de ware islamitische opvatting over het Imāmāh duidelijk naar voren te brengen. Om het voor iedere lezer begrijpelijk te maken, hebben we het onderwerp onderverdeeld in subhoofdstukken. En om enkele kernideeën goed in het geheugen te prenten, hebben we ze op verschillende manieren herhaald.
Definitie van het Imāmāh
Om het onderwerp beter te begrijpen, kunnen we beginnen met een definitie. Onze geleerden hebben het Imāmāh als volgt gedefinieerd:
“Het is het algemene leiderschap over religieuze en wereldlijke zaken, namens an-Nabie (صلى الله عليه وسلم).”
Met andere woorden: het is het staatshoofdschap. De imam (of khalīfah ) voert het bestuur uit namens an-Nabie (صلى الله عليه وسلم).
Bij zijn handelen als khalifahheeft hij echter geen onbeperkte vrijheid of willekeur. Anders gezegd: de khalīfah is geen despoot die zonder beperking bevelen kan geven of straffen opleggen. Zijn bevoegdheden en rechten zijn begrensd door het rechtsstelsel dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht. Hij is het hoofd van een rechtsstaat.
De term algemeen leiderschap in de definitie is bedoeld om onderscheid te maken met andere vormen van leiderschap, zoals die van een rechter (qadi) of een imam van een moskee. Die laatste betreffen namelijk leiding over een specifiek, afgebakend gebied. Het Imāmāh daarentegen staat boven al deze deelgebieden, omvat ze allemaal, oefent er invloed op uit en houdt toezicht over elk van hen. Het is een allesomvattend leiderschap.
De plaats van Imāmāh in de ʿaqīdah (geloofsleer)
Volgens Ahl as-Sunnah wa’l Jamāʿah is de kwestie van de Imāmāh geen onderdeel van de ʿaqīdah. De Sjiʿah daarentegen heeft dit tot een geloofskwestie verheven en daardoor buitensporig opgeblazen. Het feit dat de mutakallimūn (islamitische theologen) van Ahl as-Sunnah deze kwestie ook in hun werken over de ʿaqīdah hebben behandeld, is van latere aard. Zoals ook door imaam Taftāzānī is opgemerkt, is dit gedaan om de verwarring en fitnah die op dit gebied ontstond, te weerleggen. Hij zegt: "Toen onder de mensen over de kwestie van de Imāmāh, met name vanuit de zijde van de Rāfiḍah en de Khawārij sectes, bedorven overtuigingen en onredelijke meningsverschillen zich begonnen te verspreiden, en elke groep in extremen verviel waardoor zij vele islamitische principes verwierpen, het geloof van moslims in gevaar brachten, en de rechtgeleide khaliefen begonnen te beschimpen, zagen de mutakallimūn zich, ondanks hun vaststaande overtuiging dat het niet nodig was de toestanden van de rechtgeleide khaliefen te onderzoeken of hun geschiktheid en voortreffelijkheid te bespreken, toch genoodzaakt om dit onderwerp in de ʿilm al-kalām (islamitische theologie) op te nemen..."
Zoals hierboven blijkt, betreft de kwestie van de Imāmāh niet rechtstreeks de ʿaqīdah.
Toch zijn alle islamitische geleerden, of het nu mutakallimūn zijn of fuqahā’, het erover eens en benadrukken zij dat de ummah absoluut behoefte heeft aan een imām om het geloof levendig te houden, de Sunnah in stand te houden, de onderdrukten tegen de onderdrukkers te beschermen en de sharīʿah toe te passen.
Zelfs binnen de geschiedenis van de islam hebben vrijwel alle stromingen benadrukt dat het bestaan van een imām noodzakelijk is, met uitzondering van de Khawārij, die min of meer als anarchisten kunnen worden beschouwd. Zij keerden zich tegen het aanstellen van een imām met het argument: "Omdat de verlangens verschillend en de meningen tegengesteld zijn, zal elke groep zich tot een andere persoon wenden, wat zal leiden tot fitnah en oorlogen."
Het bestaan van een imām is religieus noodzakelijk
Voor iedere gelovige is het noodzakelijk om de imām van zijn tijd te kennen, omdat dit behoort tot de voltooiing van het moslim-zijn. Dit impliceert dus dat het bestaan van een imām onvermijdelijk is.
Als bewijs voor deze uitspraak worden o.a. de volgende teksten uit de Qurʾān en de Sunnah aangehaald:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُواْ ٱلرَّسُولَ وَأُوْلِي ٱلۡأَمۡرِ مِنكُمۡۖ ٥٩
O, jullie die geloven! Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de Boodschapper en degenen van jullie die een gezagspositie hebben…(surah an-Nisāʾ, 4:59)
En de ḥadīth van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
“Wie sterft zonder de imām van zijn tijd te kennen, sterft de dood van de jāhiliyyah.”
Imaam Taftāzānī stelt, na deze teksten aangehaald te hebben, dat het kennen van de imām en het gehoorzamen aan hem verplicht is. Daaruit volgt dat ook het bestaan van een imām verplicht moet zijn. Hij zegt: "Want als het kennen en gehoorzamen verplicht is, dan is zijn bestaan zelf ook verplicht."
Het rationele belang van het bestaan van een imam/khalīfah
Het bestaan van een imam is niet alleen vanuit de Goddelijke teksten (zoals Qur’aan en authentieke ahadith) noodzakelijk, maar ook noodzakelijk voor de islamitische maatschappij. Klassieke islamitische geleerden hebben dit punt nadrukkelijk benadrukt. Zonder het onderwerp uit te rekken, nemen wij een passage van imaam Taftazānī aan. Hij zegt:
“Samenhang die leidt tot welzijn in wereldse en hiernamaalse zaken kan niet gerealiseerd worden zonder een overheersende leider (sulṭān). Zo’n leider verwijdert het verderf (mafsadahh), beschermt de belangen (maṣlaḥa), onderdrukt de verdorvenheden waar de menselijke natuur snel naar neigt, en begrenst datgene waar hebzuchtigen om vechten. Om het belang van een imam te begrijpen is het voldoende als getuigenis dat wanneer iemand die het bestuur van het land bewaakt en bescherming biedt tegen onrechtvaardigen, plotseling wegvalt, zal onrust en verderf onmiddellijk het land overnemen en allerlei moeilijkheden snel de kop opsteken.”
Imaam Al-Jurjānī, die het onderwerp vanuit een andere invalshoek benadert, stelt dat vanwege uiteenlopende begeerten, verschillende denkbeelden, en bestaande vijandigheden onder de mensen, zij elkaar zelden zullen gehoorzamen. Deze situatie zal leiden tot conflicten, overtredingen, en mogelijk zelfs tot de ondergang van allen. Hij voegt daaraan toe:
“De situatie die ontstaat tussen het overlijden van een leider en het aanstellen van een nieuwe, vol fitna en ervaringen, getuigt hiervan. Als dit proces lang zou duren, zou het sociale leven stilvallen. Iedereen zou bezig zijn met het beschermen van zijn bezit en leven met zijn eigen wapens.
Dit zou leiden tot de ondergang van zowel de religie als van alle moslims. Dus de aanstelling van een imam weert een schade af die niet groter kan zijn. We kunnen zelfs zeggen dat het aanstellen van een imam één van de grootste belangen van de moslims is, en een van de hoogste doelen van de religie.”
Aangezien het bestaan van een imam een zo cruciale en gevoelige positie inneemt in het geloof en wereldse leven van de moslims, hebben de metgezellen, toen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) overleed, eerst de nieuwe khalīfah gekozen voordat zij begonnen aan de begrafenisvoorbereidingen. Pas nadat khaliefah werd gekozen, hebben zij de begrafenis ter hand genomen. In tegenstelling tot wat sommige kwaadwillenden beweren, was er beslist geen sprake van een machtsstrijd onder de metgezellen.
Het aanstellen van een imam is een fard kifāyah (collectieve verplichting)
Aangezien het bestaan van een imam zowel op basis van de Qur’aan en de authentieke ahadieth als op rationeel en doelmatig vlak noodzakelijk is, is het verplicht voor de gemeenschap om een imam aan te stellen. Deze verplichting is echter een fard kifāyah, dat wil zeggen: wanneer enkelen van de gemeenschap dit uitvoeren door een persoon te kiezen en hem trouw te zweren (bay‘ah), dan vervalt deze verplichting voor de rest van de gemeenschap.
Toen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) overleed, gaven de metgezellen prioriteit aan deze verplichting boven andere verplichtingen. Want het voortbestaan van de maatschappij is slechts mogelijk door het wegnemen van chaos, het geven van rechten aan de onderdrukten, en het bestrijden van degenen die corruptie op aarde willen verspreiden en al deze zaken zijn enkel mogelijk met een imam aan het hoofd van de gemeenschap.
Over de noodzaak van het aanstellen van een imam zijn Ahl as-Sunnah, de Mu‘tazilah en de Zaydiyyah het onderling eens. Echter:
Ahl as-Sunnah beschouwt het aanstellen van een imam verplicht op basis van overlevering (naql),
terwijl de Mu‘tazilah en de Zaydiyyah het verplicht achten op rationele gronden (‘aql).
De Imamiyyah en de Ismā‘īliyyah zeggen: “Het aanstellen van een imam is niet aan ons toevertrouwd, maar behoort toe aan Allah.”
De Khawārij beschouwen het aanstellen van een imam niet als verplicht, maar als iets geoorloofd. Sommigen van hen achten het noodzakelijk in vredestijd, terwijl anderen het enkel noodzakelijk achten in tijden van fitnah.
Sommige Mu‘tazilieten en Khawārij die het niet noodzakelijk achten om een imam aan te stellen, geven als reden: “Het is geen verplichting. Wat wel verplicht is voor de mensen, is handelen volgens het Boek van Allah. Het Boek van Allah is voldoende, er is geen behoefte aan een imam. Daarom is het aanstellen van een imam niet iets wat noodzakelijk op mensen rust.”
De Khawārij geven ook als overweging: “Het aanstellen van een imam leidt tot verdeeldheid en fitnah, omdat begeerten verschillend zijn en meningen uiteenlopen. Elke groep neigt naar een ander persoon, wat leidt tot onrust en oorlog. Iets wat zulke gevolgen heeft, kan geen verplichting zijn, sterker nog, het zou zelfs niet toegestaan moeten zijn.”
Ahl as-Sunnah beschouwt dit echter vanuit een realistischer perspectief en stelt: “Zonder een imam zullen mensen zich in groepen opsplitsen, niemand zal zich onderwerpen aan iemand anders, en zo zullen fitnah, corruptie en oorlog zich verspreiden.” Imam Mālik heeft deze soennitische visie kernachtig samengevat met zijn uitspraak: “Of hij nu goed of zondig is, er moet altijd een imam zijn.”
Vereisten voor de imam
De imam moet bepaalde eigenschappen bezitten die hem in staat stellen om zijn taken correct te vervullen. Volgens de indeling van imaam al-Jurjānī kunnen deze voorwaarden in drie hoofdgroepen verdeeld worden:
A. Voorwaarden die absoluut vereist zijn:
Over deze voorwaarden zijn alle islamitische stromingen het eens, het zijn er vijf:
Rechtvaardigheid (dus geen openlijke zondaar zijn).
Verstandelijk gezond zijn (geen krankzinnige of zwakbegaafde).
De puberteit bereikt hebben (geen kind zijn).
Mannelijk zijn (geen vrouw).
Vrij zijn (geen slaaf of gevangene).
B. Voorwaarden die gewenst zijn, maar in de praktijk zelden volledig aanwezig:
Een mujtahid zijn in de fundamentele en afgeleide kwesties van de religie, oftewel volledige kennis hebben van de religie.
Beschikken over scherp inzicht en bestuurlijke, politieke en militaire ervaring.
Moed bezitten.
C. Voorwaarden waarover men verdeeld is of die ongeldig zijn:
Afkomstig zijn uit de stam van Quraysh.
Afkomstig zijn van de clan van Hāshim.
Volledige kennis van alle religieuze kwesties.
Wonderen kunnen verrichten.
Onfeilbaar zijn (beschermd zijn tegen zonden en fouten).
Imaam al-Jurjānī merkt op dat er meningsverschil is over de voorwaarde dat de imam uit de stam van Quraysh moet komen. Voorwaarden zoals afstamming van Banu Hāshim, kennis van alle religieuze kwesties, het verrichten van wonderen en onfeilbaarheid worden beschouwd als ongeldige voorwaarden die zijn opgeworpen door dwalende stromingen, zonder geldige of met zwakke bewijzen.
Wat betreft de gewenste (maar niet noodzakelijke) voorwaarden, hebben de meeste geleerden (al-jumhūr) deze wel als voorwaarde genoemd, maar er ook op gewezen dat het zelden voorkomt dat al deze eigenschappen in één persoon samenkomen. Sommigen beschouwen het daarom als een onhaalbare eis.
Volgens imaam al-Bazdawī zijn, inclusief de Rāfidah, alle stromingen binnen de ummah die de qiblah erkennen het erover eens dat de imam de beste van de mensen moet zijn in kennis, vroomheid, moed en afkomst, en dat hij moet behoren tot de stam van Quraysh.
Het Quraysh-argument
Sommige geleerden gebruiken de hadith “De leiders zijn van Quraysh” om te stellen dat een imam uit die stam moet komen. Echter, andere geleerden die ook ahadith en de uitspraken van de Qur’aan, die geen enkele vorm van superioriteit erkennen behalve op basis van godsvrucht (taqwā), in overweging nemen, hebben zich niet aangesloten bij deze opvatting.
Door de details van deze kwestie over te laten aan de betreffende hoofdstukken in de kalām-boeken, willen we hier het volgende aangeven: de voorwaarde dat iemand van de stam van Quraysh moet zijn, is – net als de andere voorwaarden – waarschijnlijk slechts van toepassing in een situatie waarin alles normaal verloopt en er sprake is van een ideale context.
Zoals ook bevestigd wordt door het meningsverschil onder de geleerden, is dit geen bindende (wājib) voorwaarde, maar kan het, wanneer de andere vereiste kwalificaties gelijkelijk aanwezig zijn bij verschillende kandidaten, dienen als een reden om de voorkeur te geven aan één van hen. Met andere woorden: een persoon uit de stam van Quraysh die verder niet bekwaam is, wordt niet enkel en alleen vanwege zijn afkomst als meest geschikt voor dit ambt beschouwd. Derhalve is het duidelijk dat als iemand niet over de overige vereiste eigenschappen beschikt, hij, ook al is hij van Quraysh, niet gekozen kan worden.
We kunnen niet voorbijgaan aan een uitspraak van imaam at-Taftazānī zonder die hier te vermelden. Wanneer men erover nadenkt, zal het een verhelderend licht werpen op bepaalde twijfels die in dit onderwerp kunnen opkomen:
"Wat er gezegd is over het imamaat is slechts geldig onder twee fundamentele voorwaarden:
Vrije keuze (oftewel de vrijheid om een imam te kiezen),
Bekwaamheid (de geschiktheid en competentie van de kandidaat voor het imamaah)."
Wie is het meest geschikt als imam?
Imaam al-Jurjânî geeft aan dat van de kandidaten degene die het meest geleerd is (a`lam) het meest geschikt is voor het imamaah. Als zij qua kennis gelijk zijn, dan verdient degene met meer vroomheid (warâ’) en godsvrucht (taqwā) de voorkeur. Indien ook daarin gelijkheid is, dan dient de oudere verkozen te worden. Hij zegt: “Als het op deze manier gebeurt, verdwijnen fitnah (onrust) en tegenstand.”
Ook al is men in de praktijk niet altijd tot zulke verfijnde criteria doorgedrongen, geloven wij dat deze theoretische benadering waardevol is om de houding en denkwijze van de moslims in deze kwestie te begrijpen.
Zoals te zien is, wanneer men op zoek is naar de persoon die het meest geschikt is voor het imamaah, dan heeft, in tegenstelling tot wat sommigen beweren, onze geleerden niet de meest vrome persoon als eerste naar voren geschoven, maar veeleer degene die het best verstand heeft van deze taak (al-a`lam).
Het Imamaah van een onbekwame:
De geleerden van Ahl as-Sunnah hebben met grote meerderheid uitgesproken dat voor het imamaat de meest voortreffelijke van de tijd, dat wil zeggen degene die het hoogst is in deugd en bekwaamheid – met andere woorden: degene die de eigenschappen en voorwaarden die in een imam vereist zijn het meest in zichzelf verenigt – verkozen dient te worden.
Echter, zij hebben niet met nadruk gesteld: “Hoe dan ook moet de meest voortreffelijke gekozen worden; wanneer hij er is, is het in geen enkel geval toegestaan dat een mindere (degene die minder is in deugd en bekwaamheid) tot imam wordt benoemd.”
Als de keuze voor de meest voortreffelijke zou leiden tot fitnah (onrust) en wanorde, dan is het toegestaan dat de mindere wordt gekozen, op voorwaarde dat hij deze functie waardig is. Het volgende fragment dat wij van imaam al-Bāqillānī aanhalen, drukt op welsprekende wijze uit dat de toelaatbaarheid van de keuze voor de mindere voortkomt uit de vrees voor fitnah.
Hij zegt:"Wat betreft de toelichting op het punt dat wijst op de geldigheid van een overeenkomst waarbij men afstand doet van de meest voortreffelijke (afḍal) imām kandidaat en in plaats daarvan de minder voortreffelijke (mafdhūl) als imām aanstelt: de kernreden hiervoor is de vrees voor fitnah (onrust) en wanorde.
De zaak is namelijk als volgt: de imām wordt in wezen aangesteld met doelen zoals het afweren van de vijand, het beschermen van het land, het tegengaan van verdorvenheid, het toepassen van de straffen van de sharīʿah (iqāmat al-ḥudūd), het toekennen van rechten aan de rechtmatige eigenaars. Als het aanstellen van de meest voortreffelijke imām zou leiden tot onrust, verderf, onderdrukking, het afwijzen van gehoorzaamheid, het trekken van zwaarden tegen elkaar, het stilleggen van het toepassen van wetten en het teruggeven van rechten, en als dit zou leiden tot ongerechtigheid en verzwakking die de vijanden van de islam zou aanmoedigen, dan is dit een duidelijke reden om afstand te doen van de meest voortreffelijke imām kandidaat en genoegen te nemen met de minder voortreffelijke kandidaat.
Zo is het ook in de praktijk gebeurd: ʿUmar (رضي الله عنه) in het bijzonder, en de gehele gemeenschap van de metgezellen (ṣaḥābah) en de latere generaties van de ummah, hebben in de sunnah van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) gezien dat zowel de meest voortreffelijke als de minder voortreffelijke opties voorkwamen. Zij allen achtten het toegestaan om hun baʿyah te geven, zolang de zaken van de ummah goed werden geleid en de eenheid bewaard bleef. En niemand heeft zich daartegen verzet."
De uitspraak van imaam al-Ashʿarī luidt:"Het is niet toegestaan dat de minder voortreffelijke (mafdhūl) tot imām wordt aangesteld zolang de meest voortreffelijke (afḍal) er is, want het is waarschijnlijker dat mensen zich aan de afḍal onderwerpen, en het is eenvoudiger om daarover consensus (ijmāʿ) te bereiken. Bovendien is het imāmaatschap een vertegenwoordiging (niyābah) van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), en dus dient degene die gekozen wordt tot imām degene te zijn met de hoogste rang, zoals ook an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de meest voortreffelijke onder de mensen is."
Imaam at-Taftāzānī verwerpt deze uitspraak en voegt, naast andere waarheden, de volgende overweging toe:"De mafdhūl kan in bepaalde situaties beter in staat zijn om de belangen van religie en staat te behartigen, en daarom kan het aanstellen van een dergelijke persoon meer gepast zijn voor het ordenen van de toestand van de onderdanen (raʿiyyah) en geschikter voor het afwenden van fitnah."
En hij voegt daaraan toe:"De imām kan in dit opzicht niet met de profeet worden vergeleken, want een profeet is door Allah gezonden – de Alwetende, de Alwijze – Die kiest wie Hij wil onder Zijn dienaren en Die hem via openbaring (waḥy) de belangen van religie en staat meedeelt."
Ook imaam al-Bazdawī zegt hierover het volgende:"Als men, ondanks de aanwezigheid van een meer voortreffelijke (afḍal), toch iemand kiest tot imām die in afkomst (nasab), godsvrucht (taqwā) en andere aspecten ondergeschikt (mafdhūl) is, dan is zijn imāmaatschap geldig en wordt hij als geschikt voor dit ambt beschouwd.
En als hij geschikt is om recht te spreken (qaḍā’) en geschillen te beslechten, dan is dit volgens de opvatting van Ahl as-Sunnah wa’l-Jamāʿah eveneens correct, en de vonnissen die hij uitspreekt worden uitgevoerd."
De gewelddadige ImāmDe mate van gevoeligheid die de islam toont voor het vermijden van fitnah (onrust) en chaos, blijkt duidelijk uit de houding tegenover iemand die, zonder enige legitieme reden, met bedrog en geweld de rechtmatige imām omverwerpt en zichzelf met dwang aan de macht brengt.
In een dergelijk geval adviseren de geleerden gehoorzaamheid aan de gewelddadige imām, "om fitnah te voorkomen."Imaam al-Taftāzānī schrijft hierover:"Als er geen geschikte persoon uit de stam van Quraysh is, of als er ondanks diens aanwezigheid toch geen aanstelling mogelijk is vanwege zaken zoals de overheersing van dwalende en onrechtvaardige groepen of de macht van tirannen, dan heeft niemand betwist dat het toegestaan is om te gehoorzamen aan degene die de macht in handen heeft, wat betreft zijn rechterlijke uitspraken, het uitvoeren van wetten, de toepassing van ḥadd-straffen, en alles wat verband houdt met het imāmaatschap, net zoals het toegestaan is om gehoorzaam te zijn aan een imām die weliswaar uit Quraysh stamt, maar een zondaar (fāsiq), onrechtvaardige of onwetende is."
Hij licht ook toe wat de reden is achter deze vorm van gehoorzaamheid en zegt in dit verband:"Alle voorwaarden die in de kwestie van het imāmaatschap genoemd zijn, zijn uiteindelijk terug te voeren op twee basisvoorwaarden:
Vrije keuze (iḫtiyār), oftewel de vrijheid om een imām te kiezen.
Macht en gezag (iqtidār)."
“Wanneer er sprake is van onvermogen en dwang bij het kiezen van een imām, wanneer dit veroorzaakt wordt door de overheersing van zondige, ongelovige en onrechtvaardige personen of het geweld van boosaardige tirannen, dan wordt het wereldlijke leiderschap met geweld overgenomen. De religieuze voorschriften die met dit leiderschap te maken hebben, worden in zulke gevallen onder de noemer "noodgedwongen imām" (imām ḍarūrah) in een apart hoofdstuk behandeld. In dat verband wordt er dan niet gekeken naar het ontbreken van kennis, rechtvaardigheid of andere vereisten in de imām. Want noodtoestanden maken sommige verboden (maḥẓūrāt) toelaatbaar (mubāḥ)...”Imaam al-Bazdawī zegt hierover het volgende:"Volgens de Qadariyyah, de Khawārij en de Muʿtazilah kan een dergelijk persoon geen imām zijn. Maar volgens alle geleerden van Ahl as-Sunnah wa’l-Jamāʿah is hij wél imām, en zijn uitspraken en vonnissen worden uitgevoerd. Zo is er onder de geleerden geen enkele fakīh of persoon met inzicht en beleid geweest die ooit een imāmaatschapsovereenkomst (ʿaqd al-imāmah) heeft gesloten voor een van de Marwāniden. Zij hebben zichzelf met geweld opgelegd als khaliefah. Desondanks hebben de geleerden consensus (ijmāʿ) bereikt over het feit dat zij als imām beschouwd moesten worden, omdat het niet erkennen van hun leiderschap zou hebben geleid tot fitnah en verderf binnen de islamitische gemeenschap."
Ter ondersteuning van deze opvatting zegt ʿAliyy al-Qārī dat ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنها) die bekend stond om zijn godsvrucht en zijn nauwgezette navolging van de Sunnah – vanwege zijn vrees voor fitnah (onrust) ʿAbdullāh ibn az-Zubayr (رضي الله عنه) ervan weerhield om aanspraak te maken op het kalifaat. Dit terwijl ibn az-Zubayr (رضي الله عنه) in vergelijking met de tirannieke heersers van de Umayyaden veel geschikter was en veel meer recht had op het leiderschap.
Ibn Ḥajar zegt eveneens:"Als een slaaf met kracht het gezag weet te vestigen en zijn heerschappij uitroept, dan is het, om fitnah te voorkomen, verplicht om hem te gehoorzamen, zolang hij geen zonde beveelt."
De zondige en onrechtvaardige imāmNaast de gewelddadige imām die met onwettige middelen en dwang aan de macht is gekomen, kan het ook gaan om een imām die wel op legitieme wijze aan de macht is gekomen, maar die in de loop der tijd onrecht begint te begaan of vervalt in openlijke zonden en verdorvenheid (fisq wa fujoer).
Dergelijke gevallen maken het echter niet noodzakelijk om de imām af te zetten of om de gehoorzaamheid aan hem te staken. Volgens wat imaam al-Bazdawī heeft overgeleverd, zijn de Ḥanafī-geleerden hierover unaniem van mening.Hoewel sommige geleerden van de Shāfiʿī-madhhab, evenals de Qadariyyah, de Muʿtazilah en de Rāfiḍah (Sjiitische stromingen), wel het oordeel hebben gegeven dat zo’n imām afgezet dient te worden, is de overwegende en juiste opvatting dat zijn afzetting niet vereist is.
Het feit dat een imām zich schuldig maakt aan zonden, verdorven gedrag of onrecht, is geen geldige reden voor het volk (raʿiyyah) om hun gehoorzaamheid aan hem te staken.
an-Nawawī beveelt degene die lijdt onder de onderdrukking en het onrecht van de sultan het volgende aan: "Hij dient zijn plicht tot gehoorzaamheid aan de sultan toch na te komen en zich niet tegen hem te verzetten. Integendeel, hij dient zijn leed te verdragen, het kwaad van de sultan af te weren, en in gebed (duʿā’) tot Allah te smeken dat de sultan zich hervormt en zijn kwaad verdwijnt."
De geleerden baseren het oordeel van gehoorzaamheid aan een onrechtvaardige imām op de adviezen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) over hoe men zich dient te gedragen tijdens tijden van fitnah (onrust).
Want an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:"…(Als je de tijd van fitnah bereikt,) luister en gehoorzaam de leider (amīr), ook al slaat hij je rug en neemt hij je bezit; luister en gehoorzaam."
Toen iemand aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hardnekkig vroeg:"O Rasulullah, wat als de leiders hun rechten op ons opeisen, maar onze rechten bij hen niet nakomen?"keerde hij zich telkens van de vraagsteller af en gaf geen antwoord.
Maar bij de derde keer zei hij:"Luister en gehoorzaam, want jullie zullen ter verantwoording worden geroepen voor jullie eigen verantwoordelijkheid, en zij voor die van hen."
Een andere ḥadīth luidt als volgt:"Ook als jullie sultan hard en onderdrukkend is, blijft zijn recht om bevel te geven bestaan, en de plicht van het volk (raʿiyyah) om geduldig te zijn, blijft eveneens van kracht."
En: "Als de sultan rechtvaardig is, dan komt hem zijn beloning toe en het volk dient dankbaar te zijn. Als hij onrechtvaardig en verraderlijk is, dan rust op hem de zonde, en op het volk de plicht om geduldig te zijn."
Een belangrijke ḥadīth die oproept tot geduld jegens een sultan die het volk onwelgevallig is, luidt: "Wie iets ziet bij zijn amīr (leider) dat hem niet bevalt, laat hem dan geduld betrachten.
Want wie sterft terwijl hij zich ook maar een handbreedte van de gemeenschap (jamāʿah) heeft afgekeerd, sterft een dood zoals in de tijd van onwetendheid (jāhiliyyah)."
De goede ImāmEen ḥadīth waarin het verschil tussen een goede en een slechte imām wordt besproken, luidt als volgt:"De beste van jullie imāms zijn degenen die jullie liefhebben. Zoals jullie hen liefhebben, zo houden zij ook van jullie. Jullie bidden voor hen om het goede, en zij bidden ook voor jullie om het goede. De slechtste en gemeenste van jullie imāms zijn degenen die jullie haten, en zij haten jullie ook. Jullie vervloeken hen, en zij vervloeken jullie."
Naar aanleiding van de woorden van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) vroegen sommigen:"O Rasulullah, moeten wij ons niet verzetten en rebelleren tegen zulke slechte leiders?"an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Nee, zolang jullie samen ṣalāh verrichten, moet je niet in opstand komen. Maar als iemand ziet dat een van de aangestelde leiders iets doet wat Allah heeft verboden, dan moet hij die daad afkeuren, maar nooit de gehoorzaamheid staken."
In een andere overlevering, toen men vroeg: "Wat moeten wij doen tegenover een zondige khaliefah?", antwoordde hij:"Houd vast aan de belofte die je in het begin bij het afleggen van de baʿyah hebt gedaan, en voldoe aan je plicht tot gehoorzaamheid, zodat je zijn rechten jegens jou nakomt. Vraag Allah om jouw rechten die jij hebt op hem, want Hij zal hen daar ook op aanspreken. Wees niet overhaast en probeer je rechten niet zelf bij hen af te dwingen door rebellie."
De zorgvuldigheid van de salafEen overlevering die imaam Aynī aanhaalt bij de uitleg van de eerder genoemde ḥadīth toont hoe nauwgezet de salaf waren in het vermijden van fitnah (onrust):"Zayd zegt: (de salaf vroegen hun rechten op bij Allah in het verborgene, want het openlijk opeisen ervan zou een belediging zijn aan de leiders, en dat zou weer aanleiding kunnen zijn tot fitnah)."
Even verderop, met betrekking tot de ḥadīth van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه) over de voorwaarde van gehoorzaamheid bij de biʿyah (baʿyah), vatten de geleerden in hun commentaren de volgende conclusie samen, die wij hier letterlijk weergeven:"Kort gezegd, de gehoorzaamheid van het volk (raʿiyyah) aan de leiders (umaraʾ) hangt niet af van het feit dat deze hun plichten naar behoren vervullen en de rechten van de bestuurden beschermen. Integendeel, zelfs als de leiders de rechten van het volk belemmeren of hen hun rechten ontzeggen, is het toch verplicht om hen te gehoorzamen."
"Want door niet in opstand te komen en gehoorzaam te zijn aan de leider wordt voorkomen dat bloedvergieten plaatsvindt en wordt het vuur van fitnah gedoofd."
Een gebeurtenis met betrekking tot gehoorzaamheid aan een fāsiq amīr (Imām)
Al-Bazdawī vermeldt, nadat hij heeft vastgesteld dat het niet toegestaan is om in opstand te komen tegen een fāsiq of zālim leider, en dat men hem moet gehoorzamen, een gebeurtenis waaruit we lering kunnen trekken:
“Er wordt verteld dat in de laatste periode van de Samaniden, in de regio van Bukhārā, de sektes van de Qadarīyah en de Muʿtazilah de overhand kregen. Zelfs de vizier begon hen toe te neigen. Hierdoor werden de aanhangers van Ahl as-Sunnah wa al-Jamāʿah onderdrukt en vernederd. Alleen de imām van de amīr was Ahl as-Sunnah wa al-Jamāʿah.
Op een dag zei de imām tegen de amīr: ‘Diegenen die beweren Qadarī te zijn, geloven niet dat jij de rechtmatige amīr en sultan bent. Alleen de geleerden van Ahl as-Sunnah geloven dat jij de legitieme sultan bent.’
De amīr vroeg: ‘Hoe kan dat dan?’
De imām antwoordde: ‘Wees geduldig, in shā’ Allāh zal ik het je morgen laten zien.’
De volgende dag liet hij de imāms van Ahl as-Sunnah wa al-Jamāʿah komen en plaatste hen in het paleis van de khalīfah .
De amīr verstopte zich achter een gordijn.
De leraar (mu`allim) stelde de aanwezigen de volgende vraag: ‘Als een amīr overspel zou plegen, zou martelen, wijn zou drinken, zich zou onderwerpen aan ghilmān (jonge zangers), en tegelijkertijd gelooft dat dit alles harām is, dient hij dan afgezet te worden?’
De geleerden antwoordden eensgezind: ‘Nee, maar het is verplicht voor hem om berouw te tonen voor wat hij heeft gedaan.’
De leraar gaf hen daarna toestemming om te vertrekken. Vervolgens riep hij de imāms van de Qadarīyah en Muʿtazilah en stelde hun dezelfde vraag: ‘Als een van de amīrs op onrechtvaardige wijze het bezit van de mensen afneemt, overspel pleegt, wijn drinkt, zich onderwerpt aan ghilmān, en dit alles doet terwijl hij weet dat het harām is en dit erkent, dient hij dan afgezet te worden?’
Zij antwoordden allen samen: ‘Ja, hij moet afgezet worden.’
Zij bleven niet alleen bij die uitspraak, maar hielden ook hardnekkig vast aan hun mening.
De leraar liet hen gaan en wendde zich tot de amīr en zei: ‘Heb je gehoord wat ze zeiden?’
En hij voegde eraan toe: ‘Zoals je ziet, beschouwen zij jou als afgezet en erkennen ze jouw leiderschap niet meer. Want jij verricht inderdaad enkele van deze slechte daden.’
De amīr gaf het bevel om hen allen gevangen te nemen en uit te roeien. Zodanig dat er niemand anders in Bukhārā overbleef dan de Ḥanafieten. Hij schonk de geleerden van Ahl as-Sunnah wa al-Jamāʿah kostbare eredrachten.”
De volledige tekst van de hadith die gehoorzaamheid aan een fāsiq of zālim leider beveelt:
Tot de belangrijkste bewijzen die de geleerden aanhalen betreffende gehoorzaamheid (aan leiders), behoort een hadith die in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī voorkomt. We geven de volledige tekst als volgt weer:
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه):
Iedereen stelde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) vragen over het goede, maar ik vroeg hem op een dag over het slechte, uit vrees dat het mij zou overkomen. Ooit hadden wij het volgende gesprek:
– O Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), wij leefden in een tijd van jâhiliyyah en kwaad, en Allah heeft ons met het goede van de Islam begiftigd. Komt er na dit goede weer kwaad?
– Ja, dat komt er.
– En zal er na dat kwaad weer goed komen?
– Ja, maar het zal troebel zijn.
– Wat is die troebelheid dan?
– Er zullen mensen zijn die niet volgens mijn leiding handelen, maar iets anders volgen. Je zult bij hen zowel goede als slechte zaken aantreffen.
– Zal er na dat goede weer kwaad komen?
– Ja, dan zullen er mensen opstaan die oproepen aan de poorten van het Hellevuur. Wie hen volgt, wordt daarin geworpen.
– O Rasulullah, beschrijf hen voor ons.
– Het zijn mensen van onze eigen huidskleur, die met onze taal spreken.
– Wat gebiedt u mij te doen als ik dat meemaak?
– Sluit je aan bij de gemeenschap van de moslims en bij hun imām.
– En als zij dan geen gemeenschap en geen imām hebben?
– Mijd dan al die groepen, ook al moet je je vastklampen aan de wortels van een boom met je tanden, totdat de dood jou bereikt terwijl je in die toestand bent (en meng je niet onder hen)."
De geleerden die deze hadith hebben toegelicht, hebben uit de woorden "ze dragen onze huid" afgeleid dat die slechte mensen die zullen opstaan, tot ons eigen volk en onze eigen religie behoren. Uit de woorden "ze spreken met onze taal" blijkt dat het geen buitenlandse bezetters zijn, maar mensen van dezelfde taal en afkomst, die zelfs verzen, ahadith en wijze uitspraken uitspreken.
Ibn Battāl zegt hierover: "In deze hadith ligt een bewijs, zoals door de fuqahā’ is gesteld, dat het niet toegestaan is om in opstand te komen tegen zālim leiders, en dat men zich dient aan te sluiten bij de gemeenschap van de moslims. Want de groep waarvoor het verbod op opstand geldt, is pas later in de hadith beschreven als ‘roepers aan de poorten van het Hellevuur’."
Rebellie tegen een ongehoorzame gezagsdrager (Imām)
Ibn Ḥajar legt, bij het verklaren van een overlevering die het geoorloofd maakt om tegen de Khārijieten te strijden, het volgende uit:
"In deze overlevering is er toestemming om te strijden tegen degenen die zich afkeren van gehoorzaamheid aan een rechtvaardige imām, degenen die strijden voor een valse overtuiging, de bergen intrekken, wegen onveilig maken, de openbare veiligheid schenden en verderf op aarde zaaien.
Maar als iemand afziet van gehoorzaamheid aan een zālim imām, en zich meester probeert te maken van zijn bezit, zijn leven of zijn familie, dan is die persoon verontschuldigbaar (maʿdhūr). Het is niet toegestaan om hem te doden. Integendeel, hij heeft het recht om zijn bezit, zijn leven en zijn familie te verdedigen binnen zijn mogelijkheden..."
Aṭ-Ṭabarī vermeldt met een authentieke keten de volgende overlevering:
"Van ʿAlī (رضي الله عنه) is overgeleverd dat hij, toen hij het over de Khārijieten had, zei:'Als zij in opstand komen tegen een rechtvaardige imām, dood hen dan. Maar als zij in opstand komen tegen een zālim imām, strijd dan niet tegen hen, want zij hebben spreekrecht.'"
ʿUmar Nāṣūḥī Bilmen vermeldt in zijn boek Istilāḥāt-ı Fiqhiyye de volgende juridische regel:
"Wanneer een groep zich op rechtmatige wijze verzet tegen onderdrukking en onrecht, dan is het voor iedere moslim een plicht om hen te helpen, mits er een verwacht nut is."
Opmerking:
Op het eerste gezicht lijkt de hierboven genoemde toestemming om in opstand te komen tegen een zālim leider en hem niet te bestrijden (of zelfs steun te verlenen), in tegenspraak te zijn met eerdere principes zoals:
“Zich niet mengen in fitnah,”
“Tegen de zālim leider geduld betrachten,”
“Geen opstand plegen.”
Maar in werkelijkheid is er geen tegenstrijdigheid. Het is als volgt te begrijpen:
In de eerdere uitspraken werd gezegd dat het voor iemand die: Zonder aanleiding tot fitna (oproer) te geven, is het een plicht om in te grijpen tegen elke soort onrecht, inclusief onderdrukking, voor degene die verzekerd is van het bereiken van het gewenste resultaat en die qua materiële en immateriële positie, rang, status en beschikbare macht in staat is daartoe.
Als zo iemand nalaat op te treden, is hij aansprakelijk.
Indien het optreden echter waarschijnlijk zal leiden tot fitnah, of als de kans op resultaat uiterst klein is, dan is het, afhankelijk van de situatie, aanbevolen om: innerlijke afkeer, geduldig te zijn en zich er niet in te mengen.
In de laatstgenoemde toestemming wordt opgemerkt dat men niet wordt opgedragen om de opstandige daadwerkelijk te helpen. ʿAlī (رضي الله عنه) zegt immers alleen: "Strijd niet tegen degene die in opstand komt tegen de zālim,"en zegt dus níet: "Sta aan zijn zijde."
Wat betreft de uitspraak van sommige juristen dat men de opstandige moet helpen: dit geldt uitsluitend als er een duidelijke verwachte baten zijn. Als er echter geen voordeel, maar schade wordt verwacht, dan dient men zich afzijdig te houden en hem geen hulp te bieden.
Er is dus geen sprake van tegenstrijdigheid. (De permissie om een zālim te weerstaan of niet te bestrijden, hangt af van: de omstandigheden, de mogelijkheden en de verwachte gevolgen.
De dienst van een fāsiq aan de religie
De geleerden die van mening zijn dat men geen opstand mag plegen tegen een fāsiq of zondige amīr , onderbouwen hun standpunt onder andere met de volgende aḥādīth van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “...Waarlijk, Allah versterkt deze religie zelfs door middel van een fājir (zondig) persoon...”
Ibn al-Munīr zegt dat deze ḥadīth elke gedachte wegneemt dat het toegestaan zou zijn om tegen een onrechtvaardige imām in opstand te komen. Allah kan Zijn religie namelijk zelfs versterken via een zondaar. Zijn zonden en slechtheid behoren tot zijn persoonlijke verantwoordelijkheid.
Het afkeuren van het verwerpelijke (al-munkar)
In een eerder vermelde ḥadīth verplicht an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de gelovige om, onder alle omstandigheden, ongeacht wie het slechte verricht, het verwerpelijke minstens in het hart af te keuren.
Hoewel ongehoorzaamheid en opstand tegen een imām vanwege zijn slechte daden niet zijn toegestaan, is het toch verplicht dat, indien men daartoe in staat is, men het verwerpelijke bestrijdt met de hand of met het woord. En indien dat niet mogelijk is, dan ten minste met het hart.
Dat blijkt duidelijk uit de volgende overlevering van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
“Er zullen leiders over jullie aangesteld worden, van wie jullie sommige daden goedkeuren en andere verwerpen. Wie het slechte openlijk afwijst, heeft zich gevrijwaard van huichelarij; wie (ten minste) in zijn hart haat voelt, is vrij van zonde. Maar wie het accepteert en hen daarin volgt, gaat ten onder.”
Toen men vervolgens vroeg: “O Rasulullah, zullen wij met deze fāsiq leiders strijden?”Antwoordde hij: “Nee, zolang zij de ṣalāh verrichten (blijf hen gehoorzamen).”
In een andere overlevering, overgeleverd door Muslim, zei hij:
“Wanneer jullie bij één van jullie leiders iets verwerpelijks zien, blijf dan datgene wat hij doet als verwerpelijk beschouwen, maar trek jullie hand van gehoorzaamheid niet terug.”Hiermee maakt hij duidelijk onderscheid tussen het afkeuren van het kwade en het verbreken van loyaliteit.
Geen oneerbiedigheid tonen tegen de Imām
De oproep om de leider (Imām) ondanks zijn zonden te gehoorzamen, betekent, zoals uit een andere overlevering blijkt, dat men zich moet onthouden van woorden of gedragingen die zijn eer of gezag aantasten. Men dient dus respect te behouden tegenover de `ūlu al-amr (gezagsdragers), ondanks hun fouten.
Ziyād ibn Kusayb al-ʿAdawī vertelt: “Ik zat samen met Abū Bakrah onderaan de minbar van Ibn ʿĀmir. Deze laatste hield een preek terwijl hij een dun kledingstuk droeg. Toen zei Abū Bilāl: ‘Kijk nou eens naar onze amīr , hij draagt de kleding van de zondaren!’
Abū Bakrah sprak hem direct tegen en zei: ‘Zwijg! Spreek niet zo! Ik heb an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Wie Allah’s leider op aarde vernedert, zal op de Dag der Opstanding door Allah vernederd worden.”
In een andere overlevering wordt niet alleen verboden om oneerbiedigheid te tonen, maar wordt het tonen van eerbied zelfs aangemoedigd en geboden:
“Wie de sultan, die Allah verheven heeft in deze wereld, eer betoont, die zal door Allah geëerd worden op de Dag der Opstanding.
Maar wie de sultan in deze wereld vernedert, die zal door Allah vernederd worden op de Dag der Opstanding.”
De grenzen van gehoorzaamheid aan de Imām
Hoewel het gehoorzamen van de Imām, het niet in opstand komen tegen hem, en geduldig te zijn tegenover zijn onrecht een belangrijk principe is, betekent dit niet dat aan elk bevel gehoorzaamd moet worden. De opdracht tot gehoorzaamheid heeft een grens.
Wanneer een bevel die grens overschrijdt, wordt gehoorzaamheid geen verdienste meer, maar een zonde.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een moslim is verplicht te luisteren en te gehoorzamen in alles wat hem bevalt of tegenstaat, zolang er geen sprake is van een zonde. Maar als men wordt opgedragen iets te doen dat een zonde is, iets dat Allah verboden heeft, dan mag men daar niet naar luisteren en niet aan gehoorzamen.”
Toen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) vertelde over de fāsiq leiders die na hem zouden komen, en de metgezellen vroegen: “Wat moeten wij doen als zulke leiders opstaan?”heeft hij (صلى الله عليه وسلم) hen geen opstand aangeraden, maar antwoordde:“Wordt dat dan nog gevraagd? Aan wie oproept tot ongehoorzaamheid aan Allah, is geen gehoorzaamheid verschuldigd.”
Dit principe komt in verschillende bewoordingen terug in de ahadieth:
"Er is geen gehoorzaamheid in wat leidt tot ongehoorzaamheid aan Allah"
"Wie Allah niet gehoorzaamt, wordt niet gehoorzaamd"
"Er is geen gehoorzaamheid aan wie oproept tot zonde"
In zulke gevallen is men niet verplicht om te gehoorzamen. Zoals de geleerden aangeven: als men in staat is om niet te gehoorzamen, maar toch gehoorzaamt aan een zondig bevel, dan begaat men daarmee een harām handeling.
Geen blinde gehoorzaamheid aan de Imām
Er is een gebeurtenis die aanleiding gaf tot het krachtig en herhaald benadrukken van dit principe: dat men niet blindelings mag gehoorzamen aan een leider die tot zonde oproept.
Volgens meerdere ḥadīth-verzamelingen, met kleine verschillen in formulering, zond an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) een militaire groep uit onder het bevel van een commandant uit de Anṣār. Hij beval de soldaten om hun leider te gehoorzamen.
Tijdens de expeditie werd de commandant op een bepaald moment boos op zijn mannen. Hij beval hen om hout te verzamelen en een groot vuur aan te steken. Toen het vuur hevig begon te branden, gaf hij hun het bevel: “Gooi jezelf in het vuur.”
Sommige soldaten stonden op om dat te doen, maar anderen bleven bij het vuur staan en zeiden: “Wij hebben ons aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) onderworpen om ons tegen het Vuur te beschermen en zouden wij er dan vrijwillig inspringen?”Zij gingen er dus niet in. Intussen bedaarde de woede van de commandant.
Na terugkeer werd deze gebeurtenis aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) verteld, waarop Hij antwoordde: “Als zij erin waren gegaan, dan zouden zij er nooit meer uitgekomen zijn. Er is geen gehoorzaamheid in zonde jegens Allah. Gehoorzaamheid bestaat slechts in wat juist (maʿrūf) is, dat wat door het verstand en de sharīʿah als goed wordt erkend.”
Wanneer mag men in opstand komen tegen de Imām?
Uit de eerder vermelde aḥādīth blijkt dat gehoorzaamheid aan de imam begrensd is. Toch kunnen we zeggen dat het moeilijk is om deze grenzen met absolute duidelijkheid vast te stellen. Niettemin, wanneer sommige toelichtingen in acht worden genomen, wordt duidelijk dat het meest duidelijke criterium in deze kwestie “openlijke ongeloof/kufr handeling” is. Dat wil zeggen: als de Imām vervalt in een vorm van openlijke kufr die op geen enkele manier te interpreteren of vergoelijken valt, dan is er geen verplichting tot gehoorzaamheid meer.
In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī staat de volgende overlevering van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه), waarin het criterium van “zolang hij geen openlijke kufr begaat” wordt vastgesteld als grens voor gehoorzaamheid aan de Imām:
“An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) riep ons op om hem trouw te zweren (bayʿah). Wij gingen naar hem toe en legden hem de bayʿah af.
Onder de voorwaarden die hij ons daarbij stelde, was ook deze: luisteren en gehoorzamen, zowel in datgene waar wij tevreden over zouden zijn als waar wij een afkeer van zouden hebben; in tijden van armoede en in tijden van voorspoed; en zelfs wanneer de leiders egoïstisch zouden handelen en hun positie voor eigen voordeel zouden gebruiken. Eveneens werd van ons geëist geen strijd aan te gaan met degenen in gezag, tenzij wij een duidelijke, ondubbelzinnige kufr van hen zouden waarnemen waarvoor wij van Allah een helder bewijs hadden.”
De ʿulamāʾ benadrukken, op basis van de term “openlijke kufr”, dat de plicht tot gehoorzaamheid niet vervalt bij twijfelachtige zaken of bij daden of ideeën die via interpretatie (taʾwīl) als kufr worden gekwalificeerd. Opstand is dan niet toegestaan. Kufr moet gebaseerd zijn op een overduidelijk bewijs (nass), dat ofwel uit een āyah uit de Qur’ān of uit een ṣaḥīḥ ḥadīth moet komen, en dat geen ruimte laat voor uitleg of interpretatie.
Ruzie over het leiderschap
De ʿulamāʾ stellen op basis van de term “ruzies over het leiderschap” (nizāʿ fī al-makām) in de ḥadīth dat het enige legitieme excuus om een Imām af te zetten of daartoe pogingen te doen, het vervallen in “openlijke kufr” is. Als dit ontbreekt, dan is het niet toegestaan om vanwege immoreel gedrag (fisq), onderdrukking of tirannie in opstand te komen tegen het gezag van de Imām. Wanneer de Imām geen kufr heeft begaan, dan is het juist gepast om hem met zachtheid en op gepaste wijze op zijn fouten te wijzen. Dit is niet verboden, maar juist aanbevolen.
Daarom is het, om geen aanleiding te geven tot fitnah binnen de gemeenschap, niet toegestaan om te tornen aan de positie of het gezag van leiders, zolang zij niet in “openlijke kufr” vervallen. Tot die tijd wordt het aangeraden om met het uiterste geduld persoonlijke offers te brengen en te verdragen.
Imām an-Nawawī (رحمه الله) zegt hierover: “Tegen khaliefen mag men niet in opstand komen vanwege hun onrechtvaardigheid of zonden, zolang zij geen van de fundamentele principes van de islam aantasten.”
Wij willen deze kwestie samenvatten met een passage die door Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī (رحمه الله) is overgeleverd: “Over de kwestie van een onrechtvaardige Imām zijn de ʿulamāʾ het over het volgende eens: Als het mogelijk is om hem zonder fitnah en onderdrukking van zijn troon te verwijderen, dan is dit verplicht. Zo niet, dan is geduld verplicht. Sommigen zeggen: een zondaar (fāsiq) mag in de eerste plaats niet aangesteld worden. Als iemand die eerder rechtvaardig was, later vervalt in zonden en onderdrukking, dan verschillen de geleerden over de vraag of men hem moet bestrijden en tegen hem in opstand moet komen. De correcte mening is dat opstand verboden blijft zolang hij niet in kufr vervalt. Als hij wel in kufr vervalt, dan is opstand verplicht.”
Zo probeerden enkele Abbasidische khaliefen zoals al-Maʾmūn, al-Muʿtaṣim en al-Wāthiq de leer te verspreiden dat “de Qur’ān geschapen is” – een uitspraak die door de ʿulamāʾ als bidʿah werd beschouwd. In dit streven gingen ze zo ver dat ze geleerden martelden, gevangen zetten en zelfs doodden. Toch heeft geen enkele geleerde op basis van deze daden opstand tegen hen verplicht verklaard.
Ibn Ḥajar besluit met de volgende uitspraak: “De verplichting om in opstand te komen tegen een ongelovige Imām is vastgesteld door ijmāʿ (unanieme consensus) en rust op iedere moslim. Wie daartoe in staat is, verdient daarmee beloning. Wie zijn ogen ervoor sluit en toegeeft, is zondig. En wie het niet aankan, moet emigreren van die plek.”
Natuurlijke toestanden die afzetting van een Imām vereisen
Behalve bij openlijke ongeloof (kufr), dient een Imām afgezet en vervangen te worden als er natuurlijke toestanden optreden die hem verhinderen om de plichten van het leiderschap na te komen. Deze toestanden zijn bijvoorbeeld krankzinnigheid (waanzin), het verlies van het onderscheidingsvermogen, en als deze situatie zo lang aanhoudt dat het schade toebrengt aan de moslims of als er geen hoop meer is op genezing.
Ook doofheid, stomheid, ouderdom die tot zwakte leidt of een andere reden die de Imām belemmert in het behartigen van de belangen van de moslims, zijn reden tot afzetting. Gevangenschap door de vijand is eveneens een reden tot afzetting. Echter, ook hierbij geldt: als de gevangenschap lang duurt en de hoop op bevrijding vervliegt, dan is afzetting noodzakelijk.
Een afgezette Imām kan niet opnieuw benoemd worden
Iemand die om welke reden dan ook is afgezet en vervangen, kan niet opnieuw tot Imām benoemd worden, zelfs als de reden van afzetting later verdwijnt. Bijvoorbeeld: als iemand wordt bevrijd uit gevangenschap of geneest van een ziekte of krankzinnigheid, dan nog kan hij niet opnieuw Imām worden.
Als er geen vrees voor fitnah (onrust of verdeeldheid) is, dan is het aanvankelijk verplicht om degene met de meeste verdienste te kiezen. Maar als later iemand met meer verdienste verschijnt, dan is dit op zichzelf geen reden om de reeds aangestelde Imām (die minder verdienstelijk is) af te zetten, zolang er geen sprake is van fitnah.
Is afzetting zonder reden mogelijk?
Al-Bâqillânî stelt de vraag: “Zoals de gemeenschap het recht heeft om iemand als Imām te benoemen, heeft zij dan ook het recht om iemand zonder reden af te zetten?” Zijn antwoord luidt: “Nee, men heeft dat recht niet.” Er moet altijd een gegronde reden zijn voor de afzetting van een Imām.
Aftreden
Een andere reden die het benoemen van een nieuwe Imām noodzakelijk maakt, is het aftreden van de huidige Imām. Het aftreden van een imam wordt beschouwd als gelijk aan overlijden, en dus moet de gemeenschap (of diens opvolger) een nieuwe Imām benoemen.
Samenvattend: openlijk ongeloof is de enige legitieme reden voor opstand tegen een Imām. Zondigheid of andere redenen rechtvaardigen geen afzetting, omdat afzetting kan leiden tot chaos, conflicten en onrechtmatige moorden.
Waarom wordt zo sterk op gehoorzaamheid aangedrongen?
Zoals uit bovenstaande toelichtingen blijkt, staat de islamitische leer geen enkele concessie toe als het gaat om gehoorzaamheid aan de Imām. Behalve bij openlijke ongeloof, is er geen enkele reden toegestaan om het gezag van de Imām te verwerpen of in opstand te komen.
Hoewel sommige redenen hiervoor al eerder zijn benoemd, volgt hier nogmaals een samenvattend overzicht:
De belangrijkste reden voor deze nadruk op gehoorzaamheid is het voorkomen van fitnah (chaos en verdeeldheid). Vanwege de grote en verstrekkende schade die fitnah zowel individueel als maatschappelijk kan veroorzaken, heeft de islamitische leer haar nadruk gelegd op het voorkomen en onderdrukken ervan. Ter wille van het voorkomen van fitnah wordt van individuen maximale opoffering gevraagd. Fitnah brengt namelijk de volgende grote gevaren met zich mee:
Onschuldig bloed wordt vergoten. Zoals eerder genoemd, beschouwt de Koran het doden van een onschuldige persoon als een misdaad die gelijkstaat aan het doden van de hele mensheid.
Fitnah is gemakkelijk te beginnen, maar vrijwel onmogelijk te stoppen. Eenmaal uitgebroken, kunnen de maatschappelijke wonden die het veroorzaakt generaties lang voortbestaan. De fitnah van de Shīʿah bijvoorbeeld, ontstond in de tijd van ʿUthmān (رضي الله عنه) en ook al zijn we veertien eeuwen verder, we ondervinden er nog steeds de pijn van.
Fitnah ondermijnt de nationale eenheid en verzwakt de gemeenschap, wat de vijanden van de islam aanmoedigt om aan te vallen.
Kwaadaardige elementen binnen de samenleving maken misbruik van de situatie en ondermijnen zo de orde. Gelovigen, verdedigers van orde en stabiliteit, en degenen die de staat sterk willen houden, ondervinden altijd schade van fitnah. De islam staat slechts toe dat men op legitieme wijze het welbehagen van Allah probeert te bereiken. Het gebruik van onrechtmatige middelen is verboden. Anarchie en fitnah zijn de meest onrechtmatige vormen van handelen.
Nooit is in de geschiedenis via fitnah het gewenste doel bereikt, en dat zal ook niet gebeuren. Zoals eerder genoemd, zijn er in de geschiedenis stromingen geweest die zich via verschillende interpretaties verwijderden van de Quráanische lijn en revolutionaire ideeën aanhingen. Zij hebben soms fitnah veroorzaakt en zelfs de macht gegrepen. Maar geen van hen kon dit succes of zelfs hun bestaansrecht behouden. De eerder genoemde Muʿtazilah bijvoorbeeld, verketterden degenen die anders dachten, weigerden de zondige Imām te gehoorzamen, en gaven de indruk dynamisch en levendig te zijn. Toch konden zij hun succes niet voortzetten.
In de jaren dat zij de Abbasidische hof beheersten (218–234 H), onderdrukten zij geleerden die anders dachten met foltering, gevangenschap en moord. Deze periode behoort tot de zwartste bladzijden uit de islamitische geschiedenis.
Hadden zij hun einde niet gevonden door hun extremistische en sektarische opvattingen, dan hadden zij door hun bijdragen aan het islamitische denken, wellicht levendigheid en inspiratie gebracht in het intellectuele leven. Daarmee zouden zij misschien wel geleid hebben tot een glanzender en gelukkiger koers in de islamitische beschaving en geschiedenis.
De benoeming en aanstelling van de Imām
Om de inspanning van de islam tegen anarchie te begrijpen, is het nuttig om de principes te kennen die gevolgd moeten worden bij de benoeming van een Imām (staatshoofd). Daarom zullen we deze principes kort uiteenzetten.
Het is niet voldoende dat iemand enkel voldoet aan de eerder vermelde voorwaarden waaraan een Imām moet voldoen om tot Imām gekozen te worden. Daaraan moet de handeling van verkiezing of benoeming worden toegevoegd. Dit kan op drie manieren geschieden:
Verkiezing door ahlu’l-hall wa’l-ʿaqd, zoals bij de aanstelling van Abū Bakr (رضي الله عنه) tot khalīfah gebeurde: gekozen worden door een groep geleerden, leiders en gezaghebbende personen (ahlu’l-hall wa’l-ʿaqd) die aanwezig kunnen zijn bij de bayʿah (eed van trouw).
Benoeming door een bevoegde persoon, zoals bij de aanstelling van ʿUmar (رضي الله عنه): benoeming door een bevoegde persoon. Volgens Ahl as-Sunnah is deze bevoegde persoon ofwel an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zelf, ofwel de voorafgaande khalīfah. Het is volgens consensus (ijmāʿ) toegestaan dat een khalīfah aan het einde van zijn leven iemand als opvolger benoemt. Toen Abū Bakr (رضي الله عنه) ʿUmar (رضي الله عنه) tot zijn opvolger aanwees, verzette geen van de metgezellen zich hiertegen, wat als bewijs wordt gezien voor de legitimiteit van deze benoemingsmethode.
Overname door macht of overheersing als iemand door de dood van de Imām of met het oog op het kalifaat met geweld de macht grijpt zonder verkiezing of bayʿah, dan is zijn leiderschap (imāmah of khilāfah) alsnog geldig. Ook als deze persoon een rechtvaardige, tirannieke of openlijk zondige (fāsiq) persoon is, is het verplicht om gehoorzaam te zijn aan zijn bevelen, zolang deze niet ingaan tegen de geboden van Allah.
Een belangrijk punt bij het vaststellen van de legitimiteit van de imāmah is dat geen volledige consensus van de ahlu’l-hall wa’l-ʿaqd vereist is over één persoon. Hiervoor is noch een rationeel noch een tekstueel bewijs. Daarom hebben de geleerden gesteld dat de bayʿah van slechts één of twee leden van de ahlu’l-hall wa’l-ʿaqd voldoende is, zolang de kandidaat voldoet aan de gestelde voorwaarden.
De metgezellen, wier godsvrucht en nauwgezette naleving van religieuze voorschriften bekend is, verzetten zich ook niet tegen khalīfah-aanduidingen die door één of twee personen waren gedaan. Zo werd ʿUmar (رضي الله عنه) enkel door Abū Bakr (رضي الله عنه), en ʿUthmān (رضي الله عنه) door ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) gekozen, zonder dat hiervoor consensus van de hele ummah, of zelfs van alle ahlu’l-hall wa’l-ʿaqd in Madīnah werd gezocht.
Enkele principes
Ter ondersteuning van het imāmah-begrip, dat is ingesteld om onrust in de islamitische samenleving te voorkomen, kunnen we kort enkele aanvullende principes vermelden:
1. De bay`ah moet openbaar zijn
Sommige geleerden stelden dat de bay`ah (eed van trouw) openbaar moet plaatsvinden in aanwezigheid van getuigen. Imam al-Juwaynî zegt:“Als dit niet gebeurt, zou iemand anders in het geheim kunnen beweren dat hij Imām is en daarmee voorrang heeft op de openbaar benoemde leider. Om dit te voorkomen is openbaarheid vereist.”Hij voegt hieraan toe:“De imāmah is immers niet minder dan het huwelijk, en zelfs een huwelijk moet in aanwezigheid van getuigen worden voltrokken.”
2. Er is slechts één Imām toegestaan
Om eenheid binnen de islamitische wereld te behouden en de fitnah (chaos en verdeeldheid) van verdeeld leiderschap te voorkomen, benadrukt de Sunnah dat er slechts één Imām mag zijn.Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een Imām trouw zweert (bay`ah) en hem de hand van loyaliteit geeft, laat hem hem gehoorzamen voor zover hij daartoe in staat is. En als een ander komt om met de eerste te strijden, sla dan zijn nek af.” (Muslim)
In een andere overlevering, toen men vroeg wat te doen als er meerdere imams zouden opstaan, zei hij: “Blijf trouw aan jullie eerste bay`ah en vervul jullie verplichtingen jegens hem.”Sommige overleveringen zeggen zelfs met nadruk: “Dood de tweede, wie hij ook is.”
Islamitische geleerden hebben op basis van deze overleveringen consensus bereikt over het feit dat er in één tijdsperiode slechts één Imām mag zijn, ongeacht of de islamitische wereld geografisch klein of groot is.
Imam al-Juwaynî stelde in zijn werk Irshād dat als de islamitische wereld zo groot wordt dat één Imām er geen controle over kan uitoefenen, het dan mogelijk zou zijn om ijtihād (juridische inspanning) te doen over het bestaan van twee imams. Latere geleerden hebben deze mening aan hem toegeschreven, maar bleven zelf vasthouden aan de regel van één Imām.
Als er toch in één tijdsperiode twee imams worden benoemd, dan is de eerste legitiem en de tweede onrechtmatig en rebels (bāghī), ongeacht hun persoonlijke kwaliteiten. Tegen de tweede wordt gevochten totdat hij zijn claim opgeeft. Als hij echter de strijd wint, dan wordt hij de legitieme Imām.
Alleen de Karrāmiyyah-sekte heeft, tegen het consensus van de metgezellen en de ummah in, beweerd dat het toegestaan is dat meerdere personen tegelijk Imām kunnen zijn.
De nadruk op het principe van één Imām is dan ook voortgekomen uit de angst voor fitnah en het uiteenvallen van de orde.
Een soldaat moet de sultan gehoorzamenIn de Qur’ān wordt vermeld dat toen koningin Balqīs het dreigende schrijven van Sulaymān (عليه السلام) ontving en overlegde met haar leger, haar soldaten als volgt antwoordden:قَالُواْ نَحۡنُ أُوْلُواْ قُوَّةٖ وَأُوْلُواْ بَأۡسٖ شَدِيدٖ وَٱلۡأَمۡرُ إِلَيۡكِ فَٱنظُرِي مَاذَا تَأۡمُرِينَ ٣٣
Zij zeiden: “Wij hebben veel macht en grote kwaliteiten voor de oorlog, maar jij bent het die het bevel moet voeren, denk dus na wat je zult bevelen.” (surah an-Naml 27:33)
Sommige Qurʾān-uitleggers hebben deze uitspraak opgevat als:"Wij zijn sterke mannen, bedreven in strijd en oorlog. Wij kennen geen politiek of overleg. Zeg ons maar wat we moeten doen, dan voeren wij het uit."De bekende mufassir Elmalılı Hamdi Yazır (رحمه الله) stelt dat — hoewel uit de eerdere uitspraak "Geef mij raad" kan worden opgemaakt dat behalve soldaten ook andere vooraanstaanden aanwezig waren in het gezelschap, dit vers toch onmiskenbaar de mentaliteit van het leger weerspiegelt en daarom een betekenisvolle aanwijzing is.
Wees op uw hoede tegenover machthebbersIn sommige aḥādīth wordt erop gewezen dat fitnah (maatschappelijke onrust) in de samenleving vaak zal ontstaan vanuit de groep van machthebbers (ʾumarāʾ). Daarom wordt aangeraden afstand te houden van dergelijke leiders.
In meerdere overleveringen waarschuwt an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) dat er na hem imams zullen komen die afwijken van de rechte leiding. Hij benadrukt herhaaldelijk dat zijn grootste vrees voor zijn ummah betrekking heeft op het verderf en de vernietiging die deze leiders zullen veroorzaken.
De beste manier om beschermd te blijven tegen het kwaad van zulke leiders, is:– geen nauwe banden met hen aangaan,– hen niet volgen,– geen opstand ontketenen die leidt tot fitnah,– hen slechts met tegenzin gehoorzamen.
In een overlevering van at-Tirmidhī staat:"Na mij zullen er (slechte) leiders over jullie worden aangesteld.
Wie zich met hen inlaat, hun leugens gelooft en hen helpt in hun onrechtvaardigheid, die behoort niet tot mij en ik behoor niet tot hem. Zulke mensen zullen mij niet ontmoeten bij de Ḥawḍ al-Kawthar. Maar wie zich niet met hen inlaat, hen niet helpt in hun onrechtvaardigheid en hun leugens niet gelooft, die behoort tot mij, en ik behoor tot hem. Hij zal mij ontmoeten bij de Ḥawḍ al-Kawthar."
DERDE PARAGRAAF:Diverse juridische bepalingen
1.(45) Van ʿAmr ibn Abī Aḥwaṣ (رضي الله عنه):Ik was getuige van de afscheidsḥaj met an-Nabie (صلى الله عليه وسلم). (Hij hield een preek) prees Allah (جل جلاله), loofde Hem, herinnerde (de mensen) en gaf een vermaning. Daarna zei hij:‘Wat voor een heilige dag is dit?’Zij zeiden: ‘De dag van al-Ḥaj al-Akbar (de Grote Haj-Dag).’Hij zei: ‘Voorwaar, jullie bloed, jullie bezittingen en jullie eer zijn voor jullie onderling verboden, zoals de heiligheid van deze dag, in deze stad, in deze maand.
Laat niemand de schuld van een ander dragen: een dader draagt slechts (de gevolgen) van zijn eigen daad, noch draagt een vader (de zonde) van zijn zoon, noch een zoon (de zonde) van zijn vader.
Weet dat de moslim de broeder is van de moslim. Het is dus voor een moslim niet toegestaan om iets van zijn broeder te nemen, behalve wat hij vrijwillig toestaat.
Weet dat alle vormen van rente uit de jahiliyyah zijn afgeschaft. Jullie hebben recht op jullie oorspronkelijke kapitaal; jullie doen geen onrecht en jullie worden niet onrechtvaardig behandeld. De rente van al-ʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib is geheel afgeschaft.*
Weet dat ook al het bloedvergieten uit de tijd van de jahiliyyah is afgeschaft. En het eerste bloed(wraak) dat ik afschaf, is het bloed(wraak) van al-Ḥāriṯ ibn ʿAbd al-Muṭṭalib**, hij werd als zuigeling gevoed bij de stam van Banū Layth, en hij werd door Hudhayl (per abuis) gedood.
Behandel de vrouwen goed, want zij zijn als krijgsgevangenen (عَوانٌ) onder jullie.
Jullie bezitten niets over hen behalve in het geval dat zij zich schuldig maken aan een duidelijke zedenschennis. Als zij dat doen, mijd hen dan in de bedden en sla hen met een slag die niet pijnlijk is. Als zij jullie gehoorzamen, zoek dan geen weg tegen hen.
Voorwaar, jullie hebben rechten op jullie vrouwen en jullie vrouwen hebben rechten op jullie.Jullie recht op jullie vrouwen is dat zij niemand in jullie huizen toelaten van wie jullie dat niet willen, en dat zij niemand in jullie bed brengen van wie jullie een afkeer hebben.En hun recht op jullie is dat jullie hen op een goede manier kleden en voeden.
En voorwaar, de shayṭān heeft de hoop opgegeven dat hij ooit nog aanbeden zal worden in jullie land. Maar hij zal tevreden zijn met gehoorzaamheid (aan hem) in de zaken die jullie als klein beschouwen van jullie daden en hij zal daarmee tevreden zijn.’
(Overgeleverd door at-Tirmidhī Fiten: 2, (2610); Tefsir: 2, (3087), en hij verklaarde het als ṣaḥīḥ) en Muslim, Hacc: 194, (1218)
[*: In deze uitspraak lijkt er een uitzondering te zijn gemaakt voor de rente van al-‘Abbās, en men zou kunnen begrijpen alsof zelfs het kapitaal (de hoofdsom) is opgegeven. Maar zoals de ḥadīth-excegeten (shâriḥūn) hebben aangegeven, is dat niet het geval. Want in de ḥadīth wordt uitdrukkelijk vermeld dat wat afgeschaft is, de rente is.
In sommige overleveringen komt het als volgt voor: “De eerste rente die wordt afgeschaft is de rente van al-‘Abbās.”an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft al-‘Abbās, die in zijn tijd een bekende “bankier” was, met name genoemd om het verbod op rente tastbaarder te maken. Het feit dat al-‘Abbās een naaste bloedverwant was, droeg bij aan de ernst en de effectiviteit van deze mededeling.
En net zoals hij zijn bloedverwant als voorbeeld gaf bij de afschaffing van rente, zou hij dat ook doen bij de afschaffing van bloedvergieten. De ogenschijnlijke uitzondering in de formulering zou een fout kunnen zijn die door de overleveraars is gemaakt.
**: De shâriḥūn leggen op basis van andere overleveringen uit dat er in deze naam een tashīf (verschuiving of fout in het overleveren of opschrijven van een naam) is opgetreden, en dat de bedoelde persoon niet al-Ḥāriṯ, maar Rabīʿah ibn al-Ḥāriṯ is, de werkelijke bloedverwant in kwestie.]
[Deze hadith is een fragment uit de afscheidsrede (Khuṭbah al-Wadāʿ) van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم). Deze rede is door vele metgezellen overgeleverd. Omdat ieder van hen slechts overleverde wat hij zich kon herinneren, vertonen de verschillende versies van de tekst enige verschillen. Ook de volgende ahadieth houden verband met deze khutba.
De Afscheidsrede is om meerdere redenen van groot belang:
Allereerst werd deze rede uitgesproken in de laatste periode van het leven van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم). Zoals bekend vond de afscheidsḥaj plaats in het tiende jaar na de hidjrah. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bevond zich in de laatste maanden van zijn leven en zou kort daarna overlijden. Tijdens deze ḥaj werd ook de volgende āyah geopenbaard (betekenis):
ٱلۡيَوۡمَ أَكۡمَلۡتُ لَكُمۡ دِينَكُمۡ وَأَتۡمَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ نِعۡمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلۡإِسۡلَٰمَ دِينٗاۚ" …Vandaag heb Ik de godsdienst voor jullie voltooid en Mijn gunst voor jullie volmaakt en heb de Islam voor jullie als godsdienst gekozen…” (surah al-Mā’idah, 5:3)
Met de uitdrukking al-Ḥajj al-Akbar (de Grote Bedevaart) in de hadith wordt de offerdag (yawm an-naḥr) bedoeld. Sommigen zeggen dat hiermee de dag van ʿArafah bedoeld wordt, maar de correcte opvatting is dat het om de offerdag gaat. De term al-Ḥaj al-Akbar wordt gebruikt om het onderscheid aan te geven met de ʿumrah, die ook wel al-Ḥajj al-Aṣghar (de Kleine Bedevaart) wordt genoemd. Andere interpretaties met betrekking tot deze term zijn ongegrond.
De inhoud van de khutba is ook van groot belang. Het behandelt serieuze kwesties en maakt een einde aan vele gebruiken uit de tijd van de onwetendheid (jāhiliyyah) die tot dan toe voortbestonden. Zo wordt in deze khutba het wraakrecht (bloedschuld) afgeschaft, evenals de riba (rente); de rechten tussen man en vrouw worden verduidelijkt, het gebruik van de maankalender wordt bevestigd en de rites van de ḥaj worden vastgesteld.
Sommige hedendaagse auteurs beschouwen de afscheidsrede als een verklaring van mensenrechten of vrouwenrechten binnen de islam. En inderdaad: het bevestigen van de onaantastbaarheid van bezit, leven en eer was historisch gezien een ongekende gebeurtenis.
De mensenrechtenverklaring van de Verenigde Naties in de 20e eeuw gaat zeker in op meer details, maar is grotendeels op papier gebleven en is dat nog steeds.
De boodschap van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), die als barmhartigheid voor de werelden is gezonden, is daarentegen in de harten, zielen, verstand en gedachten gegrift. Zelfs in de hoogtijdagen van de islamitische beschaving, ongeacht iemands taal, geloof of huidskleur, was men in islamitische gebieden veilig wat betreft bloed, bezit en eer en kon men in vrijheid leven.
In tegenstelling daarmee hebben onder Europese overheersing hele volken te lijden gehad onder uitroeiing, zijn talen en religies door geweld en verboden uitgewist, en zijn er vele beschavingen volledig van de aardbodem verdwenen.
4 – Enkele punten met betrekking tot vrouwen dienen te worden toegelicht:
Zoals in de overlevering vermeld staat, is het uitgangspunt dat de man zijn vrouw op goede wijze behandelt. De man heeft bepaalde rechten over zijn vrouw, maar ook zij heeft rechten over haar man. Geen van beiden mag van de ander méér eisen dan deze onderlinge rechten toestaan. De verplichtingen van de man tegenover zijn vrouw zijn onder andere de verzorging van levensonderhoud: voedsel, kleding en huisvesting.
Onze religie heeft de minimale vereisten hiervan vastgesteld met inachtneming van de omstandigheden van de tijd, de gebruiken, en het economische niveau van de familie waaruit de vrouw afkomstig is. In onze fiqh-boeken wordt uitgebreid op deze kwesties ingegaan. Zonder in details te treden, noemen we hier de hoofdprincipes waarover consensus (ijmāʿ) bestaat onder de islamitische geleerden:
Het huwelijk is geen arbeidscontract waarbij de vrouw verplicht is om huishoudelijke taken te verrichten. Daarom is zij niet verplicht om huishoudelijke taken te doen zoals koken, schoonmaken, of de was doen, noch buitenshuis te werken zoals in een winkel, op het veld of het verzorgen van dieren.
De vrouw heeft het recht om een dienstmeid in dienst te nemen op kosten van haar man, zodat deze taken worden uitgevoerd. De man is verplicht om het eten voor zijn vrouw klaar en bereid aan te leveren. Als de vrouw toch een deel van de huishoudelijke taken verricht, doet zij dat niet uit een juridische verplichting, maar als een vorm van vriendelijkheid, gebruik of traditie.
Als zij weigert deze taken te doen, kan haar man haar daartoe niet dwingen, en begaat zij daarmee ook geen zonde.
De religieus-juridische plichten die haar wel toekomen zijn: niet zonder toestemming het huis verlaten, geen mensen binnenlaten die haar man niet wenst, en op zijn uitnodiging ingaan wanneer hij haar tot het bed roept.
De kwestie van het slaan van de vrouw
Wat betreft het slaan van de vrouw, heeft onze religie hier onder strikte voorwaarden ruimte voor geboden. Dit is naast de hadieth die hierboven vermeld werd – ook in de Qur’ān aan bod gekomen. De vermelding in de Qur’ān zelf geeft aan dat deze kwestie van bijzonder belang is.
Volgens ons is het feit dat deze kwestie in de Qur’ān behandeld wordt, een bescherming van de vrouwen. Want zoals ook in de meest ontwikkelde landen van vandaag nog voorkomt, zijn vrouwen in elk tijdperk en in elke samenleving geslagen. En het lijkt erop dat deze realiteit zal blijven voortbestaan tot aan de Laatste Dag. Het lijkt een natuurlijk gevolg te zijn van de complexe aard van man-vrouwrelaties. In noodzakelijke interacties tussen mensen is het moeilijk altijd het middenpad te bewandelen. Overdrijving en nalatigheid, tevredenheid en woede, liefde en haat wisselen elkaar af. Het gevolg hiervan zijn woordenwisselingen, ruzies, vechtpartijen en zelfs moorden.
Over zulke realiteiten kan geen wetgeving zijn in de trant van “dit mag nooit gebeuren”. De islam erkent deze realiteit en probeert haar volgelingen binnen redelijke grenzen te houden en te remmen. Eigenlijk is het tonen van het middenpad (al-wasaṭ) in alle kwesties de kerngeest van de islam.
Na deze korte toelichting komen we bij het eigenlijke onderwerp:
In de Qur’ān is de volgende āyah opgenomen:
وَٱلَّٰتِي تَخَافُونَ نُشُوزَهُنَّ فَعِظُوهُنَّ وَٱهۡجُرُوهُنَّ فِي ٱلۡمَضَاجِعِ وَٱضۡرِبُوهُنَّۖ فَإِنۡ أَطَعۡنَكُمۡ فَلَا تَبۡغُواْ عَلَيۡهِنَّ سَبِيلًاۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلِيّٗا كَبِيرٗا ٣٤
… En wat betreft hen (echtgenotes) waarvan jullie ongehoorzaamheid vrezen: waarschuw hen (eerst), weiger (vervolgens) het bed met hen te delen, en (als dat niet helpt) slaat hen (licht). Indien zij weer gehoorzaam zijn, zoek dan niets tegen hen. Waarlijk, Allah is Verheven, Groots. [Sūrah an-Nisā’, 4:34]
Let op: deze āyah verbindt het slaan van de vrouw aan meerdere voorwaarden.
1- Een Wettige Reden:
In de Qur'ān wordt deze reden aangeduid met het woord "nushūz". In het Nederlands wordt dit meestal vertaald als "ongehoorzaamheid/opstandig gedrag/afwijkend gedrag". In het Arabisch betekent het woord letterlijk "uit de hoogte". De vroege islamitische geleerden (as-Salaf) hebben deze term uit de Qur’aan, wanneer het betrekking heeft op een vrouw, als volgt geïnterpreteerd:
Overtreding tegen haar echtgenoot
Geen parfum gebruiken voor haar man
Haar man lichamelijk onthouden van zichzelf
Haar eerdere gedrag jegens haar man veranderen
Haar liefde voor hem niet tonen
Weigeren te wonen in het huis dat haar man heeft aangewezen, en in plaats daarvan elders willen wonen
Samengevat kunnen we zeggen dat het gaat om het niet nakomen van de plichten tegenover haar echtgenoot. Voor ongehoorzaamheid in zaken die geen religieuze plicht zijn, zoals het niet verrichten van huishoudelijk werk, heeft de man géén recht om haar te slaan.
In de Afscheidsrede van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) wordt het gedrag dat het slaan van een vrouw toelaatbaar maakt niet aangeduid met het woord nushūz, maar met het woord "fāḥisha", wat wij eerder hebben vertaald als "iets schandelijks". We hebben bewust niet gekozen voor de letterlijke vertaling "ontucht", omdat dat in onze taal automatisch verwijst naar zina (overspel).
Hier kan zina echter niet bedoeld zijn, aangezien op overspel in de islam de straf van steniging (rajm) staat, en dat kan dus niet afgehandeld worden met een eenvoudige bestraffing als slaan. Daarom is het niet correct om de term fāḥisha uit de preek uit te leggen als zina en daarmee het begrip nushūz uit de Qur’ān te willen verduidelijken.
2. De wijze en mate van straf:
Hoewel een vrouw in geval van een gegronde reden geslagen mag worden, is dit slechts het allerlaatste redmiddel. Allereerst moet men haar vanwege haar opstandige houding raad geven en proberen haar met zachtheid tot inkeer te brengen. Als dat geen effect heeft, wordt het bed van haar gescheiden. Dit gebeurt door zich van haar af te keren en niet meer met haar te spreken. Sommigen hebben gezegd dat men in een apart bed slaapt. Als ook deze straf geen effect heeft, wordt slaan wettelijk toegestaan.
De Islam heeft echter ook hier een vernieuwing gebracht door de mate van slaan te bepalen, namelijk dat het niet pijnlijk of hard mag zijn.
Dus heeft de Islam, een menselijke realiteit die in alle tijden en op alle plekken op aarde aanwezig is gebleven, aan strikte voorwaarden gebonden en gereformeerd ten gunste van de vrouw. Het heeft deze praktijk tot een minimum teruggebracht en zo min mogelijk schadelijk gemaakt.
Elmalılı Hamdi Efendi maakt bij zijn uitleg van het vers waarin het slaan van de vrouw ter sprake komt de volgende voetnoot. We achten het passend om die hier letterlijk op te nemen:
“Hier kan de vraag gesteld worden: ‘Mag een vrouw geslagen worden?’ Ja, men mag haar niet slaan, maar men moet ook niet vergeten dat met ‘vrouw’ in deze uitdrukking niet bedoeld wordt: een opstandige (nāshiza) of opzettelijk rebelse (āsiya) vrouw.
Afhankelijk van de situatie, kan het soms zijn dat een paar lichte klappen, om een woedende vrouw die door haar drift richting verlies van waardigheid gaat, weer vrouwelijkheid en eerbied bijbrengen, en zo een nuttige les zijn.
Dichter Ziya Paşa zei:‘Wie niet met raad tot inzicht komt, moet men met berisping bestraffen.Wie niet tot inkeer komt met berisping, verdient slaag.’
In onze tijd zien we dat sommige Europeanen het Qur’anvers “en slaat hen” verdraaien en op hun tong nemen om kritiek te leveren.
Maar hoe merkwaardig is het toeval, dat precies toen wij met de uitleg van dit vers bezig waren, de kranten meldden dat een Franse rechtbank in een zaak waarin een vrouw was geslagen door haar man, oordeelde:
“Een vrouw die haar man tot drift heeft gebracht door haar opvliegende gedrag, heeft geen recht om echtscheiding te eisen vanwege de klappen die ze gekregen heeft.”
3- Het laatste deel van de hadith gaat over bepaalde zonden waar men geen waarde aan hecht:
“De duivel heeft begrepen dat hij in jullie streek nooit meer aanbeden zal worden. Maar in zaken die jullie onbelangrijk achten, zal gehoorzaamheid aan hem voortduren, en dat zal hem tevreden stellen.”
De hadieth-excegese geleerden hebben hieruit begrepen dat er in Makkah en omgeving geen terugkeer naar afgoderij in de vorm van het aanbidden van beelden zal zijn. Dat sommige bedoeïenen na het overlijden van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) afvallig zijn geworden, doet daar niets aan af, want deze gevallen waren geen terugkeer naar de oude afgoderij.
De hadith waarschuwt echter dat bepaalde grote zonden zoals moord of roof, en ook ogenschijnlijk kleine zonden die men niet ernstig neemt omdat men denkt: “dit is toch geen afgoderij”, toch als gehoorzaamheid aan de duivel gelden – en dat is al voldoende om hem te behagen. Deze hadith spoort daarom aan om ook kleine zonden te vermijden.
De islamitische geleerden hebben herhaaldelijk benadrukt dat het volharden in kleine zonden een grote zonde wordt. Sommigen zijn zelfs nog verder gegaan en hebben gezegd dat er in iedere zonde een weg naar ongeloof schuilt, of deze nu groot of klein is.
2.(46) Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei tijdens de Ḥajjat al-Wadāʿ (het Afscheidsbedevaart):
“Weten jullie welke maand de grootste heiligheid kent?”Zij zeiden: “Onze huidige maand.”Hij zei: “Weten jullie welke stad de grootste heiligheid kent?”Zij zeiden: “Onze huidige stad.”Hij zei: “Weten jullie welke dag de grootste heiligheid kent?”Zij zeiden: “Onze huidige dag.”
Toen zei hij: “Waarlijk, Allah heeft jullie bloed (levens), jullie bezittingen en jullie eer onderling verboden verklaard, behalve op rechtmatige wijze – net zoals de heiligheid van jullie dag, in jullie maand, in jullie stad.Heb ik (de boodschap) overgebracht?” (Hij herhaalde dat drie keer).
En telkens antwoordden zij: “Ja.”
Toen zei hij: “Wee jullie! Of (hij zei:) Schande over jullie als jullie na mijn dood als ongelovigen terugkeren door de een de ander zijn nek af te hakken (d.w.z. elkaar te bevechten).”
(Overgeleverd door Buhârî, Hudud: 9, Riyât: 2, Hacc: 132, Meğâzi: 77, Fiten: 8, Edeb: 43; Müslim, İman: 120 (66); Ebu Dâvûd, Sünne: 16, (4686), met de bewoording van al-Bukhāri.
2.(47) Van Abū Bakrah Nufayʿ ibn al-Ḥārith ath-Thaqafī (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: "De tijd is in zijn oorspronkelijke staat teruggekeerd/ ordening hervonden, zoals op de dag waarop Allah de hemelen en de aarde schiep. Het jaar telt twaalf maanden, waarvan er vier heilig zijn.
Drie zijn opeenvolgend: Dhū al-Qaʿdah, Dhū al-Ḥijjah en al-Muḥarram, en Rajab van (de stam) Muḍar, die tussen Jumādā (al Akhirah) en Shaʿbān ligt."Toen vroeg hij: "Welke maand is dit?"Wij zeiden: "Allah en Zijn Boodschapper weten het het best."Hij zweeg, totdat wij dachten dat hij het een andere naam zou geven. - "Is het niet Dhū al-Ḥijjah?"- "Zeker."- "En welke stad is dit?"- "Allah en Zijn Boodschapper weten het het best."Hij zweeg, totdat wij dachten dat hij het een andere naam zou geven. - “Is het niet (de stad) al-Baldah (Makkah)?"- "Zeker."- "En welke dag is dit?"- "Allah en Zijn Boodschapper weten het het best."Hij zweeg, totdat wij dachten dat hij het een andere naam zou geven. - "Is het niet de (eerste) dag van an-Naḥr (offerfeest)?"- "Zeker."- "Voorwaar, jullie levens, jullie bezittingen" – Muḥammad (een van de overleveraars) voegde eraan toe: "en jullie eer" – "zijn voor jullie onderling even heilig als de heiligheid van deze dag, in deze maand en in deze stad.Jullie zullen jullie Rabb ontmoeten, en Hij zal jullie ondervragen over al jullie daden. Weest er toch voor op jullie hoede dat jullie na mij niet terugkeren tot dwaling, waarbij jullie elkaar de hals doorsnijden. Laat degene die aanwezig is, (mijn woorden) verbrengen aan de afwezige. Het kan zijn dat iemand aan wie (deze woorden) wordt overgebracht het beter begrijpt dan degene die het rechtstreeks heeft gehoord."En wanneer Muḥammad (een van de vertellers) dit vertelde, zei hij: "Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) sprak de waarheid."Daarna zei hij twee keer: "Heb ik (de boodschap) overgebracht?
Heb ik overgebracht?"Wij zeiden: “Ja.”Hij zei: “O Allah, wees getuige.”Muslim (رحمه الله) voegde eraan toe:
Daarna keerde hij zich naar twee grijswitte rammen en slachtte ze, en verdeelde een deel van de schapen onder ons.
Het woord "يُغَلّ" (yughallu) komt van "الغلّ" wat bedrog of verraad betekent, en het wordt ook geïnterpreteerd als 'een stukje schaap'. De betekenis is dat deze drie eigenschappen de harten zuiveren; wie zich eraan houdt, zijn hart wordt gereinigd van verraad, onoprechtheid en slechtheid.”(Overgeleverd door Buhârî, Hacc: 132, Edâhî: 5; Tefsîr, Berâe: 8, Bed'i'l-Halk: 2, Fiten: 8, İlm: 9; Müslim, Kasâme: 29, (1679); Ebu Dâvûd, Hac: 63, (1947).
[De afscheidskhutbah, die vol zit met talloze fiqh-regels en wijsheden, is reeds besproken bij de uitleg van hadith nummer 45, waar enkele belangrijke punten zijn aangestipt. Een aantal andere zaken zullen we hier toelichten:
1. De uitspraak in de hadith:
"De tijd is in zijn oorspronkelijke staat teruggekeerd/ordening hervonden, zoals op de dag waarop Allah de hemelen en de aarde schiep…", behoeft nadere uitleg.
In het laatste jaar van zijn leven bracht an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) een belangrijke hervorming aan: een kalenderhervorming. Tot die tijd hield Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zich aan het kalendersysteem dat afkomstig was uit de tijd van de jahiliyyah en werd gevolgd door de polytheisten. Dit systeem was gebaseerd op de maankalender, maar door het toepassen van de verschuiven/uitstellen van de heilige maanden (nasīʾ), namelijk om ervoor te zorgen dat de heilige maanden samenvielen met de handelsseizoenen, was de volgorde van de maanden ernstig in de war geraakt.
(Nasīʾ (النسيء) betekent letterlijk: uitstel, verplaatsing of vertraging.
In islamitisch-historische context verwijst het naar een praktijk in de tijd van de djāhiliyyah (voor-islamitische periode) waarbij de volgorde van de heilige maanden werd aangepast).
Volgens uitleg van de commentatoren was een andere oorzaak van de verwarring dat men in sommige jaren een heilige maand als niet-heilig beschouwde, en in plaats daarvan een andere maand als heilig verklaarde.
De Arabieren hielden zich, sinds de tijd van Ibrāhīm en zijn zoon Ismāʿīl (عليهما السلام), aan het respecteren van bepaalde maanden als heilig (ḥarām). Vier maanden van het jaar werden als ḥarām beschouwd: drie daarvan kwamen na elkaar — Dhūl-Qaʿdah, Dhūl-Ḥijjah en Muḥarram — en de vierde was Rajab.
Tijdens de ḥarām-maanden hield men zich strikt aan bepaalde verboden: men pleegde geen plunderingen, overvallen, oorlog, moord of zelfs wraak. Wie zich hier toch aan bezondigde, werd zwaar bekritiseerd en als zondaar gezien. Zo werd in die maanden zelfs geen wraak genomen. Iemand kon bijvoorbeeld de moordenaar van zijn vader tegenkomen, maar zou hem niet lastigvallen of kwaad doen. Men hield zich in deze maanden meer bezig met aanbidding.
Toch bracht het feit dat drie van de ḥarām-maanden opeenvolgend waren, bepaalde moeilijkheden met zich mee. Voor stammen wier economie voornamelijk gebaseerd was op plunderingen en rooftochten, betekende dit drie maanden zonder inkomsten. Om dit probleem op te lossen, introduceerden ze het uitstellen van de heiligheid van een maand (nasīʾ). Als men bijvoorbeeld in Muḥarram moest vechten, werd die maand als niet-heilig beschouwd, en de heiligheid ervan werd overgeplaatst naar een andere maand van datzelfde jaar of het volgende jaar.
Door dit systeem kon men de verhouding van 4 heilige maanden op 12 gewone maanden zelfs verminderen en uiteindelijk de ḥaj uitvoeren in welk seizoen men maar wilde. Hiervoor verlengden zij iedere 24 maanden met één extra maand door elke 6 maanden een week toe te voegen.
Hoewel men vasthield aan de maankalender, begon men steeds meer met de zonnekalender te werken. Hierdoor ontstonden veel tegenstrijdigheden.
Door deze praktijken raakten de maanden in de war, met als gevolg dat de heilige en verboden zaken die Allah (جل جلاله) had bepaald, vermengd raakten. Zo gebeurde het bijvoorbeeld dat de ḥajj niet meer werd verricht in de maand waarin het volgens Allah verplicht was, maar in een andere maand.
Daarom beschrijft de Qurʾān deze praktijk van nasīʾ als een vermeerdering in ongeloof:
Allah veroordeelt deze praktijk duidelijk in surah at-Tawbah (9:36–37):
إِنَّ عِدَّةَ ٱلشُّهُورِ عِندَ ٱللَّهِ ٱثۡنَا عَشَرَ شَهۡرٗا فِي كِتَٰبِ ٱللَّهِ يَوۡمَ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ مِنۡهَآ أَرۡبَعَةٌ حُرُمٞۚ ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلۡقَيِّمُۚ فَلَا تَظۡلِمُواْ فِيهِنَّ أَنفُسَكُمۡۚ وَقَٰتِلُواْ ٱلۡمُشۡرِكِينَ كَآفَّةٗ كَمَا يُقَٰتِلُونَكُمۡ كَآفَّةٗۚ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلۡمُتَّقِينَ ٣٦
Waarlijk, het aantal maanden bij Allah is twaalf (in een jaar), zo was het door Allah op de dag toen Hij de hemelen en de aarde schiep bevolen; vier hiervan zijn heilig. Dat is de juiste godsdienst, doe jullie daarin geen onrecht aan en vecht gezamenlijk tegen de afgodenaanbidders, omdat zij gezamenlijk tegen jullie vechten. Maar weet dat Allah met degenen is die godvrezend zijn.
إِنَّمَا ٱلنَّسِيٓءُ زِيَادَةٞ فِي ٱلۡكُفۡرِۖ يُضَلُّ بِهِ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ يُحِلُّونَهُۥ عَامٗا وَيُحَرِّمُونَهُۥ عَامٗا لِّيُوَاطِـُٔواْ عِدَّةَ مَا حَرَّمَ ٱللَّهُ فَيُحِلُّواْ مَا حَرَّمَ ٱللَّهُۚ زُيِّنَ لَهُمۡ سُوٓءُ أَعۡمَٰلِهِمۡۗ وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٣٧
Het uitstellen (van de gewijde maanden) is zeker een toevoeging aan het ongeloof; daarmee worden de ongelovigen misleid. Want zij maken één jaar wettig en verbieden een ander jaar om het aantal maanden dat door Allah verboden is, aan te passen, en verklaren ongewijd wat Allah heilig heeft gemaakt.
Het kwaad van hun daden schijnt hen genoegen te doen. En Allah leidt het ongelovige volk niet.)
De bovengenoemde hadith maakt duidelijk dat de ḥajj van het afscheidsjaar samenviel met het jaar waarin Dhūl-Ḥijjah door de Arabieren weer als ḥarām-maand werd erkend.
Deze samenloop was in overeenstemming met de orde die Allah bij de schepping had ingesteld met betrekking tot de maanden, en vanaf dat moment heeft Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) de praktijk van nasīʾ definitief verboden en de oorspronkelijke kalender bevestigd.
2. De uitdrukking “…en Rajab van (de stam) Muḍar…” in de hadith
Deze uitdrukking duidt op de overdreven respectvolle houding die de stam Mudar had tegenover de maand Rajab.
Terwijl de stam Rabīʿah van mening was dat Rajab op een andere plek in het jaar viel (sommigen zagen het als Ramadān), hield de stam Muḍar streng vast aan de correcte positie van Rajab.
Daarom heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) Rajab aan hen toegeschreven. Volgens sommigen is dit juist omdat zij nauwkeurig de heiligheid van die maand in acht namen.
3. Enkele voordelen van deze hadith
Deze hadith bevat vele wijsheden. We noemen er enkele:
Aansporing om kennis over te dragen.
Het is toegestaan om te beginnen met leren voordat men volledig bekwaam is.
Voor kennisoverdracht is het niet noodzakelijk dat men alles volledig begrijpt.
Degenen die kennis later verkrijgen, kunnen meer begrip tonen dan degenen die het eerst leerden.
Hoewel het verboden is om op een stilstaand dier te zitten, is het bij noodzaak toegestaan. De verboden in de ahadith hebben dus vooral betrekking op het zonder noodzaak op een rijdier blijven zitten om te praten.
Op een hoge plaats staan bij het toespreken van een menigte vergemakkelijkt het verstaan en zorgt dat men de spreker goed kan zien.
Het herhalen van belangrijke boodschappen helpt bij het begrijpen en onthouden.
De metgezellen beantwoordden vragen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met: “Allah en Zijn Boodschapper weten het het best” uit eerbied en respect.
Een effectieve methode bij het overbrengen van kennis is het voorbereiden van de toehoorders.
De vragen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) over de dag, de maand en de plaats van de preek, waren — volgens de uitleg van imaam al-Qurṭubī — bedoeld om de impact van de boodschap te vergroten.
Hij zegt: Het stellen van die drie vragen, gevolgd door een stilte, diende niet om informatie te verkrijgen, maar om het begrip van de luisteraars voor te bereiden op de aankomende boodschap, hun volledige aandacht op hem te richten, en het belang en de ernst van wat hij zou gaan zeggen te benadrukken. Nadat hun geest volledig voorbereid was en hun aandacht alleen op hem gericht, riep hij luid: “Weet dat jullie bloed, jullie bezittingen en jullie eer voor elkaar heilig zijn, zoals deze dag, deze maand en deze stad heilig zijn. Laat degenen die dit horen het overbrengen aan degenen die afwezig zijn…”
4.(48) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er wordt geen kind geboren, of het wordt geboren met de fiṭrah (de natuurlijke aanleg). Lees dit vers: (فِطۡرَتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي فَطَرَ ٱلنَّاسَ عَلَيۡهَاۚ (surah ar-Rūm 30:30): waarmee Allah de mensen heeft geschapen. Vervolgens zijn het zijn ouders die hem tot jood maken, of tot christen, of tot magiër (aanhanger van het zoroastrisme). Net zoals een dier een gaaf (onbeschadigd) jong baart, zien jullie dan een met een afgehakt oor vóórdat jullie het oor afhakken?”
Zij zeiden: “O Rasulullah, hoe zit het dan met wie sterft terwijl hij nog klein is (gaat het naar het Paradijs of het Hellevuur)?”Hij zei: “Allah weet het best wat zij zouden hebben gedaan.”
De bewoording is die van al-Bukhārī en Muslim (de Shaykhayn), en de rest leverde het met soortgelijke bewoordingen over.
In een andere overlevering staat: “Er wordt geen kind geboren of het wordt geboren op deze godsdienst (islam), totdat zijn tong zich duidelijk uitspreekt.”
(Overgeleverd door de zes hadieth verzamelaars: Buhârî, Cenâiz: 80, 93; Müslim, Kader: 22, (2658); Muvatta, Cenâiz:. 52, (1, 241); Tirmizî, Kader: 5, (2139); Ebu Dâvud, Sünnet: 18, (4714); behalve an-Nasāʾī.)
[1. In deze ḥadīth wordt de opvoedkundige rol van ouders in de vorming van iemands religieuze, professionele en intellectuele identiteit benadrukt. Werkelijk, onder de factoren die het lot van naties, ten goede of ten kwade, bepalen, staat opvoeding bovenaan.
Opvoedkundige inspanningen, instellingen die daaraan gewijd zijn, en de hoeveelheid tijd die eraan wordt besteed, beïnvloeden allemaal het resultaat. In deze ḥadīth wordt als voorbeeld van de invloed van opvoeding specifiek gewezen op religie.
2. Een tweede punt dat benadrukt wordt, is de fiṭrah van het kind.an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) gaf aan dat alle kinderen geboren worden met dezelfde natuurlijke aanleg (fiṭrah): rijk of arm, zwart of wit, of het kind nu geboren is in een Europese familie of in een Afrikaanse familie, iedereen wordt geboren met dezelfde fiṭrah.
Dit betekent dat, als we alleen het moment van geboorte in ogenschouw nemen, alle mensen op dezelfde aard zijn geschapen en beschikken over gelijke fundamentele vermogens en neigingen.
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) versterkt dit punt door te verwijzen naar het vers:
(فِطۡرَتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي فَطَرَ ٱلنَّاسَ عَلَيۡهَاۚ , waarmee Allah de mensen heeft geschapen. (surah ar-Rūm, 30:30)
Verschillen tussen volken, etniciteiten of rassen ontstaan dus door externe omstandigheden, en met name door het systeem van opvoeding.
Onder dat systeem vallen zaken als: de inhoud van wat er wordt onderwezen, de ernst waarmee dat gebeurt, de duur van het onderwijs, de gebruikte middelen, technieken en methoden, zowel theoretisch als praktisch.
Sommige ‘ulamāʾ (geleerden) hebben gezegd: “Een kind wordt geboren met de erkenning van Allah en in staat om Hem te erkennen. Niemand wordt geboren zonder een aard die hem doet geloven dat er een Schepper is, zelfs als hij dit later anders benoemt, of naast Allah iets anders aanbidt.”
An-Nawawī heeft verschillende standpunten verzameld en zegt vervolgens: “Het meest correcte is dat ieder kind wordt geboren in een staat waarin het klaar is om de islam te accepteren.” Hij geeft aan dat we de ḥadīth in die geest moeten begrijpen.
3. Het derde punt dat in de ḥadīth wordt aangestipt is de raadsbesluit van kinderen die sterven vóórdat zij de puberteit (al-aql wa’l bulugh) bereiken.
De islamitische geleerden hebben hierover verschillende standpunten ontwikkeld, op basis van andere aḥādīth en enkele verzen uit de Qurʾān.
a) De meerderheid van de geleerden is van mening dat de kinderen van moslimouders het Paradijs binnengaan, omdat zij stierven vóórdat zij verantwoordelijk (mukallaf) werden.
Hoewel sommigen zich terughoudend hebben opgesteld en geen definitieve uitspraak deden, hebben anderen gewezen op de duidelijke ḥadīth van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
“Er is geen moslim die drie kinderen heeft verloren vóór de puberteit (al-aql wa’l bulugh), of Allah zal hem, uit barmhartigheid jegens die kinderen, het Paradijs schenken.”
Volgens deze ʿulamāʾ zijn degenen die zich van een oordeel onthielden onterecht te voorzichtig geweest.
b) Wat betreft de kinderen van niet-moslimouders die sterven vóór hun puberteit (al-aql wa’l bulugh), zijn er drie meningen:
De meerderheid stelt: “Zij volgen hun ouders en behoren dus tot de mensen van het Hellevuur.”
Anderen zeggen: “Er kan geen definitief oordeel over hen worden gegeven.”
Volgens een correcte opvatting die is aangenomen door muḥaqqiq-geleerden (diepgravende geleerden): “Zij behoren ook tot de mensen van het Paradijs.”
Bewijs: Een belangrijk bewijs dat deze laatste mening ondersteunt, is het Qurʾānvers:
مَّنِ ٱهۡتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهۡتَدِي لِنَفۡسِهِۦۖ وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيۡهَاۚ وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۗ وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبۡعَثَ رَسُولٗا ١٥
Iedereen die recht gaat, gaat slechts recht ten bate van zichzelf. En iedereen die dwaalt, dwaalt slechts voor zijn eigen verlies. Niemand kan de last van een ander dragen. En Wij bestraffen nooit (iemand van jullie) tot Wij een Boodschapper hebben gezonden (die verduidelijkt wat er van jullie wordt verwacht). (surah al-Isrāʾ, 17:15)
DERDE HOOFDSTUK: Losse ahādīth over het geloof (īmān) en de toetreding tot de islam"
1. (49) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: "De gelovige (mu’min) is als een gewas: de wind blijft het heen en weer buigen. En zo blijft de gelovige getroffen worden door beproevingen. En de gelijkenis van de hypocriet (munafiq) is als een cederboom — zij buigt niet totdat zij in één keer wordt omgehakt."
Overgeleverd door al-Bukhārī Mardâ: 1 en at-Tirmidhī Emsâl: 4, (2870) en Müslim, Sıfatu'l-Münâfıkûn: 58, (2809);Opmerking: al-arz (الأَرْزُ) is een dennenboom, specifiek een ceder (Libanese den), waarbij de letter "rāʾ" stil wordt uitgesproken.
[Hier wordt de mu’min vergeleken met een levend gewas dat voortdurend heen en weer buigt onder de wind, maar niet breekt en rechtop blijft staan. Volgens al-‘Aynī is de betekenis als volgt: De mu’min gelooft in Allah; de vele winden van het leven, zoals ziekte, gezondheid, gunsten en beproevingen, brengen hem niet uit balans. Zijn basisrichting verandert niet, zijn toewijding aan Allah en zijn geloof blijven onaangetast. Wanneer hij begunstigd wordt, is hij dankbaar. Wanneer hij beproefd wordt, is hij geduldig, en denkt zelfs aan de beloning die beproevingen opleveren, en dankt zijn Rab daarvoor.
De kāfir (ongelovige) of munāfiq (hypocriet) is echter niet zo. Allah wenst hem niet te beproeven met tegenspoed. Integendeel, Hij geeft hem gezondheid en gemak in wereldse zaken, zodat het voor hem in het Hiernamaals des te zwaarder zal zijn. Wanneer Allah zijn vernietiging wil, laat Hij hem plotseling vallen zoals een zware boom die in één klap omvalt. Hij sterft onder een veel zwaardere en pijnlijkere bestraffing.]
2.(50) Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: "De gelovige is als een groene boom waarvan de bladeren niet vallen en die liefde voortbrengt."
De mensen zeiden: "Het is die-en-die boom", en "het is die-en-die boom."Ik (Ibn ʿUmar) wilde zeggen: "Het is de dadelpalm," maar ik schaamde mij om iets te zeggen.Toen zei hij (Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): "Het is de dadelpalm."
Overgeleverd door al-Bukhārī İlm: 4, Edeb: 79; en Muslim Sıfatu'l-Münâfıkûn: 64, (2811)
3.(51) Van an-Nawwās ibn Samʿān (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allah de Verhevene heeft een voorbeeld gesteld van een rechte weg. Aan weerszijden van deze weg zijn twee huizen.”(In een andere overlevering staat i.p.v. twee huizen twee muren) met geopende poorten, en op die deuren hangen gordijnen.Er is een oproeper die oproept aan het hoofd van de weg, en een oproeper die erboven is, roept: وَٱللَّهُ يَدۡعُوٓاْ إِلَىٰ دَارِ ٱلسَّلَٰمِ وَيَهۡدِي مَن يَشَآءُ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٖ ٢٥
Allah roept op naar het Huis van de Vrede en leidt wie Hij wil op het rechte Pad. (surah Yunus 10:25)
De deuren aan weerszijden van de weg zijn de grenzen van Allah de Verhevene. Wie in de grenzen van Allah valt, doet dat doordat hij het gordijn (van de deur) optilt.Degene die van bovenaf roept, is de vermaner van zijn Rab.”
(Overgeleverd door at-Tirmidhī, Emsâl: 1 (2863)
[an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft vele verheven en diepzinnige waarheden uitgedrukt door middel van voorbeelden en vergelijkingen. Daarmee maakte hij het niet alleen gemakkelijker om ze te begrijpen, maar zorgde hij er ook voor dat ze beter in de gedachten verankerd raakten, wat hun effectiviteit vergrootte.
In deze overlevering zien we daar een voorbeeld van. Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما)
heeft de waarheden die in deze gelijkenis voorkomen verduidelijkt.
In een andere verklaring die van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنه) is overgeleverd, staat:
“De oproeper die zich boven deze (poorten) bevindt, doet de volgende waarschuwing wanneer een dienaar een van deze deuren wil openen:‘Open die deur niet, want als je dat doet, zul je (het verbodene) binnentreden.’]
4.(52) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “De islam is als iets vreemds (gharīb) begonnen (of verschenen), (en in de toekomst zal het) zoals het in het begin was als iets vreemds opnieuw beginnen (of opnieuw verschijnen). Gelukkig (ṭūbā) zijn de vreemdelingen (gharībā).”
(Overgeleverd door Muslim, İmam 232, (145); Tirmizî, İman 13 (2631)
[Volgens een overlevering van Imām Mālik heeft deze ḥadīth betrekking op Madīnah, en wordt daarmee bedoeld dat de islam daar als iets vreemds is begonnen en uiteindelijk ook daarnaar zal terugkeren.
Qāḍī ʿIyāḍ zei echter het volgende: “De uiterlijke betekenis van de ḥadīth duidt op algemeenheid (dus is niet specifiek voor al-Madīnah). De islam begon onder afzonderlijke individuen, als een minderheid. Daarna verspreidde het zich en traden velen toe tot de islam.Vervolgens zal het weer afnemen, zodanig dat het, net zoals in het begin, zal terugkeren tot afzonderlijke individuen en een minderheid.”
Er is gezegd dat met de ‘vreemdelingen’ in de zin ‘Gelukkig zijn de vreemdelingen’de eerste Muhājirūn (رضي الله عنهم) worden bedoeld, die te maken kregen met moeilijkheden,en ook de laatste moslims die wederom te maken zullen krijgen met moeilijkheden doordat ze in de minderheid zullen verkeren.
Uit de ḥadīth kan een betekenis worden gehaald die verdriet of bezorgdheid opwekt,maar ook het tegenovergestelde: Namelijk dat, net zoals de islam in het begin op een buitengewone manier zich krachtig heeft ontwikkeld ondanks zijn vreemde karakter,hij aan het einde der tijden opnieuw een soortgelijke bloei zal doormaken.
Elmalılı Hamdi Yazır die ondubbelzinnig deze laatste betekenis uit de ḥadīth haalt,noemt deze ḥadīth ook bij zijn tafsīr van de slotverzen van surah an-Naml, en zegt daarbij het volgende: “Volgens de aanwijzing van dit vers is de toekomst van de islam niet donker als de nacht, maar licht als de dag. Niet dof, maar stralend.
De duisternissen van de nacht die hem af en toe omhullen, dienen slechts om hem rust te geven, waarna hij weer ontwaakt.Deze betekenis is verklaard met een welbekende ḥadīth van hierboven.
In deze ḥadīth hebben de meeste mensen het werkwoord "sayaʿūdu" opgevat als een onvolledig werkwoord in de betekenis van "sayasīru" (“zal worden”), en hebben het dus geïnterpreteerd als:“De islam begon (of verscheen) als iets vreemds en zal wederom vreemd worden, zoals het begon,” en enkel opgevat als een waarschuwing (inzār).Hierdoor hebben zij er vooral een boodschap van verdriet of neerslachtigheid uit gehaald.
Maar zoals vermeld staat in al-Qāmūs (een bekend klassiek Arabisch woordenboek),heeft het werkwoord ʿāda–yaʿūdu niet alleen de betekenis van "terugkeren",maar ook: “opnieuw beginnen”, net zoals het werkwoord bada’a–yabda’u (“beginnen”).
Deze ḥadīth moet dan ook zo worden begrepen:
“De islam is als iets vreemds begonnen (of verschenen), en in de toekomst zal het – zoals het in het begin was – als iets vreemds opnieuw beginnen (of opnieuw verschijnen). Gelukkig zijn de vreemdelingen.”
Het woord "ṭūbā" aan het einde van de ḥadīth toont aan dat het hier niet slechts om een waarschuwing (inzār) gaat, maar ook om een blijde tijding (tabshīr).
Hoewel het aspect van “terugkeren naar het vreemde” zeker een waarschuwing inhoudt,is er in de betekenis van “opnieuw beginnen” ook duidelijk een blijde aankondiging aanwezig.En precies om die reden is de blijde boodschap “fa-ṭūbā lil-ghurabā’” er toegevoegd:
“Gelukkig zijn de vreemdelingen.”Want zij zijn zoals as-sābiqūn al-awwalūn (de eersten die vooroplopen).
Daarom spreekt deze ḥadīth geen wanhoop uit, maar juist een blijde hoopvolle boodschap.
Op een andere plaats verwoordde Elmalılı Hamdi Efendi zijn voorgevoel datzoals de 14e eeuw na Christus voor de christelijke wereld een tijdperk van hervorming en ontwaken werd, de 14e eeuw na de hidjrah ook voor de islamitische wereld een periode van hernieuwd ontwaken en opbloei zal zijn. Het is zelfs mogelijk om hiervoor bevestiging te vinden in de Qur'ān en in andere overgeleverde teksten.Zo wordt bijvoorbeeld in surah al-Fatḥ (48:28) gezegd:
هُوَ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلۡهُدَىٰ وَدِينِ ٱلۡحَقِّ لِيُظۡهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِۦۚ وَكَفَىٰ بِٱللَّهِ شَهِيدٗا ٢٨
Hij is Degene Die Zijn Boodschapper heeft gezonden met de (nuttige en verlichtende) Leiding (die een duidelijk onderscheid maakt tussen goed en slecht) en de ware godsdienst (de islam) om deze over alle godsdiensten te doen zegevieren. En Allah is voldoende als getuige.
Een profetische blijde tijding die is overgeleverd in de Musnad van Aḥmad ibn Ḥanbal luidt als volgt:
“Er zal geen enkel huis op aarde zijn, gemaakt van aarde of van wol (zoals een tent), of Allah zal er ongetwijfeld de boodschap van de islam in binnenbrengen.Sommigen ervan zal Hij verheffen en eer geven, en anderen zal Hij vernederen.Degenen aan wie Allah leiding heeft geschonken, zullen de islam vrijwillig binnentreden en eer verkrijgen.En wie geen leiding ontvangt, zal zich er gedwongen aan onderwerpen en vernederd worden.”
Deze overlevering van al-Miqdād ibn al-Aswad (رضي الله عنه)wordt volledig bevestigd door een soortgelijke overlevering van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه):
“Deze religie/dīn zal zeker elk gebied bereiken waar dag en nacht elkaar opvolgen.Allah zal geen enkel huis, van aarde of van wol (zoals een tent), overlaten,of de islam zal er binnenkomen.Sommigen daarvan zal Hij verheffen en eer schenken, en anderen zal Hij vernederen.Allah zal aan de islam eer schenken, en aan ongeloof (kufr) vernedering geven.