As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Mystiek

Onderwerp: Spiritualiteit

Lees dit boek in de online lezer

DE LIEFDE TOT ALLĀH

INLEIDING

In den naam van Allāh, de meest Barmhartige Erbarmer.

Lof zij Allāh, die de harten van Zijn vertrouwde en geliefde dienaren (wali’ullaah) afhoudt van de neigingen naar de ijdelheid en de praal van deze wereld.

(Lof zij Allāh) die het innerlijke leven van Zijn vertrouwde en geliefde dienaren zuivert van (de wereldse) aandacht voor iets anders dan Zijn Majesteit.

(Lof zij Allāh), die Zijn vertrouwde en geliefde dienaren vrijmaakt voor de toewijding op het tapijt van Zijn ongenaakbaarheid.

Daarna doet Hij Zich aan Zijn vertrouwde en geliefde dienaren kennen met Zijn Namen en Eigenschappen, zodat de harten beschenen worden door het licht van de kennis (ma`rifah) over Hem.

Dan worden Zijn vertrouwde en geliefde dienaren de heerlijkheden van Zijn Aangezicht (in het Hiernamaals) geopenbaard, zodat zij door het vuur van Zijn liefde ontvlammen.

‘As salaatu’s salaam (gebeden en groetenis) zij over Muhammad (s.a.s.), die de profeten heeft afgesloten door de volmaaktheid van zijn profeetschap, voor zijn familie en zijn metgezellen, de leiders en voorgangers van de mensheid, de wegbereiders en leiders tot de waarheid; veel heil zij hun.

In de Qur’ān komen verschillende vormen van de wortel hbb, onder welke wortel zoals bekend de denominatieven van de twee grondbegrippen 1. ,,hubb" d.i. ,,liefde" en 2. ,,habb" d.i. ,,korrels".

Vrijwel alle plaatsen in de Qur’ān, betrekking hebbende op de liefde van Allāh tot Zijn schepselen zijn aan het einde van een vers: zoals in surah (hoofdstuk) Baqarah (2) vers 191: (Nederlandse uitleg): “ .... voorwaar, Allāh bemint hen die weldoen", en surah Aali `Imraan (3) vers 50: (Nederlandse uitleg): “.... maar Allāh houdt niet van hen die onrecht plegen".

De geleerden hebben hun beschouwingen over de liefde tot Allāh gewoonlijk aan de hand van drie Qur’ān verzen ontwikkeld, te weten:

- Surah al Baqarah (2) vers 165:

(Nederlandse uitleg): “ Maar onder de mensen zijn er die behalve Allāh gelijken van Hem aannemen en deze beminnen als de liefde tot Allāh; maar zij die geloven, hun liefde tot Allāh is sterker; ...";

- Surah Aali `Imraan (3) vers 31:

(Nederlandse uitleg): “ Zeg: ,,Indien jullie Allāh werkelijk beminnen zo volgt mij, dan zal Allāh jullie beminnen en jullie je zonden vergeven; Allāh is vergevend en barmhartig; ....";

en Surah al Maa`idah (5) vers 54:

(Nederlandse uitleg): “ O jullie die geloven (in de Islamitische monotheïsme), wie van jullie van zijn godsdienst afvallig worden, stellig zal Allāh er dan een groep van afvallig wordt, stellig zal Allāh er dan een groep van mensen doen zijn die Hij bemint en die Hem beminnen, deemoedig tegenover de gelovigen zijn en hooghartig tegenover de ongelovigen; zij zullen zich beijveren op Allāh's weg en zij zijn niet bang voor degenen die verwijten maken. Dat is de gunst van Allāh, die Hij geeft aan wie Hij wil en Allāh is Allesomvattend, Alwetend.

Hieronder volgt in een drietal van de meest gezaghebbende Qur’ān-commentaren over de uitleg van deze drie verzen.

A) ,,Kasjsjaaf `an haqaa`iq attanziel'' van az Zamachsjaarie (overl. 538 a. h.):

- Uitleg van Qur’ān 2/160 : ... (zij beminnen deze) zij verheerlijken hen en zij zijn hen onderworpen met de verheerlijking van het geliefde — (als de liefde tot Allāh) gelijk het verheerlijken van Allāh en het hem onderworpen zijn, namelijk gelijk Allāh bemind wordt ...

- Uitleg van Qur’ān 3/29: ... ,,De liefde van de mensen tot Allāh is een metafoor voor hun eigen wil en begeerte tot uitsluitende dienstbaarheid aan Hem en niemand anders; de liefde van Allāh tot Zijn dienaren is daarin gelegen dat Hij welgevallen in hen heeft en hun doen zegent; de betekenis is: zo jullie Allāh werkelijk willen dienen — (zo volgt mij) opdat de door jullie verkondigde wil tot dienstbaarheid aan Hem zal blijken: dan zal Hij welgevallen in jullie hebben en jullie vergiffenis schenken. Volgens Hasan zouden ten tijde van Allahs gezant (s.a.s.) sommigen beweerd hebben dat zij Allāh beminden en zou deze toen verlangd hebben dat zij hun woorden naar waarheid in daden zouden omzetten. Maar wie beweert Hem te beminnen doch van het voorbeeld van Zijn gezant (صلى الله عليه وسلم ) afwijkt, die liegt en die noemt Allāh's boek een leugenaar. Wanneer je er nu één ziet die over de liefde tot Allāh spreekt en daaraan indachtig in de handen klapt, zich opwindt, gaat snuiven en tenslotte ineenzakt, dan kun je er niet aan twijfelen of die kent Allāh niet en weet niet wat liefde tot Allāh is. Die komt tot dit klappen, deze opwinding, dit snuiven en inzakken alleen omdat hij zich in zijn verdorven ziel een aardige, opwindende figuur heeft voorgesteld en die dan in zijn domheid en verdorvenheid Allāh noemt, en bij de voorstelling daarvan klapt, zich opwindt, snuift en neervalt. Soms kun je zien dat, terwijl om hem heen het domme publiek zijn mouwen vult met tranen van ontroering over hem".

- Uitleg van Qur’ān 5/59): ... (Hij bemint hen en zij beminnen Hem?) De liefde van de mensen tot hun Heer is de gehoorzaamheid jegens Hem, het streven naar zijn welgevallen en dat zij niet dat doen wat Zijn ongenoegen en bestraffing veroorzaakt. De liefde van Allāh tot Zijn dienaren is dat Hij hun voor hun gehoorzaamheid een voortreffelijk loon schenkt, hen verheft, looft en welgevallen aan hen vindt.

Maar wat de domsten onder de mensen, de vijandigsten jegens de wetenschap en haar beoefenaars, de grootste haters van de wet en de slechtsten in gedrag, ook al moge hun gedrag bij hun gelijken in domheid en verdorvenheid wel iets betekenen, geloven ...; te weten de oplichterstroep die naar de schapenwol heet ...; de liefde en het smachten welke zij voor godsdienst verslijten, het zingen op hun zitplaatsen —welke Allāh vernietige—op hun dansplaatsen — welke Allāh opruime— van minneverzen gericht tot baardlozen die zij geloofsgetuigen noemen, en hun ineenzakken - hoe geheel anders dan het neervallen van Musaa (Mozes) ( عليه السلام) toen de Toer (de berg Sinai) tot stof werd —; hoog en ver verheven is Allāh daarboven. Zij beweren onder meer dat Hij hen met Zijn wezen zou liefhebben, en evenzo dat zij Zijn wezen beminnen—immers de h (d.i. de h van het Arabisch persoonlijk voornaamwoord "hoe", (Hem) heeft betrekking op Zijn wezen, niet op Zijn attributen en eigenschappen; en ook dat de liefde voor hen liefdespijnen moet meebrengen en anders zou zij niet echt kunnen zijn; ..."

B) ,,Mafaatihu'l ghaaib" van Fakhru'd Dien ar Radie (overl. 606 a.h.):

- Uitleg van Qur’ān 2/160:

,,.... (eerste kwestie) bij het onderzoek naar de aard van de liefde van de mens tot Allāh. Weet dat de gemeente geen onenigheid kent inzake het gebruik van dit woord, bijv. dat de mens Allāh kan liefhebben. De Qur’ān spreekt er over, zoals in dit vers en evenzo in Zijn woord: ,,Hij bemint hen en zij beminnen Hem". Evenzo is het met de overleveringen..."—volgen vijf overleveringen uit Hoofdstuk 2 van Ghazzali's ,,Boek van de Liefde", Ihja' IV- En weet nu dat, al is de gemeente het eens over het gebruik van dit woord, zij verschilt van mening kent over de zin ervan. De meeste mutakallimoen zeggen dat liefde een soort van wil is, dat wil alleen verbonden aan afgeleide begrippen kan voorkomen, dus dat liefde niet met Allāh's wezen en eigenschappen verbonden kan zijn. Wanneer zij zo zeggen: ,,Wij hebben Allāh lief", dat betekent dit: ,,Wij hebben lief de gehoorzaamheid aan Allāh", of ,,het dienen van Hem", of ,,wij hebben Zijn beloning en weldoen lief". De kennenden (`aarifien) echter zeggen: ,, De mens kan Allāh om Zijn wezen beminnen; de liefde tot het Hem dienen of de liefde om Zijn belonen zijn lagere graden". Zij zeggen graag: ,,Wij vinden dat het genot om zijn wezen geliefd is en dat de volmaaktheid ook om haar wezen bemind is" —volgt uiteenzetting dat genot en volmaaktheid om hun wezen bemind zijn— ,,Zo dit nu vaststaat, dan zeggen wij dat zij die de liefde tot Allāh uitleggen als liefde tot gehoorzaamheid aan Hem of om Zijn beloning, diegenen zijn die weten dat het genot geliefd is om zijn wezen maar niet weten dat de volmaaktheid om haar wezen geliefd is. De kennenden echter, voor wie duidelijk is geworden dat Hij in en om Zijn wezen geliefd is, hun is duidelijk geworden dat de volmaaktheid om haar wezen geliefd is, en dat wel, omdat de volmaaktste aller volmaakten Hij is, de Ware. Door Zijn noodzakelijk bestaan staat Hij los van alles wat Hem belaagt; de volmaaktheid van ieder ding is van Hem afgeleid. Hij is de volmaaktste aller volmaakten in wetenschap en kunnen" — volgt uiteenzetting over de almacht en het alweten van Allāh, alsmede over de “`isjk”, de liefde welke hartstocht is geworden "(tweede kwestie): de zin van het verlangen naar Allāh.Weet dat men zich verlangen alleen kan voorstellen als naar iets dat voor een deel wel en voor een deel niet waargenomen wordt.

Maar wat" —volgt een uiteenzetting over het (gods) verlangen dat bestaat uit met wat eigen tekst samengeweven citaten uit Hoofdstuk 10 van het zo even genoemde ,,Boek van de Liefde", Ihja' IV.

Uitleg van Qur’ān 3/29 volgt eerst eenzelfde Ghazzaliaans betoog over de liefde van de mens tot Allāh, waarop: "De theologen (mutakallimoen) zeggen: ,,De liefde van Allāh tot de mens is een beeld voor Zijn wil om deze de goede en nuttige dingen in de godsdienst en deze wereld deelachtig te doen worden"—(tweede kwestie) — (derde kwestie). De schrijver van de Kasjsjaf heeft zich op deze plaats laten gaan bij een aanval op Allāh's vrienden ("awlijaa Allāh": hier is het ironisch gebruikt) en heeft hier dingen neergeschreven zoals een denkend mens die nog niet in obscene geschriften zou neerschrijven. Al had hij er dan toe kunnen komen om Allāh's vrienden aan te vallen, hoe kon hij zich dan verstouten dergelijke gemene taal in een uitleg van Allāh's woord neer te schrijven".

—Ten aanzien van Qur’ān 5/59 volstaat Imaam ar Radie met verwijzing naar zijn commentaar op Qur’ān 2/160, en doet daarna een uitgebreide en heftige aanval op de Rawafid (Shia sekten) om hun bewering dat dit vers op `Ali رضي الله عنه) en niet op Abu Bakr رضي الله عنه) van toepassing is.

C) ,,Anwar attanziel wa asraaru't tazwiel'' van al Baidawie (overl. 685 a. h.):

- Uitleg van Qur’ān 2/160:" - ( beminnen hen) zij verheerlijken hen en zij gehoorzamen hun—(gelijk de liefde tot Allāh) gelijk het verheerlijken van Hem en de geneigdheid tot gehoorzaamheid aan Hem, d. w. z. zij hebben evenveel liefde en gehoorzaamheid tot Hem als tot hen. ,,Mahabbah", de toeneiging van het hart, is uit ,,hubb", dat een metafoor is voor de kern (habbah) van het hart; daarvan is dan afgeleid ,,hubb" omdat deze haar treft en zich daarin vastzet. De liefde van de mens tot Allāh is de wil tot gehoorzaamheid aan Hem en het streven naar het verwerven van Zijn welgevallen; de liefde van Allāh tot de mens is de wil om hem te begunstigen, hem te laten handelen in gehoorzaamheid en hem te behoeden voor de zonden".

- Uitleg van Qur’ān 3/29: ,,Liefde is een neiging van de ziel tot iets wegens een volmaaktheid welke daarin wordt ervaren, in die zin, dat dit haar voert tot wat haar daarheen naderbij brengt. Wanneer de mens weet dat de ware volmaaktheid alleen bij Allāh is en dat alles wat hij als volmaakt bij zich of een ander ziet, van, door of tot Allāh is, dan is zijn liefde alleen tot en in Hem; dit voert tot den wil tot gehoorzaamheid aan Hem en de begeerte naar wat hem nader tot Hem brengt; hierom is liefde uitgelegd als de wil tot gehoorzaamheid, en verbonden aan het navolgen van Allahs Gezant (s.a.s.) in diens diensthetoon en de begeerte deze te gehoorzamen—(Allāh zal jullie liefhebben en jullie je zonden vergeven) nazin op de imperatief d. w. z. dan zal Hij welgevallen aan u hebbenen de sluiers van uw harten wegnemen, door te vergeven wat jullie misdreven, jullie nader te brengen tot bij Zijn majesteit en doen binnengaan in de beschutting van Zijn heiligheid. Hij geeft dit weer met ,,liefde", bij wijze van metafoor of overdrachtelijkheid".

- Uitleg van Qur’ān 5/59: ,,De liefde van Allāh tot de mensen is de wil om hen te leiden, tot de helpende genade voor hen in deze wereld en de goede beloning in het hiernamaals; de liefde van de mensen tot Hem is de wil tot gehoorzaamheid aan Hem en het oppassen voor het zondigen tegen Hem".

Sufisme (mystiek)

Inleiding

Laatste jaren neemt het sufisme in Nederland en ook in West Europa sterk toe. Zo nu en dan lees je uit de monde van sufisten uitspraken, die je haren te berge doen rijzen. Deze sufi's houden een Europese Islaam op na. Ze hebben zeer reformistische denkbeelden over de kernpunten van de Islaam. Hieronder zal aan de hand van een tweetal geschriften van Shaykhu’l‑Islām Taqiyyu’d‑Dīn ibn Taymiyyah (رحمه الله)) (661 (1263)/728 (1328), te weten "Al-furqaan baina 'awliya'r rahman wa 'awliya'sh shayṭān" (onderscheid tussen de walī’s van Allāhu Ta`ālā en van de duivel) en " Fatāwā " (adviezen) deel 2, een licht geworpen worden op de onjuistheden van sommige van deze sufi beweringen. Aller eerst wordt uitgelegd wat onder "walī" (geliefde van Allāhu Ta`ala) wordt bedoeld, vervolgens wordt het mystieke zesde zintuig, de dzawq, behandeld, en tenslotte wordt " fanāʾ " onder de loep genomen.

Al walī (de geliefde van Allāhu Ta`ala)

Naast die van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), is het de plaats die de walī’s, de heiligen, de geliefden van Allāhu Ta`ālā, in de hedendaagse Islamitische maatschappij innemen, die in de ogen van Shaykhu’l‑Islām Taqiyyu’d‑Dīn ibn Taymiyyah afbreuk doet aan de erkenning van Allāhu Ta`ālā's eenheid, de TAWḤĪD. De, met letter en geest van Qur’ān en Sunnah onverenigbare heiligenverering is volgens hem afgoderij (shirk). Daarnaast is het de mateloze zelfverheffing van sommige sufi meesters, die pretenderen een speciale verbinding met Allāhu Ta`ālā te bezitten en zich verheven te voelen boven de godsdienstplichten van de door Allāhu Ta`ala geopenbaarde Boek (de Qur’ān) en de Sunnah van Zijn Nabie (صلى الله عليه وسلم), die door hen wordt bestreden.

Aan Ibn Taymiyyah wordt de vraag gesteld: Wie zijn de walī’s van Allāhu Ta`ālā? Antwoord: Zij die geloven en Allāhu Ta`ālā vrezen

أَلَآ إِنَّ أَوۡلِيَآءَ ٱللَّهِ لَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ٦٢

Geen twijfel! Waarlijk, de bondgenoten van Allāh zullen geen vrees hebben noch zullen zij bedroefd zijn.

ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَكَانُواْ يَتَّقُونَ ٦٣

Degenen die geloven en voortdurend (Allāh) vrezen. (en zich van slechte daden en zonden afzijdig houden)

لَهُمُ ٱلۡبُشۡرَىٰ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۚ لَا تَبۡدِيلَ لِكَلِمَٰتِ ٱللَّهِۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٦٤

Voor hen is er goed nieuws in het leven van de huidige wereld en in het Hiernamaals. Geen verandering kan er in het Woord van Allāh zijn, dit is zeker een overweldigend succes. (Yunus 10; 62-64)

ٱللَّهُ وَلِيُّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ يُخۡرِجُهُم مِّنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِۖ وَٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَوۡلِيَآؤُهُمُ ٱلطَّٰغُوتُ يُخۡرِجُونَهُم مِّنَ ٱلنُّورِ إِلَى ٱلظُّلُمَٰتِۗ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٥٧

Allāh is de Behoeder van degenen die geloven. Hij brengt hen uit de duisternis in het licht. (En voor) de ongelovigen zijn er bondgenoten van de Thaghōets. Zij leiden hen van het licht naar de duisternis. Zij zijn de bewoners van het Hellevuur, waarin zij eeuwig en altijd zullen verblijven. (Baqarah 2; 257)

De betekenis van het woord walī geeft ibn Taymiyyah weer door qarīb, "degene die dichtbij is". De betekenis van Walī is dan: degene die zich door het vervullen van de in de Qur’ān en de Sunnah voorgeschreven plichten en door het doen van goede werken (`amal-i saalih) nader brengt tot Allāhu Ta`ālā, zoals het luidt in de hadieth-i qudsie: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei: Allāhu Ta`ālā zegt:

"Wie een geliefde van Mij tot vijand maakt, die verklaart Mij de oorlog.

Mijn dienaar brengt zich slechts nader tot Mij (taqarraban) door het vervullen van wat ik hem als plicht (farḍ) heb opgelegd, terwijl hij niet ophoudt zich nader tot Mij te brengen door het doen van vrijwillige gebeden (nawaafil, e.v.: nafilah) werken, totdat Ik hem bemin, zodoende wordt Ik zijn horende oor, ziende oog, grijpende hand en lopende voet. Als hij Mij iets vraagt, zal Ik het hem geven, en als hij zijn toevlucht zoekt tot Mijn, zal Ik hem beschermen. Ik aarzel niet om iets te doen terwijl Ik aarzel om de ziel van de mu'min (gelovige) te nemen, want hij haat de dood en Ik haat om hem te teleurstellen. " (Al Bukhārī K. ar Riqaaq/B. 38).

Naarmate het geloof (īmān) groter en zuiverder is, is ook het walāyaʾ groter en zuiverder. Iedere gelovige is walī, maar men treft onder hen evenveel verscheidenheid aan als onder de gelovigen (mu'minoen), want het geloof is niet een vaststaand ding, dat men al of niet bezit, maar een steeds veranderend goed, dat toeen afneemt, geheel verdwijnen kan en gemengd kan zijn met onzuiverheden.

Een walī kan elke mu'min zijn. Hier is de walī niet de uitverkorene, voorzien van hoedanigheden, die voor de leek onbereikbaar is en waarvan hij verstoken is. Het bestaan van een bepaald aantal walī’s is niet mogelijk. Hun aantal is onbepaald, immers het is even groot als het aantal mu'mins. Volgens Ibni Taymiyyah zijn de overleveringen waar gesproken wordt over het aantal walī’s verzonnen. Hetzelfde geldt ook voor de getallen, genoemd in de verschillende hiërarchieën van walī’s, die we in werken over de mystiek vinden. Deze hiërarchieën vermelden de rangorden van de walī’s van de laagste tot de hoogste rangorde.

Niet alleen tegen deze getallen, ook tegen de rangorden richt zich de aanval van ibn- Taymiyyah. Vooral op degene, die aan het hoofd staat van deze hiërarchie, de qutb of khawwāṣ, en de macht die de mystici hem toedenken.

Ze beweren dat het instandhouden van de mensheid en van de engelen door de bemiddeling van de qutb geschiedt. Hij acht deze bewering van dezelfde aard, als de vergoddelijking van Jezus (`Iesa ( عليه السلام) door de Christenen en die van ʿAlī (رضي الله عنه) door de Ultra-Shi'ieten. Het geloven hierin vindt hij ongeloof (kufr). De enige van de namen, die steun vindt in de overlevering is die van de abdal (vervangers). In de musnad van Ahmad Ibn Hanbal staat een overlevering waarin wordt verteld, dat er in Shaam (huidige Syrië), ten tijde van ʿAlī 40 abdal waren (Ahmad ibn Hanbal deel I, 112 en deel V, 322). In de verschillende hiërarchieën vindt men dan ook meestal voor het aantal abdal het getal veertig genoemd.

Ibn Taymiyyah heeft tegen deze overlevering twee bezwaren. Het ene betreft de keten van overleveraars (isnād), die niet doorloopt, het andere geldt de inhoud van de overlevering (matn). Hij vindt het onwaarschijnlijk, dat deze veertig abdal zich bevonden in Syrië, d. w. z. in het leger of aan de kant van Mu'awijah (رضي الله عنه), die streed tegen ʿAlī (رضي الله عنه). Heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) in de overlevering de Kharidjieten, die in het leger van Mu`awija (رضي الله عنه) bevonden, niet voor ongelovigen verklaard?. (Ahmad ibn Hambal IV;355). En zouden dan onder hen deze walī’s geweest zijn, wier voortreffelijkheid zo groot was dat hun een aparte naam werd gegeven? Zouden zij niet eerder onder het voor de goede zaak strijdende leger van ʿAlī (رضي الله عنه) gezocht moeten worden?. Niet alleen deze speciale soorten van walī’s aanduidende namen, maar ook de algemene woorden die alle walī’s omvatten, zoals sufi en faqier, vinden in de ogen van ibn Taymiyyah geen genade.

De geliefden van Allāhu Ta`ālā vormen, volgens zijn opvatting, geen aparte klasse van mu'mins. lntegendeel, iedere mu'min is walī. Dus ze hoeven ook geen aparte namen.

Het uiterlijk voorkomen en de kleding van de mens heeft niets te maken met zijn innerlijk geloof, zolang men geen door de Shari`ah verboden zaken op dit gebied gebruikt. Het feit dat mystici zich onderscheiden van de rest van de muslims in kleding en houding is onjuist. In onze tijd is de walī geworden persoon met een lange rozenkrans, grote tulband en wijde mouwen, die zijn bovenkleed laat slepen (volgens de sunnah moet de kleeding de hielen vrij laten), zijn hand aan zowel mannen als vrouwen uitstrekt om die te laten kussen. Iemand die zich op een bijzondere manier kleedt, iemand die het geld en goed van de muslims onrechtmatig eigen maakt en iemand wiens verlangen uitgaat naar het afwijken van de Sunnah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), de bepalingen van de Shari`ah etc. kan nooit een Walī zijn.

Walī's komen onder alle rangen en standen van de ummah (gemeenschap) van Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) voor, zowel onder Qur’ān kenners en geleerden als onder strijders in de jihaad, soldaten kooplieden, handwerklieden en boeren.

Walī is iedere mu'min en godvruchtige. Wanneer is iemand dan een mu'min? Wanneer hij gelooft in Allāhu Ta`ālā, doet wat Hij hem beveelt en nalaat wat Hij verbiedt. Hoe zouden de mensen echter kunnen weten wat Allāhu Ta`ālā beveelt en verbiedt als Hij niet mensen gezonden had met een boodschap (risalah), de openbaring (wahie), die Zijn wil uitdrukt? Die mensen zijn Zijn gezanten (rusul e.v. rasoel) en profeten (anbiyaa e.v. nabie). Allāhu Ta`ālā gebruikt middelaars (wasāʾil) om Zijn wil over te brengen. Van Allāhu Ta`ālā tot de mens is er bemiddeling, ten aanzien van het overbrengen van Allāhu Ta`ālās bevel en verbod,.

Het geloof in Allāhu Ta`ālā wil dus zeggen het geloof in Zijn middelaars (wasāʾil), de gezanten en in de openbaringen. Deze gezanten waren belast met de overbrenging van deze openbaringen.

Dit geloof heeft zijn hoogste punt in het geloof in de laatste van de gezanten, gezonden tot de hele wereld, tot mensen en djinn's: Muhammed (صلى الله عليه وسلم ). Hij is Allāhu Ta`ālā’s laatste middelaar. Wie in hem gelooft, in zijn openbaring en in zijn Sunnah, is walī van Allāhu Ta`ālā. Door de openbaring is Muhammed (صلى الله عليه وسلم ) aan Allāhu Ta`ālā verbonden; wie in Allāhu Ta`ālā gelooft, gelooft ook in Muhammed (صلى الله عليه وسلم ) en omgekeerd. Wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) beleedigt, beleedigt Allāhu Ta`ālā. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) is de laatste middelaar, de laatste van die uitverkorenen, die zonder bemiddeling Allāhu Ta`ālās Wil hebben ontvangen. Wie na hem komt ontvangt Allāhu Ta`ālās Wil slechts door tussenkomst van hem. Als `Iesa (Jezus) ( عليه السلام) weer op aarde komt dan moet hij hem ook volgen.

Het mystieke zesde zintuig, de dzawq

Ibn Taymiyyah keert zich hiermede tegen de mystici, die beweren een bijzondere verbinding met Allāhu Ta`ālā te bezitten, door een mystiek-weten (ma'rifah) dat zij van Allāhu Ta`ālā hebben ontvangen, waardoor zij Hem kunnen bereiken en in Hem kunnen opgaan en waardoor de bepalingen en plichten van de door de Shari`ah voor hen niet gelden. Hij ontkent, dat er een verbinding met Allāhu Ta`ālā zou bestaan anders dan door het volgen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), d.w.z. door het zich onderwerpen aan Qur’ān en Sunnah. Voor hem bestaat niet dat mystieke zesde zintuig, de dzawq, waardoor voor de mysticus de mogelijkheid van een rechtstreek contact met Allāhu Ta`ālā overblijft, de mystieke-kennis, door middel van dit zintuig ontvangen in toestanden van extase (wajd, haal), is voor hem synoniem met willekeur en het volgen van eigen inzicht en lust. Wel vindt men in de geschriften van ibn Taymiyyah gesproken over dzawq en wajd, maar deze woorden wor-den in een anderen dan mystieken zin gebruikt.

In de Qur’ān heeft het werkwoord dzaaqa een ruimere beteekenis, dan alleen proeven met de mond, maar ook het ondervinden van allerlei gewaarwordingen. Er zijn enige overleveringen waarin gesproken wordt over het proeven van het geloof en het ondervinden (wadjada) van de zoetheid van het geloof: "Wie welgevallen heeft in Allāhu Ta`ālā als Rab (Heer), in de Islaam als godsdienst (dien) en in Muhammed (صلى الله عليه وسلم ) als profeet heeft de smaak van het geloof te pakken" en: "Hij, die drie dingen bezit, vindt daardoor de zoetheid van het geloof: hij, die Allāhu Ta`ālā en zijn profeet meer bemint dat iets buiten hen, wie zijn medemens slechts liefheeft om Allāhu Ta`ālās wil, voor wie het even pijnlijk is, om weer in het ongeloof terug te vallen, nadat Allāhu Ta`ālā hem er heeft uitgehaald, als hij het pijnlijk zou vinden in de hel te worden geworpen" (Tirmithie 38,10; Al Bukhārī K. Tawḥīd/B.9). De zoetheid van het geloof wordt geproefd, wanneer de liefde tot Allāhu Ta`ālā, Allāhu Ta`ālā bereikt. De zoetheid van het geloof proeft men als gevolg van dit bereiken van Allāhu Ta`ālā. Slechts dan, wanneer men zich bewust is, wat Allāhu Ta`ālā betekent, is liefde voor Allāhu Ta`ālā mogelijk. Dit zich bewust zijn van Allāhu Ta`ālā en van de verhouding van mens tot Allāhu Ta`ālā is, volgens ibn Taymiyyah, de dzawq of de wajd.

Waaruit bestaat dit zich-bewust zijn van Allāhu Ta`ālā? Het is de tawḥīd, het erkennen van de goddelijke eenheid in de meest volstrekten zin, of, zoals de overlevering zegt: "Door het hebben van welgevallen in Allāhu Ta`ālā als Rab, in de Islam als godsdienst (dien) en in Muhammed (صلى الله عليه وسلم ) als profeet". Door deze dzawq ontstaat de liefde voor Allāhu Ta`ālā en al naar deze liefde groter is, is ook de zoetheid van het geloof, die men proeft groter. Het kan zijn, dat iemand, getroffen door zware beproevingen, zich van zijn ware verhouding tot Allāhu Ta`ālā bewust wordt en erkent, dat deze beproevingen van Allāhu Ta`ālā, en Hem alleen komen, zodat hij om de wegneming ervan slechts tot Allāhu Ta`ālā alleen bidt en op Hem alleen hoopt. Door de beproevingen wordt hem zijn ware verhouding tot Allāhu Ta`ālā duidelijk. Door deze dzawq proeft hij in zo grote mate de zoetheid van het geloof, dat hem deze weldaad veel groter is, dan de last of de pijn van de beproevingen; immers, dat zijn maar lasten, die hem treffen in zijn wereldse zaken, en pijnen, die slechts lichamelijk zijn.

Hier is de dzawq niet het intuitieve zesde zintuig, dat slechts de uitverkorenen, de walī's, bezitten en de wajd niet een toestand van extase, waar de leek geen deel aan heeft, maar beide woorden drukken bij ibn Taymiyyah een gemoedstoestand uit, die, evenals het walieschap, onder het bereik van iederen mu'min valt.

Waar ibn Taymiyyah spreekt over de dzawq en de wajd in mystieke zin, als bronnen van mystiek weten (ma'rifah), zijn deze woorden voor hem gelijk aan willekeur. Men kan op de godsdienstrealiteit (al-haqiqah al-dienijjah), in overeenstemming met Qur’ān en Sunnah, bouwen of men kan op eigen wajd en eigen dzawq bouwen, zonder hierbij rekening te houden met Qur’ān en Sunnah. De laatsten beweren, dat het bevel en verbod van de Shari`ah niet voor hen geldt.

Ze noemen de godsdienstrealiteit het volgen van die weg, waarop men zich niets aantrekt van de Shari`ah, maar men handelt naar de eigen mening, namelijk de eigen dzawq en de eigen wajd. Dus het volgen van dzawq en wajd is tegengesteld aan het volgen van Qur’ān en Sunnah.

Ibn Taymiyyah verklaart de overleveringen, waarin gesproken wordt over extatische toestanden, in welke an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zich bij verschillende gelegenheden zou hebben bevonden, voor leugens. Overleveringen als die, waarin verteld wordt, dat Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم ) mantel van zijn schouder viel in een extatischen toestand die over hem gekomen was door het aanhoren van een mystiek vers, dat gereciteerd werd, en die, waarin meegedeeld wordt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zijn kleren aan stukken scheurde in extatischen toestand, waarop Jibrīl (عليه السلام) nederdaalde uit de hemel en een lap meenam om die aan de Troon (`Arsh) van Allāhu Ta`ālā op te hangen, zijn volgens ibn Taymiyyah leugens.

De in extatischen toestand verkerende mens beschouwt hij ten aanzien van de vraag van de geldigheid van religieuze handelingen en ten aanzien van de vraag van geloof of ongeloof in die toestand, als een gek (madjnoen), d. w. z. als iemand, die niet verantwoordelijk kan zijn voor zijn handelingen. Allāhu Ta`ālā stelt in de Qur’ān het bezit van verstand als voorwaarde voor de geldigheid van plichten en goede werken. Immers, alleen degene, die in het bezit is van zijn verstandelijke vermogens, kan de, voor de geldigheid van de handeling onontbeerlijke intentie (nijjah) bezitten.

Degenen, die in de hel komen zijn zij, die hun verstand niet gebruikten. Ibn Taymiyyah wijst ook op Qur’ān 4, 43: "O jullie die geloven, komt niet tot de salaat, terwijl jullie dronken zijn, (maar wacht) tot jullie weet wat jullie zeggen....". Wanneer nu de salaat ongeldig is voor iemand die dronken is, op grond, dat hij niet weet wat hij zegt, dan is de salaat zeker ongeldig voor een gek, die niet weet wat hij zegt.

En ook al wordt dit vers door sommige Qur’ān commentatoren uitgelegd alsof het slaat op degenen, die, nog dronken van de slaap, de salaat deden, dan verandert aan deze uitleg in dit geval niets, omdat ook hij, die dronken van de slaap is, moet wachten tot hij weet wat hij zegt. Ditzelfde motief is de oorzaak van het verbod van de salaat in de overlevering, waarin an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zegt: "Als iemand 's nachts opstaat om de salaat te doen en de Qur’ān komt verward uit zijn mond, laat hij dan weer gaan slapen, want hij weet niet (wat hij zegt); misschien wil hij om vergeving vragen en bekladt hij zichzelf". (Abū Dāwūd 5,18)

Dat de handelingen van een gek ongeldig zijn, is neergelegd in de overlevering: "De schrijfstift is opgeheven (d.w.z.de verantwoordelijkheid voor hun handelingen is opgeheven) voor drie categorieen: voor de gekken tot zij bij hun verstand komen, voor de jeugdige tot hij de puberteit bereikt en voor de slapende tot hij wakker wordt". (Al Bukhārī 68,11)

Volgens ibn Taymiyyah zijn niet alleen de, in extatische toestand verkerende mystici "gek" (majnoen) maar ook degenen die alkoholhoudende dranken drinken, verdovende middelen (heroine, hashish etc.) gebruiken, naar muziek en zang luisteren en bid`ah (de afkeurenswaardige nieuwigheden, zoals het dansen) verrichten. In principe zijn zij in normale toestand uiterlijk gelovige mensen, doordat zij de voorgeschreven verplichtingen van de Islaam nakomen. Men zal hen dan als muslims moeten behandelen. Geven zij in normale toestand blijk van ongeloof, doordat zij b.v. beweren, dat de Shari`ah voor hen niet van kracht is of dat de salaat tot doel heeft het voeren van de gelovige tot die trap van mystiek inzicht, waarop de mysticus zich bevindt, zodat, die hoogte eenmaal bereikt is, de verplichting van de salaat vervalt, dan zijn zij ongelovigen en zullen als zodanig behandeld moeten worden.

Hun handelingen in extatische toestand zijn dus ten aanzien van de vraag van geloof of ongeloof van geen invloed. Toch kan uit gedragingen in de extatische toestand het ongeloof van de zich in extase bevindende mens naar voren komen.

Dit is het geval wanneer hij in momenten van een zekere klaarheid van geest woorden zegt, die het ongeloof, dat in zijn binnenste is, verraden. Ook geldt het spreken van een voor hem vreemde taal, tijdens extase, als bewijs van ongeloof, omdat het de duivel is, die uit zijn mond deze vreemde talen spreekt.

Fanāʾ

Geen van de geleerden der voorgeslacht (salaf) heeft ooit beweerd, dat deze toe-standen waarin het verstand niet meer functionneert een voortreffelijkheid in het geloof betekenen, die de bezitter ervan maakt tot een walī van Allāhu Ta`ālā, zooals de mystici beweren.

Zoals ibn Taymiyyah aan de woorden dzawq en wajd hun mystieke betekenis ontneemt, door ze te verklaren in een aan de mystiek niet verwante opvatting, handelt hij ook met het woord Fanāʾ. In een toestand van Fanāʾ is de minnaar die geheel opgaat in de beminde, zo, dat hij zich van zijn eigen bestaan niet meer bewust is, zoodat hij, wanneer zijn beminde in het water valt, achter haar aanspringt denkende er zelf in te vallen.

Mystieke gebruik duidt Fanāʾ de toestand van de mysticus aan, die zóó intens aan Allāhu Ta`ālā denkt, en wiens liefde en dienst zóó uitsluitend op Allāhu Ta`ālā gericht zijn, dat hij niet in staat is nog iets anders buiten Allāhu Ta`ālā te onderscheiden, zodat hij zich zijn eigen bestaan niet meer bewust is en denkt, Allāhu Ta`ālā te zijn. Dit verdwijnen van het waarnemen van iets anders buiten (Fanāʾ `an shuhoed siwaAllāh) verklaart ibn Taymiyyah voor een zwakte toestand, die van de eerste generatie na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) (salaf) niet bekend is, omdat hun geloofstoestand daar te sterk en te volmaakt voor was. Eerst in de generatie volgende op die van de metgezellen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) (aṣḥāb) kwamen zulke toestanden voor.

In nog veel groter dwaling echter verkeren die mensen, voor wie alle bestaan huiten Allāhu Ta`ālā verdwenen is, die leren, dat het bestaan van Allāhu Ta`ālā en dat van het geschapene één is (Fanāʾ `an wujoed siwaAllāh). Aan de bestrijding van deze aanhangers van het monisme, zoals ibn 'Arabie en ibn Sina is een belangrijk gedeelte van de aangehaalde twee werken van ibn Taymiyyah gewijd.

Tegenover deze twee door hem afgekeurde soorten van Fanāʾ stelt ibn Taymiyyah de zijne. Het is het verdwijnen van de dienst van een ander dan Allāhu Ta`ālā (Fanāʾ `an 'ibadah siwaallah), die daarin bestaat, dat de mu'min door het dienen van Allāhu Ta`ālā vrij raakt van het dienen van een ander dan Allāhu Ta`ālā.

Hij zegt hierover: "Het is de realiteit van het erkennen van Allāhu Ta`ālās eenheid (al haqiqatut-tawḥīd), waarmee Allāhu Ta`ālā de gezanten gezonden heeft, en om der wille waarvan Hij de boeken heeft geopenbaard".Even afwijzend als ibn Taymiyyah staat tegenover de mystieke toestanden, is ook zijn houding ten aanzien van de dingen, die deze toestanden opwekken: muziek, dans en bepaalde soorten dikr.

TAWASSUL

Tawassul in de Qur’ān en Sunnah

De tawassul (het trachten een wasīlah, een verbinding, met Allāh te verkrijgen, het zoeken naar een middel om met Allāh in contact te komen, om nader tot Hem te komen) is een Arabisch woord, dat in de Qur’ān, Sunnah en voor-Islamitische gedichten gebruikt wordt.

In de Qur’ān betekent wasīlah:

(Nederlandse uitleg): "O jullie die (in de Islamitische monotheisme) geloven. Vreest Allāh en zoek naar een middel (wasīlah) (m.b.v. goede daden waarvan Allāh tevreden is) om (zo dicht mogelijk) bij Hem te komen, en streeft op Zijn Weg (jaahidoe fie sabielih)". (Surat'l Maaidah; 35)

(Nederlandse uitleg): "Zij (de veelgodenaanbidders) zijn degenen die aanroepen, (en zij die aangeroepen worden) zoeken naar een middel (wasīlah) tot hun Rab. Wie van hen het dichtst bij (hun Rab) zijn en op Zijn Barmhartigheid hopen en Zijn bestraffimg vrezen: voorwaar, een bestraffing van jouw Rab is te vrezen". (Surati'l Israa’: 57)

In de ahadith betekent wasīlah:

`Abdullaah bin Mas`oed (رضي الله عنه) zei over de reden van openbaring van deze `ayah (vers): "Deze `ayah is geopenbaard naar aanleiding van een groep Arabieren (de veelgodenaanbidders) die bepaalde jiens (geesten) verafgoodden. Toen deze jiens (degene die aangeroepen werden) de Islaam hadden geaccepteerd, hadden de arabieren het nog niet in de gaten (en ze bleven de jiens verafgoden). (M.a.w. De jiens wilden niet meer door de polytheisten verafgood worden. Vandaar dat ze naar een middel (wasīlah) tot hun Rab zochten, door goede daden, om nog dichter bij hun Rab te komen.) (Al Bukhārī en Muslim).

Van `Abdullaah bin `Amr bin `Aas (رضي الله عنه): Hij heeft van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) horen zeggen: "Als jullie de adzān horen, herhaal wat de muadhdhin verkondigt. En spreek de salaat over mij uit. Want over hem, die eenmaal voor mij de salat uitspreekt, spreekt Allāh tienmaal de salat uit. Vraag vervolgens voor mij om de 'wasīlah'. Het ('wasīlah) is een rang in het Paradijs, die slechts aan één van Allāhs dienaren kan toekomen, en ik hoop die dienaar te zijn. Wie voor mij om de 'wasīlah' vraagt, maakt mijn voorspraak (shafaa`ah) voor hem tot een verplichting voor mij". (Muslim, K. Salaat/ B. 7/ H. 384)

Elders zegt an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ): De wasīlah is een graad bij Allāh, waarboven geen rang meer is. Vraagt voor mij aan Allāh om de wasīlah'' (Al Bukhārī, K. 10/ B. 8)

"'wasīlah al-kawnie" en "'wasīlah as-shar`ie"

Wasīlah is in twee categorieën te onderverdelen:

"Wasielatu'l kawnie": een wasīlah, een verbinding verkrijgen, zoeken naar een middel bij de geschapenen: eten om de honger te stillen, drinken om de dort te lessen, kleden om het lichaam te beschermen, werken om zich van dagelijkse behoefte te voorzien, etc.

"Wasielatu'sh shar`ie": het trachten een verbinding, met Allāh te verkrijgen, het zoeken naar een middel om met Allāh in contact te komen, om nader tot Hem te komen. Dit is slechts mogelijk via de richtlijnen van de Qur’ān en de Sunnah.

Een middel om voor eeuwig in het Paradijs te komen is:"Laa ilaha illAllāh Muhammada'r Rasûlullāh".

Een middel om vergeven te worden is het verrichten van goede daden.

Een middel om het leven te verlengen en de daagelijks behoefte te verruimen is het regelmatig bezoeken van familie (Al Bukhārī, Muslim en Abū Dāwūd).

Een ongeldige wasīlah is het raadplegen van een astroloog, waarzegger, kansspelen, geest oproepers en sterrenbeelden. Vragen van hulp bij het graf van overledenen, geloven in ongeluk brengende situaties, dingen of woorden behoren ook tot ongeldige wasīlah.

Zolang het binnen de grenzen van de Qur’ān en de Sunnah is, is elk soort wasīlah geldig. Een "wasielatu'l kawnie" is pas geldig als hetgeen wat gedaan wordt om tot wasīlah te komen Islamitisch geoorloofd (mubah) is of bij twijfel het gevoel ontstaat dat het goed is. Een"wasielatu'sh shar`ie" is alleen geldig als het volgens de Shari`ah (Islamitische Wet) toegestaan is.

2. Toegestane Tawassul

Tawassul met de Schone Namen of Eigenschappen van Allāhu Ta`ālā.

Een dergelijke soort tawassul is het aanroepen van Allāhu Ta`ālā door middel van Diens Schone Namen en Eigenschappen. Er zijn onnoemelijk veel voorbeelden te noemen: Zo wordt in een hadieth het volgende gebed vermeld:

"Ik vraag U door middel van alle Namen, die U draagt, door middel van Uw Schone Namen (al-asmaau'l husnaa), door middel van Uw Allāh-zijn. Ik neem mijn toevlucht tot U voor Uw toorn, door middel van Uw wel-gevallen, voor Uw straf, door middel van Uw vergeving, voor Uzelf, door middel van Uzelf" (Ahmad ibn-i Hambals Musnad, III, 120)

"O Allāh, buiten U is geen godheid, krachtens Uw Grootheid zoek ik mijn toevlucht tot U en vraag ik U mij niet te laten dwalen" (Al Bukhārī en Muslim)

"Als iets Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) verdrietig maakte zei hij: "O Levende (Hay) en Eeuwige (Qayyoem), krachtens Uw barmhartigheid vraag ik Uw hulp" (Tirmithie 1;207).

"O Allāh, ik vraag U krachtens Uw liefde voor onze Nabie (صلى الله عليه وسلم ) Muhammad (صلى الله عليه وسلم )" is ook toegestaan omdat Liefde een Eigenschap van Allāhu Ta`ālā is.

Tawassul met de goede daden die men heeft verricht

Deze soort van tawassul vinden we in de bekende, in de zeer verbreide overlevering van de drie mannen, die opgesloten waren in een grot, waarvan de uitgang afgesloten was door een grote steen. Achtereenvolgens riepen zij toen Allāhu Ta`ālā aan, daarbij een goede daad verhalend, die zij in hun leven alleen voor Allāhu Ta`ālā hadden verricht, waarop zij uit de grot werden verlost (Bukharie K. `Idjarah (37;12). Zij hadden in hun goede dagen Allāhu Ta`ala gekend en Hij heeft hen in moeilijke tijden geholpen, zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) het in een hadieth heeft verwoord (Ahmad bin Hambal).

Een muslim kan als volgt tawassul verrichten: "O Allāh, krachtens mijn īmān (geloof) in U, mijn liefde voor U en mijn liefde voor Uw Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) verzoek ik U mij te verlossen van mijn lijden". Immers in de Qur’ān zegt Allāhu Ta`ala: (Nederlandse uitleg): "Onze Rab, wij geloven in wat U hebt nedergezonden en wij hebben de Boodschapper gevolgd. Schrijf ons dan op met de getuigenden." (Soerah Aal'i `Imraan: 53)

Tawassul met de smeekbede (du`ā’) van walī (een goede en oprechte muslim (een 'heilige' in de volksmond)

Als een muslim een goede en oprechte muslim (een 'walī' (heilige) in de volksmond) vraagt om voor hem te bidden om b.v. genezing van zijn ziekte, is volgens het principe van de tawassul, Allāh, die de ziekte wegneemt, als een gunstbewijs aan de 'walī', die Hem om herstel voor deze ziekte heeft gevraagd, en het is dus niet de 'heilige' die hem beter maakt.

Tawassul door middel van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) bestond hierin, dat men zich tot hem wendde, en hem vroeg om zijn gebed. Een typisch voorbeeld van deze tawassul geven de overleveringen, waarin verteld wordt, hoe an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), op verzoek van een Bedoeïen, aan Allāhu Ta`ālā om regen vroeg. De werking van zijn gebed was zo groot, dat het een week achtereen regende, waarop an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), nadat de Bedoeïen hem daarom gesmeekt hadden, tot Allāhu Ta`ālā bad om de regen te doen ophouden (Bukharie 11;34,35)

De sahaba (metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) richtten zich tot an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), uitgaande van het denkbeeld, dat hij zo veel macht bij Allāhu Ta`ālā heeft, dat hij in staat is de vraag van de mu'mins aan hem tot oorzaak van het vervullen van de wens te maken. Door de grote invloed, die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) bij Allāhu Ta`ala heeft en door zijn nabij zijn bij Allāhu Ta`ālā, is hij in staat het verzoek, hem door de mu'mins gedaan te vervullen.

Ook het verbinding trachten te verkrijgen met Allāhu Ta`ālā door middel van het gebed (du`ā’) van anderen dan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), komt in de traditie voor.

Zo lezen wij, in een hadieth van Anas bin Maalik (رضي الله عنه), dat `Umar (رضي الله عنه), door middel van 'Abbaas (رضي الله عنه), de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), contact zocht met Allāhu Ta`ālā, in een tijd van droogte. `Umar (رضي الله عنه) zei: "O, Allāh, wij plachten in tijden van droogte tawassul (verbinding) met U te zoeken door middel van onze Nabie (صلى الله عليه وسلم ), en U hebt ons gedrenkt. Nu zoeken wij tawassul met U door middel van de oom van onze Nabie (صلى الله عليه وسلم ), drenk ons".

Anas (رضي الله عنه) zei: " Hierop zond Allāh ons regen." (Bukharie, K. Istisqa, bab 3;11).

De tawassul berust op twee gedachten:

De idee van de ontoegankelijkheid, van de onbereikbaarheid van en van de onmogelijkheid om Allāhu Ta`ālā te bereiken. De muslim zegt als het ware: "De 'walī' is dichterbij Allāhu Ta`ālā dan ik. Ik ben ver van Allāhu Ta`ālā verwijderd, zodat het slechts door middel van deze tussenpersoon mogelijk is Allāhu Ta`ālā aan te roepen".

En de gedachte, dat het vragen aan een 'walī' door Allāhu Ta`ālā gemaakt is tot een oorzaak voor het vervullen van de wens. In deze zin worden door de `ulama (Islamitische geleerden) de overleveringen uitgelegd, waarin sprake is van een recht van de mens op Allāhu Ta`ālā. Als één van de gebeden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt in de overlevering vermeld: "O Allāh, ik vraag U krachtens het recht dat de vragers op U hebben." (bi haqqi'l saa`ilien 'alaika).

Een aanbevolen gebed voor hen, die zich van huis naar de moskee begeven om daar de salaat te verrichten, luidt als volgt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Wie zich van zijn huis naar de salaat begeeft, en zegt: "0, Allāh, ik vraag U krachtens het recht dat de vragers op U hebben, en krachtens het recht van mijn gang tot U.

Want ik begeef mij niet op weg in ongepaste en overmatige vreugde, noch uit hypocrisie, om gezien te worden door de mensen, maar ik begeef mij op weg, Uw toorn vrezend, naar Uw welgevallen verlangend. Daarom vraag ik U, dat U mij zult bewaren voor de hel, en dat U mijn zonden zult vergeven, want slechts U vergeeft de zonden". (Als iemand dit gebed opzegt) hem wendt Allāhu Ta`ālā zijn aangezicht toe en voor hem vragen zeventig duizend engelen om vergeving". (Ahmad ibn-i Hambals Musnad, III, 21) (Volgens Shaykh Al Albanie heeft deze hadieth een zwakke overleveringsketen ("Tawassul")

Hier is het de juiste houding tegenover Allāhu Ta`ālā, die de mens een recht op vergeving van zonden geeft, door het vervullen van de godsdienstplichten en door het doen van goede werken in overeenstemming met de Qur’ān en de Sunnah. Het is een oneigenlijke soort van tawassul, in zoverre de verbinding tussen mens en Allāhu Ta`ālā niet gevormd wordt door iemand, die dichter bij Allāhu Ta`ālā staat dan hij, die verbinding tracht te verkrijgen, maar het zijn juist de goede handelingen van de mu'min zelf die hem een recht op Allāhu Ta`ālā geven, waardoor de vervulling van zijn wensen gewaarborgd is.

Naast de uitdrukkingen ,,krachtens het recht van de vragers op U.", en "krachtens het recht van mijn gang tot U.", vinden we in de overlevering door an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) gebruikt "krachtens het recht van Uw Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en de profeten voor mij." Zo b.v. waar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) bidt voor Fatimah, de moeder van `Alie (رضي الله عنه), wanneer ze gestorven is, zegt hij (صلى الله عليه وسلم ): "Degene die laat leven en laat sterven is slechts Allāh. Hij is de eeuwig Levende.

Vergeef mijn moeder Fatimah binti (dochter van) Asad, en laat haar ingang (in het paradijs) ruim zijn, krachtens het recht van Uw Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en de profeten, die voor mij waren. Want slecht U bent Arhamu'r Rahimien (de Barmhartigste der barmhartigen )" (Tabaraanie in "al Kabier wa'l Awsat"). Volgens Shaykh Al Albanie heeft deze hadieth een zwakke overleveringsketen ("Tawassul")

Als versterking van het denkbeeld, dat de mens een recht op Allāhu Ta`ālā kan hebben, worden wel Qur’ān verzen aangehaald (b.v. Qur’ān. 30; 46) waar Allāhu Ta`ālā zegt: (Nederlandse uitleg): "Het was een plicht voor Ons de gelovigen te helpen," en (Qur’ān 25, I7) waar Allāhu Ta`ālā, als Hij het paradijs heeft beloofd, zegt: (Nederlandse uitleg) "Dit is een belofte, waarvan de vervulling van Uw Rab (Heer) geëist kan worden."

Van een recht van Allāhu Ta`ālā en van de mens is sprake in een gesprek, dat, volgens een hadieth, werd gevoerd tussen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) en Mu'adz (رضي الله عنه), één van de bekende metgezellen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Muadz, weet jij, wat het recht is, dat Allāhu Ta`ālā heeft op Zijn dienaren?".

Mu'adz (رضي الله عنه) zei: "Allāhu Ta`ālā en Zijn Gezant weten het het beste", (d.w.z. ik weet het niet).

An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Het recht van Allāhu Ta`ālā op Zijn dienaren is, dat zij Hem dienen en niets als deelgenoot naast Hem plaatsen. Weet jij, wat het recht is dat de dienaren op Allāh hebben, wanneer zij dat doen?".

"Allāhu Ta`ālā en Zijn gezant weten het het beste", antwoordde Muadz (رضي الله عنه).

Daarop zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ): "Het recht dat zij op Allāhu Ta`ālā hebben, is, dat Hij hen niet zal straffen". (Bukharie 77,101)

De recht die de mens op Allāhu Ta`ālā heeft betekent dat dit recht voor Allāhu Ta`ālā geen verplichting tot iets meebrengt. Het is een gunst van Allāhu Ta`ālā en geen equivalent, tot het geven waarvan Hij verplicht is. Allāhu Ta`ālā kan tot niets verplicht worden. Hij is onafhankelijk van alles!!!.

d. Tawassul door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم )

De voorgaande vormen van tawassul is unaniem door alle Sunni `ulama als geldig beschouwd. Tawassul door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) tijdens zijn leven via zijn du`ā’s wordt ook als geldig beschouwd. Echter over de tawassul via de eer, de invloed en de hoge rang van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) bij Allāhu Ta`ālā is er onenigheid. Hieronder geven we de bewijzen van de beide groepen.

Men kan zich onder de mensen niemand voorstellen, die een groter en krachtiger recht op Allāhu Ta`ālā heeft dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ). Zijn verheven rang, en het nabij zijn bij Allāhu Ta`ālā, zijn daar waarborgen voor. Om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) concentreert zich dan ook het grootste gedeelte van de overleveringen, die op de tawassul betrekking hebben. De tawassul door middel van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) wordt door de meeste `ulama verkondigd, waaronder Imaam Ahmad bin Hambal en Imaam ash Shawqaanie.

Deze vorm van tawassul komt in verschillende vormen voor. Hij, die verbinding zoekt met Allāhu Ta`ālā kan dat doen, door Allāhu Ta`ālā aan te roepen krachtens de eer, de invloed en de hoge rang van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) bij Allāhu Ta`ālā.

Shaykh al Albaanie vermeldt in zijn boek "Tawassul", dat degene, die verbinding zoekt met Allāhu Ta`ālā niet mag aanroepen krachtens de eer, de invloed en de hoge rang van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) die hij bij Allāhu Ta`ālā heeft. Er zijn geen betrouwbare bewijzen voorhand. Geen van de gebeden in de Qur’ān en de Sunnah spreken over de eer, de invloed en de hoge rang van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) of van welke andere profeet dan ook. Verder hebben geen van de Salaf'i Saalihien (vrome voorgeslacht: de eerste drie generaties van deze gemeenschap) tawassul via de eer, de invloed en de hoge rang van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) verricht. Noch hebben ze na de dood van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) bij zijn graf tawassul verricht. Ze hebben nooit aan zijn graf gestaan en hem gevraagd: " O Nabie (صلى الله عليه وسلم ) vraag aan Allāh voor mij om gezondheid, vergeving, verlossing etc". Dit geldt ook het vragen naar andere profeten, "walī's" en engelen.

Imaam Abū Haniefa en zijn leerlingen hebben deze vorm van tawassul dan ook ongeldig verklaard (Durri'l Mukhtaar (2;630), Fataawaay'i Hindiyya (5;280).

De ahadieth die enigszins neigen naar deze vorm van tawassul, worden door `ulama bekritiseerd of op een gepaste manier uitgelegd. In meeste gevallen hebben we te maken met de type c tawassul (tawassul met het gebed (du`ā’) van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم )).

Zo is een hadieth in bepaalde boeken bekend, waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) gezegd zou hebben: "Vraag Allāh krachtens mijn hoge rang . Want mijn rang is bij Allāh heel hoog". Deze hadieth is in geen van de bekende hadieth boeken te vinden.

Van Maaliku'l Daar (tabi`i: tweede generatie van deze `ummah): "In de tijd van `Umar (رضي الله عنه) (tijdens zijn khalifaatschap) heerste hongersnood (door droogte).

Op één van deze dagen ging een man naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en zei: "O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), vraag Allāh om water voor uw `ummah, want uw `ummah komt om." In zijn droom werd de man gevraagd: "Ga naar `Umar (رضي الله عنه)". (Ibn'i Abie Shaybah, met een correcte keten van overleveraars). Deze hadieth is op vele gronden zwak (zie "Tawassul")

Tawassul vòòr de geboorte van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ): Volgens sommige `ulama werd deze vorm van tawassul al gebruikt, toen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) nog niet bestond als mens op aarde. Van `Umar bin Khattaab (رضي الله عنه): "Toen Adam ( عليه السلام) zondig geworden was door het eten van de verboden vrucht, sprak hij, tot Allāhu Ta`ālā: "O, Heer, ik vraag U krachtens het recht van Muhammad. Wilt U mij niet vergeven?. Toen sprak Allāhu Ta`ālā: "Hoe ken jij Muhammad (terwijl Ik hem niet geschapen heb)?" O Heer", zei Adam ( عليه السلام), toen U mij geschapen had, hief ik mijn hoofd op en zag op Uw Troon (`Arsh) geschreven staan: " Er is geen godheid dan Allāh, Muhammad is de gezant van Allāh." Toen wist ik, dat U slechts aan Uw naam zou verbinden diegene van de mensen, die U het liefst is." Hierop sprak Allāhu Ta`ālā: Jij hebt waar gesproken, Adam. Er is niemand die Mij liever is. En daar jij Mij krachtens zijn recht gevraagd hebt, zal Ik je vergiffenis schenken. Als het niet om Muhammad was, zou Ik je niet geschapen hebben." (al-Haakim, Mustedrak, door al-Haakim als sahieh genoemd). Deze hadieth is volgens veel muhaddithien (Ibn Taymiyya) niet sahieh, omdat in de keten van overlevering `Abdurrahmaan bin Zayd bin Aslam zit, die door hadieth geleerden (muhaddithien) bekend staat als onbetrouwbaar. (Shaykh Al Albanie is dezelfde mening aangedaan ("Tawassul")

Tawassul tijdens het leven van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ): Het vragen aan Allāhu Ta`ālā krachtens de eer en de invloed van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) was ook in gebruik tijdens het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ). Een blinde man kwam tot an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en vroeg hem tot Allāhu Ta`ālā te willen bidden om genezing voor hem. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) beval hem, woedu` te verrichten (zich in ritueel reine toestand te brengen), en dan het volgende te bidden: "O Allāh, ik vraag u en ik richt mij tot U door middel van Uw Nabie, an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) van de barmhartigheid. O, Muhammad, en ik richt door middel van u tot mijn Heer in mijn behoefte, opdat die vervuld moge worden. O. Allāhu Ta`ālā, laat Muhammad als voorspraak voor mij optreden." Toen de man dit gebed gedaan had, werd hij ziende. (Ahmad bin Hambal (4;138); Tirmithie (4;281-282); Ibn'i Maadjah (1;313). Volgens Shaykh al Albanie is deze hadieth correct. Echter, deze hadieth geeft niet aan dat de tawassul gericht is op de persoon van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zelf, maar de tawassul van de blinde is gericht via het gebed (du`ā’), dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) aan hem heeft geleerd. Want hij kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) en zei: "Doe du`ā’ aan Allāh opdat Allāh mij beterschap geeft (zodat ik weer kan zien)". Dit zei hij omdat hij wist dat Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم ) gebed door Allāhu Ta`ālā verhoord zou worden. Want als de tawassul aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) als persoon was gericht dan hoefde hij ook niet te komen, dit had hij ook thuis kunnen doen.

De bedoeling van: "Ik richt mij tot U door middel van Uw Nabie (صلى الله عليه وسلم )", is: "Ik richt mij tot U door middel van het gebed en de voorspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم )." Daarom wordt er ook gezegd: "O, Allāh, laat Muhammad als voorspraak voor mij optreden", d.w.z.: "Beantwoordt zijn gebed". ("Tawassul")

Shafa`ah (voorspraak)

1. Shafa`ah (voorspraak) in de Qur’ān en ahadieth.

Een bijzondere vorm van tawassul door middel van de profeten in het algemeen en an-Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) in het bijzonder is het vragen om zijn voorspraak (shafa`ah). Altijd wordt de shafa'ah genoemd in verband met het Hiernamaals, met het Laatste Oordeel bij Maqaam'i Mahmoed, Liwaa'i Hamd en Hawdh'i Kawsar. (Nederlandse uitleg): "Weet dat er geen godheid is dan Allāh en vraag om vergeving voor jouw zonden en voor (de zonden van) de gelovige mannen en de gelovige vrouwen. En Allāh kent jullie bezigheden (op aarde) en jullie verblijfplaats (in het Hiernamaals). (Qur’ān 47;19)

Wanneer Allāhu Ta`ālā de mensen wil overtuigen van het naderen van het Laatste Oordeel, zegt Hij in de Qur’ān: (Nederlandse uitleg):"Vreest de Dag, waarop geen ziel een andere ziel ergens mee kan bijstaan, waarop geen voorspraak wordt aangenomen, geen losgeld aanvaard en zij niet geholpen zullen worden." (Qur’ān (2;48)

Verder wordt met de ayah (Qur’ān 32;4):(Nederlandse uitleg): "... Buiten Allāh is voor jullie geen voorspraak ...", de nadruk op Allāhu Ta`ālā's Almacht gelegd.

Van een bepaalde groep van mensen zegt Allāhu Ta`ālā in de Qur’ān, dat zij geen voorspraak bezitten: van de ongelovige afgoden dienaren, die zich niet wilden bekeren tot de Islam. Deze ontkenning is bedoeld als handhaving van de Tawḥīd (goddelijke eenheid) tegen de opmerkingen van de ongelovigen, die van de goden, welke zij naast Allāhu Ta`ālā dienden, zeiden:

(Nederlandse uitleg) "Zij zijn onze voorspraken bij Allāh". (Qur’ān 10;18). Neen, is het antwoord daarop, dat zijn zij niet, de ongelovigen bezit geen voorspraak. ( zie verder de Qur’ān 6:94 ; 36:23; 40:18 ;74:48).

Dit bemerken dan de afgodendienaren ook zelf op de Dag der Opstanding. Zij zoeken naar personen die bemiddelend voor hen bij Allāhu Ta`ālā op kunnen treden (zie Qur’ān 7:53), maar vinden die niet (zie Qur’ān 26:100 ; 30:13).

Ter aanduiding van Allāhu Ta`ālā's Almacht wordt de shafa'ah met verlof van Allāhu Ta`ālā genoemd in Qur’ān (zie. 2:255 ; 10:3; 34:23). Daarom kan gezegd worden, dat de shafa`ah geheel bij Allāhu Ta`ālā berust (Qur’ān 39:44):

(Nederlandse uitleg) "Zeg: "Aan Allāh behoort alle voorspraak.

Aan Hem behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde en tot Hem zullen jullie terugkeren"

De engelen zullen voorspraak voor degenen verlenen over wie Allāhu Ta`ālā tevreden is, en dit kan pas na Allāhu Ta`ālās verlof: (Nederlandse uitleg): "Op die Dag staan de Geest (Djibriel) en de engelen in rijen opgesteld. Zij spreken niet, behalve aan wie de Barmhartige toestemming verleent en die zegt wat juist is." (Qur’ān 78;38)

Volgens de `ulama is de shafa`ah van de awliya (heiligen), shuhada (martelaren), arme mu'mins en kinderen van mu'mins mogelijk.

In Qur’ān (20:109) wordt de voorspraak verleend aan degenen, in wiens woorden Allāhu Ta`ālā welgevallen heeft, terwijl in Qur’ān (43:86) wordt ontkend de voorspraak van hen, die buiten Allāhu Ta`ālā aangeroepen worden. Tenslotte zien wij in Qur’ān (19:87) dat de shafa'ah toegekend wordt aan degenen, die met Allāhu Ta`ālā een verbond hebben gesloten, namelijk de muslims.

Van Abū Sa'ied al-Khoedri رضي الله عنه) In de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) waren er mensen die vroegen:

O, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), zullen wij onze Rab (Rab) zien op de dag der opstanding (yawm al qiyaamah)?'

'Ja', zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), 'en hebben jullie enig twijfel om 's middags bij helder weer de zon te zien, zonder dat er een wolk voor zit, of bij helder weer de volle maan te zien, zonder dat er een wolk voor zit?

'Nee, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ),' zeiden ze.

'Net zo min bij het zien van één van hen, zal het jullie een probleem

opleveren Allāhi Tabaraka wa Ta` ala te zien op de dag der opstanding.

Op die dag zal een oproeper (mu`adhdhin) afkondigen: 'Laat ieder gemeenschap (ummah) volgen wat zij (op aarde) altijd gediend heeft!' Dan zullen allen die afgoden en beelden naast Allāh Subhaanahoe gediend hebben één voor één in de hel vallen, tot alleen nog goede (barr) en slechte (faadjir) (muslims) en het overschot van de mensen van het Boek (de joden en de christenen) over zijn die Allāh gediend hebben'.

Dan zullen de joden worden bijeengeroepen en aan hen wordt gevraagd:

'Wat hebben jullie (op aarde) gediend?'

Ze zullen zeggen:

'Wij hebben `Oezair, Allāhs zoon, gediend.'

'Jullie liegen! Allāh heeft geen gezellin en geen zoon. Wat willen jullie nu?'.

'Wij hebben dorst, O onze Rab, les onze dorst!'

Ze worden naar een (bepaalde) plaats gewezen en gevraagd:

'Waarom gaan jullie daar geen water drinken?'.

En zij worden bijeengedreven naar het Vuur (die tot hun grote verslagenheid) een luchtspiegeling (bleek te zijn), (maar in werkelijkheid een vuurzee is waarvan de vlammen tegen elkaar slaan), en zij vallen één voor één in het vuur.

Dan worden de christenen bijeengeroepen en aan hen wordt gevraagd:

'Wat hebben jullie gediend?.'

Ze zullen zeggen:

'Wij hebben de Masieh, Allāhs zoon gediend.'

'Jullie liegen! Allāh heeft geen gezellin en geen zoon. 'Wat willen jullie nu?'

'Wij hebben dorst, O onze Rab, les onze dorst !'

Ze worden naar een (bepaalde) plaats gewezen en gevraagd:

'Waarom gaan jullie daar geen water drinken?'.

En zij worden bijeengedreven naar de Hel (Djahannam) (die tot hun grote verslagenheid) een luchtspiegeling (bleek te zijn), (maar in werkelijkheid) een vuurzee is waarvan de vlammen tegen elkaar slaan, en zij vallen één voor één in het vuur, tot alleen diegenen over zijn die Allāh hebben gediend, de vromen en de zondaars.

De Rabu'l `aalamien (Rab der heelal) de Allerhoogste, nadert hen, in een (geestelijke) gedaante waarin zij Zijn aanblik nog net kunnen verdragen, en zegt:

'Waar wachten jullie op? Iedere gemeente volgt wat zij altijd gediend heeft.'

'Onze Rab, wij hebben ons altijd afzijdig gehouden van de mensen in de wereld, hoezeer wij hen ook nodig hadden, en wij hebben niet met hen verkeerd.'

'Ik ben uw Rab,' zal Hij dan zeggen, maar zij antwoorden:

'Wij zoeken bescherming bij Allāh tegen U! Wij plaatsen geen deelgenoten naast Allāh. En dat zullen zij twee of drie keer herhalen, tot sommigen van hen al bijna rechtsomkeert maken.

'Is er tussen jullie en Hem een teken waaraan jullie Hem zouden herkennen?'

'Ja, dan worden de dingen ontbloot (m.a.w. ze worden uit hun beangstigende positie bevrijdt en de waarheid komt naar boven)'.

Iemand, die zich altijd (op aarde) uit eigen beweging ter aarde wierp voor Allāh, staat Allāh hem toe dat te blijven doen (nadat men Allāh ziet). Maar iemand, die zich ter aarde wierp uit vrees (voor mensen) of uit pralerij (om gezien te worden) (op aarde), maakt Allāh zijn rug tot één samengestelde wervel: telkens als hij zich ter aarde wil werpen valt hij op zijn achterhoofd. Dan heffen zij hun hoofd op en Hij heeft weer de gedaante aangenomen waarin zij Hem voor het eerst gezien hadden.

'Ik ben jullie Rab,' zegt Hij, en dan beamen zij:

'U bent onze Rab!'

Dan wordt de siraat (brug) over de Djahannam geslagen en wordt het

toegestaan voorspraak te doen, en zij (de profeten) zeggen:

Allāhumma sallam, Allāhumma sallam (O Allāh, red ons! O Allāh, red ons!'

Iemand vroeg:

'O, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ),wat is die brug'?

Hij zei:

'Het is een leegte, glad en glibberig, zei hij, 'er zitten angels, haken en voetangels op als op een sa`daan, een kaktussoort die in het gebied Nadjd groeit. De mu'minoen (gelovigen in de Islamitische monotheisme) gaan die brug over in een oogwenk, als een bliksem, als een wind, als een vogel, als de mooiste paarden en kamelen.

Sommigen worden behouden en gered, anderen worden opengereten en losgelaten (en bereiken de Djannah (het paradijs), weer anderen worden in het vuur van Djahannam geduwd, en zo gaat het tot de mu'minoen gered zijn van het vuur. Bij Hem in wiens hand mijn ziel is: niemand pleit zo hardnekkig bij Allāh als de mu'minoen op de Dag der Opstanding ten behoeve van hun broeders in de hel: 'Onze Rab, zij (de muslims die in de hel zitten) hebben met ons gevast en de salaat verricht en de bedevaart verricht.'

'Haal er dan uit wie jullie kennen en hun gestalten zullen het hellevuur worden ontzegd.'

Dan zullen zij er veel mensen uit halen bij wie het vuur al tot de helft van hun scheenbenen of tot hun knieën stond, en zij zullen zeggen:

'Onze Rab, er is daar niemand achtergebleven van degenen over wie U ons bevel gegeven had.'

(Maar Allāhu Ta`ālā zal zeggen):

'Ga terug, en als jullie iemand vinden met het gewicht van een dinar aan goeds in zijn hart, haal die er dan uit.'

Dan halen zij er nog velen uit en zeggen:

'Onze Rab, wij hebben daar niemand achtergelaten van degenen over wie U ons bevel gegeven had.'

(Maar Allāhu Ta`ālā zal zeggen):

'Ga terug, en als jullie iemand vinden met het gewicht van een halve dinar aan goeds in zijn hart, haal die er dan uit.' Dan halen zij er velen uit en zeggen: 'Onze Rab, wij hebben daar niemand achtergelaten van degenen over wie U ons bevel gegeven had.'

(Maar Allāhu Ta`ālā zal zeggen):

'Ga terug, en als jullie iemand vinden met het gewicht van een greintje goeds in zijn hart, haal die er dan uit.'

Dan halen zij er velen uit en zeggen:

'Onze Rab, wij hebben daar niemand gelaten die iets goeds had.'

(Abū Sa'ied (رضي الله عنه) zei:

'Als jullie mij niet geloven aangaande deze traditie, reciteer dan eens als je wilt: (Nederlandse uitleg):"Allāh doet niet voor een greintje onrecht. Als het een goede daad is verdubbelt Hij die en geeft Hij van Zijn kant een geweldig loon". [Nisaa (4:40)]')

Dan zegt Allāh `Azza wa Djalla:

'De engelen hebben voorspraak (shafa`ah) gedaan, de profeten hebben voorspraak gedaan en de mu'minoen hebben voorspraak gedaan; alleen de Arhamurraahimien (Barmhartigste der barmhartigen) is nog over.

Dan neemt Hij een handvol vuur en haalt daar mensen uit die helemaal niets goeds gedaan hadden en die al tot houtskool geworden waren. Hen gooit Hij in een rivier aan de rand van het paradijs, die de levensrivier genoemd wordt; en daar komen zij uit zoals graantjes die meegevoerd worden door een stortvloed. Zien jullie niet dat ze soms onder een steen of onder een boom groeien?. Dan zijn ze gelig of groenig als ze naar de zon zijn gericht en blijven wit als ze in de schaduw staan.

'O, Rasûlullāh,' zeiden ze, 'het lijkt wel of u herder geweest bent in de woestijn.'

Hij zei: 'Zij komen uit (de levensrivier) als parels, met zegels in hun nek, en worden door de paradijs bewoners herkend. Dit zijn de vrijgelatenen van Allāh, die Allāh het paradijs heeft doen ingaan zonder dat zij enig werk hebben gedaan of enig goeds hebben kunnen aanvoer.

Dan zegt Hij:

'Ga het paradijs binnen, en (alles) wat jullie daar zien is voor jullie.

Ze zeggen:

'Onze Rab, U geeft ons wat U geen van de heelalwezens hebt gegeven!'

Dan zegt Hij:

'Ik heb nog iets beters dan dit voor jullie.'

Ze zeggen:

'Onze Rab, wat is beter dan dit?'

Dan zegt Hij:

'Mijn welgevallen. Hierna zal ik nooit meer boos zijn op jullie'.

(Commentaar van Imaam Muslim die hierna volgt is niet vertaald)

(Muslim, K. Īmān/H.302)

Van Abū Hurayrahh (رضي الله عنه): Op een dag werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) een stuk vlees gebracht; de voorpoot werd hem aangeboden, die hij lekker vond. Hij trok er met zijn tanden een stuk uit en zei:

' Ik ben de heer (sayyid) der mensen op de Dag der Opstanding (yawma-l Qiyamah), weten jullie waarom? Op de Dag der Opstanding zal Allāh de eersten en de laatsten bijeenbrengen op een vlakte, zodat de heraut voor allen hoorbaar zal zijn en zij allen te overzien zijn.

Dan zal de zon dichterbij komen, en zoveel smart en leed zal de mensen geworden dat zij het niet uithouden en verdragen. Zij zullen tegen elkaar zeggen: 'Zien jullie niet hoe wij eraan toe zijn en wat ons is overkomen? Kunnen jullie niet iemand zoeken die voor jullie voorspraak doet bij jullie Rab?' En sommigen zullen zeggen: 'Ga naar Adam! 'Ze komen bij Adam ( عليه السلام) en zeggen: 'O, Adam, u bent de vader der mensheid. Allāh heeft u eigenhandig geschapen en iets van Zijn geest in u geblazen en Hij heeft de engelen bevolen zich voor u ter aarde te werpen . Doe voor ons voorspraak bij uw Rab. Ziet u niet hoe wij eraan toe zijn en wat ons is overkomen?' Dan zegt Adam ( عليه السلام): 'Mijn Rab is vandaag zo boos als Hij vroeger nooit geweest is en later nooit meer zijn zal. Hij heeft mij verboden van de boom (in het paradijs) te eten en ik ben ongehoorzaam geweest. Mijn ziel!. Mijn ziel!. Ga naar een ander, ga naar Noeh'.

Ze komen bij Noeh ( عليه السلام) en zeggen: 'O, Noeh, u bent de eerste der gezanten (Rusul) naar de aarde gestuurd en Allāh heeft u een dankbare dienaar genoemd . Doe voor ons voorspraak bij uw Rab. Ziet u niet hoe wij eraan toe zijn en wat ons is overkomen?' Dan zegt hij: 'Mijn Rab is vandaag zo boos als Hij vroeger nooit geweest is en later nooit meer zijn zal. Ik had een gebed dat ik gebruikt heb tegen mijn eigen volk. Mijn ziel! Mijn ziel! Ga naar Ibrahiem ( عليه السلام)!'

Ze komen bij Ibrahiem ( عليه السلام) en zeggen: 'U bent Allāhs Nabie en beminde vriend onder de aardbewoners. Doe voor ons voorspraak bij uw Rab.

Ziet u niet hoe wij eraan toe zijn en wat ons is overkomen?' Dan zegt Ibrahiem ( عليه السلام) tegen hen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos als Hij vroeger nooit geweest is en later nooit meer zijn zal,' en dan noemt hij zijn leugens op. ( Ibrahiem ( عليه السلام) zei: 'Ik ben ziek,' om niet met de afgodendienaren mee te hoeven doen (37:89); hij zei dat de afgodsbeelden waren stukgeslagen door het grootste ervan, terwijl hij het zelf had gedaan (Qur’ān (21;63); hij zei van een ster: Dit is mijn Rab (Qur’ān (6;76)'(vertaler)

'Mijn ziel! Mijn ziel! Ga naar een ander, ga naar Moesa!'

Ze komen bij Moesa ( عليه السلام) en zeggen: 'O, Moesa, u bent de gezant van Allāh, Allāh heeft u boven de andere mensen verkoren door u te zenden en met u te spreken. Doe voor ons voorspraak bij uw Rab. Ziet u niet hoe wij eraan toe zijn en wat ons is overkomen?' Dan zegt Moesa ( عليه السلام) tegen hen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos als Hij vroeger nooit geweest is en later nooit meer zijn zal. Ik heb een mens gedood zonder dat mij dat bevolen was. Mijn ziel! Mijn ziel! Ga naar Iesa ( عليه السلام)!'

Ze komen bij Iesa ( عليه السلام) en zeggen: 'O, `Iesa, u bent de gezant van Allāh en u hebt met de mensen gesproken in de wieg , en u bent een woord van Hem dat Hij op Marjam heeft geworpen, en een geest van . Doe voor ons voorspraak bij uw Rab. Ziet u niet hoe wij eraan toe zijn en wat ons is overkomen?' Dan zal `Iesa ( عليه السلام) tegen hen zeggen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos als Hij vroeger nooit geweest is en later nooit meer zijn zal.' Een zonde van zichzelf noemt hij niet, maar hij zegt toch: 'Mijn ziel! Mijn ziel! Ga naar een ander, ga naar Muhammad!'

Ze komen bij mij en zeggen: 'Muhammad, u bent de gezant van Allāh en het zegel (laatste) der profeten. Allāh heeft u uw eerdere en latere zonden vergeven. Doe voor ons voorspraak bij uw Rab. Ziet u niet hoe wij eraan toe zijn en wat ons is overkomen?'

Dan ga ik heen en kom uit op een plek onder de Troon (Arsh); daar val ik ter aarde voor mijn Rab. Dan onderwijst Allāh mij en geeft mij manieren in om Hem te loven en te prijzen die Hij niemand eerder heeft onderwezen.

En er zal een stem klinken: 'O, Muhammad, hef je hoofd op! Vraag en jou zal gegeven worden; doe voorspraak en jouw voorspraak zal aangenomen worden.'

Dan hef ik mijn hoofd op en zeg: 'O, Mijn Rab: mijn gemeenschap (`ummah), mijn gemeenschap!'

En dan wordt er gezegd: 'Muhammad, leid door de meest rechtse poort diegenen uit je gemeente het paradijs binnen met wie niet meer afgerekend hoeft te worden; de andere poorten delen zij met de andere mensen.'

Bij Hem in wiens hand de ziel van Muhammad is! De afstand tussen de twee vleugels van een paradijspoort is gelijk aan de afstand tussen Mekka en Hadjar (of: tussen Mekka en Boesra) (Hadjar lag bij Bahrein, 1200 kilometer van Mekka; Boesra lag in het noorden van het huidige Jordanie, ongeveer 1600 km van Mekka.

(Muslim K.Īmān/B.84/H.327)

Van Anas ibn Malik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) heeft gezegd:

'Ik ben de eerste mens die voorspraak doet in het paradijs. En van de profeten heb ik de meeste volgelingen'.

(Muslim /K.Īmān/B.85/H.330)

De ahadieth van hierboven en de hadieth, die, aanknoopt aan Qur’ān (17:79: (Nederlandse uitleg): "En verricht in een gedeelte va de nacht gebed, als extra (gebed) voor jou. Jouw Rab zal jou zeker tot een eervolle plaats verheffen."), waar Allāhu Ta`ālā aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) de eervolle plaats (al makamu'l mahmoed) beloofd, heeft dit alles verder uitgewerkt.

2. Soorten shafa`ah.

De `ulama onderscheiden aan de hand van de bovenstaande hadieth een vijftal verschillende voorspraken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) op de Dag der Opstanding (zie "Shifa`a's Saqaam" van Imaam as Subqie hierna afgekort als "Shifaa").

De eerste is die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) verricht voor de muslims die door dorst en hitte gekweld worden, door het aanschouwen van de verschrikking van de Dag des Oordeels. Ze zullen verschrikt zijn en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) vragen, aan Allāhu Ta`ālā te smeken om het ophouden van de beproevingen van de plaats van de Opstanding, nadat zij dit reeds aan alle profeten verzocht hebben, maar een weigerend antwoord ontvangen hebben. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) begeeft zich dan tot Allāhu Ta`ālā, prosterneert zich voor Hem, en vraagt hem de beproevingen te doen ophouden, waarop Allāhu Ta`ālā zijn verzoek inwilligt. (zie ook Bukharie 97;191) Dit wordt de grote voorspraak genoemd, en is een voorrecht van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ). Niemand heeft deze shafa`ah met hem gemeen.

Een tweede soort, die eveneens an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) alleen bezit, heeft tot gevolg het binnentreden van zeventig duizend muslims van zijn `ummah in het Paradijs: "Van mijn ummah zullen er zeventig duizend het Paradijs binnentreden zonder afrekening". (Bukharie 81;50).

Van Abū Hurayrahh (رضي الله عنه):

Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) horen zeggen: 'Een groep van zeventigduizend uit mijn gemeenschap (ummah) zal het paradijs binnengaan; hun gezichten zullen stralen als de volle maan.

Abu Hurayrah (رضي الله عنه) zei: 'Toen stond `Ukkaasha ibn Mihsan al-Asadi op, een gestreepte mantel over zich heen trekkend. Hij zei: 'O, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), bid tot Allāh dat Hij mij één van hen zal laten zijn'.

En Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) bad: 'Allāhumma (O, mijn Allāh), maak hem een van hen!

Vervolgens stond er een man uit de Helpers op die zei:

'O, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) , bid tot Allāh dat Hij mij één van hen laat zijn, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei: `Ukkaasha is je al voor gewest.

(Muslim K.Īmān/B.94/H.369)

De derde soort is die, ten behoeve van zondige muslims, die de hel verdienen. In een hadieth wordt vertelt, dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) bij de siraat, de brug die over de helleafgrond is gelegd en waarover alleen de mu'mins veilig heen komen, terwijl de ongelovigen en zondige muslims in de hel storten, staat en roept: "O, Allāhu, bewaar hen voor het vallen (in de hel)" (Muslim 1; 329). Er zijn aanwijzingen, dat deze voorspraak naast an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) ook nog anderen toekomt. Door deze voorspraak wordt de muslims de hellestraf bespaard. Deze shafa`ah is belangrijker voor muslims, doordat er een groter aantal muslims door gebaat zullen zijn.

Door de shafa`ah (bemiddeling) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zullen degenen die reeds in de hel voor hun zonden hebben geboet het paradijs binnengaan: "Mijn voorspraak komt toe de muslims van mijn ummah die grote zonden begaan hebben"( Abu Dawud 39;20). De omvang van deze voorspraak is zeer groot, meer dan de helft van Muhammed's (صلى الله عليه وسلم ) ummah komt hierdoor in het Paradijs (Ibn Hanbal IV, 104). Het zijn degenen, die hebben geleefd, zonder iets als deelgenoot naast Allāhu Ta`ālā te hebben geplaatst (Muslim 1;75). De voorspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) is hier het heilsinstituut voor vele zondaren, die anders in de hel waren gebleven.

Verder haalt Allāhu Ta`ālā zelf uit de hel allen, die zeggen: "Er is geen godheid dan Allāh", of volgens sommige overleveringen, ieder, die een greintje geloof in zijn hart bezit (Muslim 1;72 en verder). Slechts zij, die de grootste zonde, de afgoderij bedreven hebben, blijven in de hel.

Tenslotte kan de bemiddeling van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) nog strekken tot verhoging van rang in het Paradijs en de Hel.

Zo is overgeleverd dat Abu Taalib, de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), voor wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) tevergeefs vergiffenis had gevraagd (Qur’ān 63;6), door de voorspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) in een plasje van vuur staat, terwijl hij zonder de voorspraak in de laagste afdeling van de hel zou verblijven (Ibn Hanbal IX;296).

Van `Abbaas ibn Abd al-Moettalib (رضي الله عنهما) . Hij vroeg: 'O, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) , heb je iets kunnen doen voor Abu Taalib? Want hij heeft jou beschermd en is voor je opgekomen.

Hij zei:'Ja, hij is in een ondiepe vuur in de hel, en als ik er niet was geweest was hij in de diepste laag van de hel geweest'.

(Muslim K.Īmān/B.90/H.357)

Dat de voorspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) niet beperkt is tot het hiernamaals, is reeds gebleken uit de overlevering, waarin verteld wordt hoe de blinde man zich tot Allāhu Ta`ālā richtte, zeggende: "Laat hij (an-Nabie (صلى الله عليه وسلم )) als voorspraak voor mij optreden", hiermede is niet bedoeld het optreden van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) op de Dag der Opstanding, maar reeds tijdens diens leven, teneinde hem het gezicht weer te geven. Evenzo blijkt dit uit de overlevering, volgens welke de ongelovige Arabieren aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) vroegen om als voorspraak te willen optreden, teneinde regen te verkrijgen . (Bukharie, Istisqa', bab 13)

Waar, zoals in deze overlevering, niet bedoeld is het verwerven van het paradijs door bemiddeling van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), maar integendeel het verkrijgen van wereldlijke dingen in de onmiddellijke toekomst beoogd wordt, krijgt de voorspraak eenzelfde betekenis als andere begrippen, die een vorm van tawassul uitdrukken, zoals het zich richten tot an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) (al-tawajjuh), het vragen om zijn gebed, het om hulp en bijstand smeken aan Allāhu Ta`ālā (al-isti'anah, al-istighathah), het toevlucht zoeken tot Allāhu Ta`ālā (al-isti'adhah) door middel van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ). ("Shifaa")

Ook van een oneigenlijk soort van voorspraak wordt in de hadieth melding gemaakt. Het vasten overdag en het reciteren van de Qur’ān 's nachts, zijn twee voorspraken op de Dag der Opstanding, omdat zij het volgen van lusten, het eten, en het slapen verhinderen (Ibn Hanbal II;174).

3. De positie van martelaren en profeten na hun dood.

Onder sommige muslims is in de loop der eeuwen de gewoonte ontstaan, zich naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) of de één of andere "walī" (heilige) te begeven, om hen daar aan te roepen, wanneer ze iets nodig hebben. Dit doen ze om tawassul (verbinding) met Allāhu Ta`ālā te verkrijgen door middel van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) of de één of andere "walī". De oorzaak wordt gezocht in het feit dat overlevenden levend zijn in hun graf.

Ten aanzien van de martelaren (shahied, m.v. shuhadaa), die in de Djihaad zijn gevallen, staat in de Qur’ān, dat zij niet dood zijn. (Nederlandse uitleg) "Zegt niet van degenen, die gevallen zijn op Allāh's weg: zij zijn dood. Neen, zegt: zij zijn levend" (Qur’ān. 2;154).

Van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) echter staat in de Qur’ān (39;30) duidelijk dat hij sterven zal. (Nederlandse uitleg) "Waarlijk, jij zult sterven, en zij zullen sterven" .

Het is van Islamitische standpunt bekeken natuurlijk ongerijmd, dat de martelaren levend zouden zijn en an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) dood. Daarom zeggen de `ulama (Islamitische geleerden), dat hier in dit vers sprake is van het aardse leven van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), waaraan door de dood een einde is gemaakt. Maar bij zijn aardse dood kwam hij in een ander leven, hoger en volmaakter dan dat van de martelaren, dat lijkt op dat van de engelen, waarvan slechts Allāhu Ta`ālā de hoedanigheid kent, en waarin wij verplicht zijn te geloven, zonder naar het hoe te vragen.

De ahadieth, waarin gesproken wordt over het levend zijn van de Profeten in hun graven, zijn niet eenstemmig. Er zijn er zelfs, die aan het tegendeel doen denken. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Niemand doet de salaam over mij of Allāh geeft mij mijn geest terug, totdat ik zijn salaam beantwoord heb". Al-Baihaqi verklaart deze overlevering als te betekenen, dat Allāhu Ta`ālā aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zijn geest heeft teruggegeven, na diens begrafenis, opdat hij de groet van de mu'mins zou kunnen beantwoorden. Zodat, volgens deze opvatting, er geen sprake is van een telkens herhaalde, tijdelijke, maar van een blijvende teruggave van de geest aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ).

Een andere mogelijkheid is volgens dezelfde schrijver, dat de geest van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), na diens dood verwijlend in de goddelijke tegenwoordigheid, telkens naar deze wereld terugkeert, wanneer iemand hem groet.

Als bewijs voor het levend zijn van de Profeten in hun graven, dient de hadieth, waarin verteld wordt, hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) op zijn nachtelijke reis van Mekka naar Jeruzalem (Isra) Musa ( عليه السلام) ziet in zijn graf, terwijl deze bezig is de salaat te verrichten (Ahmad bin Hambal III;120,148). Ditzelfde wordt ook van andere Profeten meegedeeld. De Profeten zijn echter niet gebonden aan hun graven, zij kunnen die verlaten. Tijdens Isra treedt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) in Jeruzalem zelfs als imaam (voorganger) op bij hun salaat. Op de vraag hoe het komt, dat de Profeten na hun dood godsdienstplichten vervullen, terwijl toch alleen de aarde de plaats is, waar deze de muslims zijn opgelegd, antwoordt Imaam as-Subki, dat de Profeten na hun dood in de Barzach, de plaats tussen paradijs en hel verblijven, en dat daar wel de godsdienstplichten vervuld moeten worden, terwijl het ook mogelijk is, dat de Profeten deze handelingen verrichten wegens het genoegen, dat zij daarin scheppen, en uit nederigheid tegenover Allāhu Ta`ālā.

De overlevering, waarin staat, dat Musa ( عليه السلام) in zijn graf de salaat doet, bewijst volgens Imaam as-Subki, dat niet alleen de geesten van de Profeten in hun graven zijn teruggekeerd, maar dat ook hun lichamen levend zijn, Want om de salaat te kunnen doen, moet men de beschikking hebben over zijn ledematen. Deze mening wordt versterkt, door de hadieth, waarin Allāhu Ta`ālā zegt, dat de lichamen van de Profeten niet door de aarde zullen worden verteerd (Ibn Hanbal IV;8: sahieh (betrouwbaar). Dit behoeft echter niet mede te brengen, dat deze lichamen voedsel en drank nodig hebben. De regels van het hiernamaals zijn hier van toepassing, en die zijn ons niet bekend ("Shifa").

We hebben gezien hoe het in de Qur’ān staat, dat de martelaren niet dood zijn, maar leven bij hun Rab.

Over de hoedanigheid van dit leven heerst verschil van mening. Er zijn `ulama, die het als een metafoor beschouwen, terwijl anderen het waarschijnlijk achten, dat "het levend zijn van de martelaren" op de Dag der Opstanding mee bedoeld wordt. Zij, die van mening zijn dat er in het Qur’ān vers een ander leven bedoeld wordt, wijzen op de overlevering, waarin wordt verteld, hoe de geesten van de martelaren door Allāhu Ta`ālā worden gebracht in groene vogels, die door het paradijs vliegen (Muslim /K.Imaraat/H. 121). Deze hadieth duidt op het levend zijn van de geest alleen. Ook van de martelaren wordt overgeleverd, dat de aarde hun lichamen niet verteren zal, en daarop wijzen ook de verhalen, die meedelen, hoe de lichamen van in de Djihaad gesneuvelden, bij de opgraving, vele jaren na hun dood, voor den dag kwamen, alsof ze pas in hun graven waren gelegd, terwijl er bij een toevallige verwonding, bloed uit één van de lichaamsdelen stroomde ("Shifaa").

Imaam as-Subki meent, dat ook de lichamen van de martelaren, evenals die van de heiligen, levend zijn in hun graven. Waar, volgens hem, het levend zijn van de lichamen van gewone doden in de overlevering vaststaat, en de tuchtiging in het graf lichaam en geest omvat, kan het niet anders, of het levend zijn van de martelaren, wier toestand zoveel hoger en volmaakter is, dan die van gewone doden, moet lichaam en geest betreffen. Van de gewone dode staat in de hadieth vast, dat hij het klapperen van de sandalen van hen, die zich van zijn begrafenis naar huis begeven, hoort (Muslim 5l;70-72), hij spreekt de dragers van de baar toe , (Bukharie 23; 24, 33) en bemerkt, wat er met hem gebeurt (Ibn Hanbal lll; 3, 62). Uit de ahadieth omtrent de ondervraging door de twee engelen in het graf blijkt, dat de doden kunnen horen en spreken, zij schreeuwen en bezitten wetenschap. ("Shifaa").

4. Wat is toegestaan bij grafbezoek?.

Ibn Qajjim al-Djawzijjah merkt op dat de begroeting van de doden, die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) heeft aanbevolen te doen, als men voorbij graven komt: "Gegroet, verblijf van gelovigen", een toespraak is tot mensen, die horen en begrijpen ("Kitaab ar Roeh").

Volgens bepaalde `ulama is het dus heel natuurlijk, dat een muslim, die een verbinding met Allāhu Ta`ālā tracht te verkrijgen dit doet door middel van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ). Hij begeeft zich naar diens graf, en roept hem daar aan. Terwijl andere `ulama zo'n handeling als onjuist verklaren (zie hierover hieronder). Men moet zich bij zijn graf ook gedragen, alsof men zich bevond in tegenwoordigheid van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) in levenden lijve: "Wie mijn graf bezoekt na mijn dood voor die is het, alsof hij mij tijdens mijn leven bezoekt." (ad-Daraqutnie)

Zo wordt er overgeleverd, dat Abu Bakr (رضي الله عنه) zei: "Het verheffen van de stem in tegenwoordigheid van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is niet gepast, of hij levend is, dan wel dood". Daarom berispte `Umar (رضي الله عنه) twee mannen, die te hard spraken in de moskee, waar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) begraven ligt. (Al Bukhārī 8;83).

`Aaishah (رضي الله عنها) , hoorde eens in één van de verblijven rond de moskee, waarin an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) begraven ligt, het geluid van een tentpin, die in de grond werd geslagen, en van een spijker, waarop gehamerd werd. Toen stuurde zij er iemand heen met de boodschap: "Stoort an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) niet".

Bekend is de overlevering, waarin verhaald wordt hoe `Aaishah (رضي الله عنها) ongesluierd stond bij het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), wanneer zij dat bezocht, zolang deze daar alleen begraven lag, maar dat zij zich sluierde, nadat `Umar (رضي الله عنه) naast hem begraven was.

In de later geschreven hadieth boeken wordt het bezoeken van graven, in de eerste plaats van het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), aanbevolen. Vooral in de traditieverzameling van al-Daraqutnie (overleden H.395/M.995) komen vele overleveringen ten gunste van het grafbezoek voor. In zijn verzameling vindt men de uitspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ): "Wie mijn graf bezoekt maakt mijn voorspraak voor hem tot een verplichting voor mij".

Deze en andere overleveringen zijn door Imaam as-Subki tot motto gekozen voor zijn boek ("Shifaa") ter verdediging van het bezoek aan het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ).

De pelgrims, die de Haj verricht hebben, begeven zich, na afloop daarvan, dikwijls naar Medina, om daar in de moskee van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) te bidden en zijn graf te bezoeken. Deze vereniging van de pelgrimstocht naar Mekka en het bezoek aan de moskee en het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), vinden we in de overleveringen, waarin an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) verklaart:

"Wie de Haj doet, en mij niet bezoekt, is hard voor mij".

"Aan hem, die de Makkah Haj doet en mij in mijn moskee bezoekt, voor hem wordt (de verdienste) van twee geaccepteerde Haj geschreven".

"Aan hem die mijn graf bezoekt, voor hem is mijn shafa`ah verplicht". (alle ahadieth in "Kanzu'l `Ummaal" van `Alie el Muttakie).

Hoewel Imaam Ibn-i Taymiyyah vijandig staat tegenover de hele idee, waarop de tawassul van de muslims in zijn tijd is gebaseerd, zijn het toch vooral de consequenties van die idee die in hoge mate zijn ergernis opwekt, omdat hij deze dingen als een verdraaiing van de volstrekte erkenning van de Ene Ilaah (God) beschouwt, namelijk:

het grafbezoek,

het aanroepen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en de heiligen,

en het verrichten van tot de cultus behorende, handelingen bij hun graven.

Elke cultus handeling, die gewijd wordt aan een graf, of aan de dode in dat graf is een inbreuk op de tawhiedu'l `Uluhiyyah, op het erkennen van Allāhu Ta`ālā als den Ene Allāhu Ta`ālā, die gediend moet worden, is shirk (polytheisme), afgodsdienst en wel grote shirk waarvoor Allāhu Ta`ālā geen vergiffenis schenkt.

Hij beroept zich op de Qur’ān verzen (71; 22 en verder) en de uitleg van deze verzen, waar hij betoogt, dat de afgodsdiensten van de vroegere volkeren bestonden in zich begeven naar de graven van heiligen, en het verrichten van cultushandelingen aldaar.

In deze verzen worden vijf goden genoemd, van een volk levend in de tijd van Noeh ( عليه السلام) Volgens de overlevering zijn Wadd, Suwaa, Jaghoeth, Ja`oed en Nasr de namen van vrome mannen, die leefden in de tijd tussen Adam ( عليه السلام) en Noeh ( عليه السلام). Vele mensen van hun volk volgden hen na, en, nadat zij gestorven waren, zeiden deze volgelingen: "Wanneer wij afbeeldsels van hen maakten, zou ons dat prikkelen in onze dienst van Allāhu Ta`ālā, wanneer wij aan hen denken." Het volk maakte toen afbeeldsels van deze mannen. Toen echter het volgende geslacht leefde, verleidde de Iblies (duivel) hen door te zeggen: "Zij plachten deze beelden te dienen, door middel van hen, regent het." Daarop diende dit volk deze vijf beelden ( Tafsier van Tababarie). Deze beelden zijn volgens de overlevering, later in Arabie terecht gekomen, waar zij door de Arabieren uit het tijdperk van de onwetendheid werden gediend. (Bukharie 65, uitleg van surah 71).

De verering van vrome mannen en het maken van hun graven tot afgoden is, volgens Ibn-i Taymiyyah, de oorzaak geweest van de terugval in het ongeloof van zovele volkeren. (Ibn-i Taymiyya, "Tafier van surati'l Ichlaas").

Wel is waar hebben de muslims in de tijd van Ibn-i Taymiyya en zelfs op de dag van vandaag geen afbeeldsels gemaakt van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) of hun heiligen, maar dat komt doordat het gevaar van het vervallen in afgodsdienst door het graf van een man in wiens vroomheid men gelooft, zoveel groter is dan het gevaar dat een boom of een steen in de gedaante van die man oplevert. (Ibn Taymiyyah, Iqtida al-,sirata'l-mastaqim: hierna afgekort als "Iqtida").

Ibn-i Taymiyya heeft voor zijn bestrijding van de gravendienst, betrouwbare ahadieth uit "de Zes Hadiethboeken" genomen, want de daarin voorkomende ahadieth over grafbezoek, hebben allen tot strekking de graven zo weinig mogelijk te onderscheiden. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zei:

"Onderneemt geen verre reis naar de één of andere moskee, behalve naar drie moskeeën: die van Mekkah, die van Qudus (Jeruzalem) en de mijne (in Medina) (Tirmidi 2;126). Op deze overlevering baseert Ibn-i Taymiyya, het verbod van het maken van een grote reis naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) of een heilige. Als het verboden is, zegt hij, om een verre reis te ondernemen naar een moskee, terwijl de salaat, die daar gehouden wordt, een verpliching is, dan is toch zeker het maken van een reis om een graf te bezoeken verboden. ("Iqtida")

Dat deze overlevering niet alleen moskeeën, maar ook graven en andere, uit de profeten geschiedenissen bekende plaatsen omvat, zien we uit de overlevering, waarin Basrah ibn Abū Basrah al-Gifaarie (رضي الله عنه) tot Abū Hurairah (رضي الله عنه), die van een reis van de berg Sinai terugkomt, zegt: "Als ik je gezien had, voor je er heen ging, zou je er niet naar toe gegaan zijn, want an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Onderneemt geen verre reis, behalve naar drie moskeeën".

De voorstanders van het grafbezoek hebben gepoogd de overlevering, waarin het maken een reis naar een graf verboden wordt, geinterpreteerd. Zo houdt Imaam as-Subki een lang betoog, waarin hij beweert, dat het voornaamste doel van de reis beslissen moet, wanneer er sprake is van het al of niet geoorloofd zijn ervan. En als men een reis onderneemt om het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) te bezoeken, moet het voornaamste doel zijn, een bezoek te brengen aan de moskee van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) in Medina, wat volgens de overlevering wel veroorloofd is.

Het zich dan begeven naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is slechts een onderdeel van het bezoek aan die moskee. Hij weet dan ook een overlevering aan te wijzen, waarin verteld wordt, hoe één van de meest bekende metgezellen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), Bilal (رضي الله عنه), de vroegere mu'addin (oproeper tot het vijfmaal, dagelijks gebed) van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), een reis van Syrie naar Medina maakte, enkel en alleen om een bezoek te brengen aan het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) ("Shifaa")

Qadl 'Iyaad tracht de overlevering op een andere wijze aan elkaar kloppend te maken. De grond, waarin an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) begraven ligt zou, volgens hem, voortreffelijker zijn dan de drie, in de overlevering genoemde moskeeën, wat tot gevolg heeft, dat het bezoeken van het graf en het ondernemen van een reis er heen eveneens voortreffelijker zou zijn dan het gaan naar de drie genoemde moskeeën. Ibn-i Taymiyya verweert zich krachtig tegen deze bewering, die nooit iemand te voren heeft uitgesproken. De tekst van de overlevering is duidelijk, noch het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) noch dat van een heilige maakt er een uitzondering op. Ibn-i Taymiyyah verklaart het tot een ketterij (bid`ah), die tegengesteld is aan de grondslagen van de Islam, en die de ergste gevolgen heeft. Er zijn zelfs mensen, die de reis naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) voortreffelijker achten dan het verrichten van de Haj, en dit de grote Haj noemen !!! ("Iqtida").

5. De inrichting van het graf.

De graven behoren zelf volgens de betrouwbare overleveringen zeer eenvoudig ingericht te zijn. Zij zijn gelijk met de grond, hetgeen door de volgende overlevering wordt voorgeschreven. `Ali (رضي الله عنه) zei: "An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) heeft mij bevolen, dat ik elk beeld, dat ik zou zien, zou vernietigen en elk graf, dat verhoogd was, met de grond zou gelijk maken" (Tirmidi 8;56)

Het maken van bouwwerken op graven wordt daarom verboden: "An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) heeft verboden op de graven te bouwen" (Ibn Hanbal IV;339, 399). Ook het pleisteren van graven en plaatsen van opschriften erop, wordt door in overeenstemming met de overlevering (Tirmidi 8;58) voor niet geoorloofd verklaard.

Ibn-i Taymiyya verbiedt eveneens het bouwen op graven. Wat op een graf is gebouwd moet afgebroken worden. Het begraven in een moskee is ongeoorloofd. Wanneer de moskee reeds bestond voor het graf, moet dit worden gelijk gemaakt, of, als het nog vers is, worden opgegraven. Was het graf er eerder dan de moskee, dan moet deze ophouden als zoodanig gebruikt te worden als moskee; de salaat mag er niet in gehouden worden ("Iqtida") .

Ook het branden van lampen en kaarsen op graven is verboden: "Allāh heeft de bezoekers van graven, en hen, die de graven tot masjid's maken en er lampen branden, vervloekt" (Tirmidl 2;121). Zelfs laakt Ibn-i Taymiyya het meer dan nodig gebruiken van lampen in de moskee. In verband hiermede acht Ibn-i Taymiyya het niet geoorloofd, in een gelofte om olie en ander brandmateriaal voor een graf te beloven. Zulk een gelofte mag, evenals die van het ondernemen van een reis naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) niet vervuld worden. Het hangen van kleden over de graven, "alsof het de Ka'bah betrof", is verboden, evenals het gebruiken van goud en zilver om de laatste rustplaats van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) te versieren. De graven onderscheiden zich dus bijna door niets van de omgeving ("Iqtida").

6. Grafcultus.

Erger dan dit alles zijn echter de religieuze handelingen, die bij de graven plaats vinden. Het hangen van kleden over de graven, het maken van bouwwerken daarop, het gebruik van goud en zilver, het branden van lampen, dat alles is slechts uitvloeisel van een groter kwaad: de gravendienst. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) heeft reeds bij zijn leven gewaarschuwd tegen het dienen van zijn graf. Hij (صلى الله عليه وسلم ) zei: "O, Allāh, maak niet mijn graf tot afgod die gediend wordt" (Ibn Hanbal II, 246). Volgens de overlevering heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) dit nog vlak voor zijn dood gezegd (Muslim 5; 22). Het verrichten van de salaat bij een graf is niet toegestaan: an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Allāh heeft de joden en de christenen, die de graven van hun profeten tot masjid's maken, vervloekt" (Bukhari 8;55). In verband hiermede kunnen we de overleveringen, waarin an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) verbiedt zijn graf tot een feest te maken, noemen (Ibn Hanbal II, 367). Want het woord feest als naam voor een plaats, betekent de plaats waar men samenkomt tot het verrichten van cultushandelingen, zoals Ibn-i Taymiyya het zegt. Ook de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) achtten het verrichten van de salaat bij een graf ongeoorloofd. Toen `Umar (رضي الله عنه) Anas ibn Malik (رضي الله عنه) de saalat bij een graf zag doen, zei hij tot hem: ,,Pas op een graf, pas op. een graf !" (Bukhari 8;48). ("Iqtida")

Er zijn `ulama die menen, dat de oorzaak van het verbod van het verrichten van de salaat op een graf te zoeken is in de onreinheid van het graf, omdat de aarde er vermengd is met de overblijfselen van de lijken. Deze geleerden maken dan ook onderscheid tussen een oud en een pas gedolven graf, en nemen in aanmerking, of er tussen het lijk en de aarde al of niet een scheiding is, zodat beide niet vermengd kunnen raken. Ibn-i Taymiyya bestrijdt deze zienswijze. De oorzaak van het verbod is de gedachte aan het maken van de graven tot afgoden. Evenals an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) het verrichten van de salaat bij open ondergaan van de zon verbood, opdat dit niet zou leiden tot een soort afgoderij, vindt hij ook dat het verboden is de salaat bij een graf te verrichten.

Ibn-i Taymiyya wijst erop, dat nergens in de Qur’ān wordt bevolen of aanbevolen, de saaat te verrichten in de mashaahid's, zoals de, op de graven gebouwde moskeeën en of andere, uit de profetengeschiedenis bekende plaatsen, genoemd worden. Een andere grafcultus is het kussen van een graf dat ook niet toegestaan is. Slechts de zwarte steen in de Ka'bah (Hajaru'l Aswad) mag gekust worden. Het strijken van de hand langs het graf, het leggen van het hoofd erop, vanwege de zegen, die daaraan zou kleven, en het drukken van de wangen in het stof van het graf, wordt door Ibn-i Taymiyya tot afgoderij verklaard. Zo is het ook gesteld met het meenemen van stof van het graf vanwegen de zegen, het nederknielen, of het op andere wijze tonen van nederigheid, en het doen van ommegangen (tawaaf) bij een graf ("Iqdida").

Het bezoeken van de graven is, als daartoe niet een verre reis verricht is, toegestaan. Volgens de overlevering heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) aanvankelijk het bezoek verboden, later echter toegestaan: "Ik heb mijn Rab verlof gevraagd, om voor mijn moeder vergiffenis te mogen vragen, maar Hij heeft het mij niet toegestaan. Toen heb ik Hem verlof gevraagd om haar graf te mogen bezoeken, en dat heeft Hij mij toegestaan. Bezoekt dus de graven, want dat zal jullie aan de dood doen denken" (Muslim 11;105). "Ik placht u het bezoeken van de graven te verbieden. Wie een bezoek wil afleggen, laat die het doen. Maar zeg er geen onbetamelijke dingen" (Ahmad bin Hambal III;63).

De bezoeker mag bij het graf voor de dode bidden en voor hem om vergiffenis vragen, want dat deed an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) ook: "An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) leerde zijn metgezellen, dat zij, wanneer zij naar de graven gingen, moesten zeggen: "Gegroet, lieden van de verblijven, mu'mins en muslims. Ik zal, als Allāh wil, u volgen.

Wij vragen Allāh voor onszelf en voor u om heil" (Ibn Maajah 37;36). Dit gebed voor de dode is eveneens voorgeschreven bij de begrafenis, aan het graf. Er is overgeleverd, dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), na de begrafenis, bij het graf placht te gaan staan en te zeggen: "Vraagt om vergiffenis voor uw broeder en om de bevestiging voor hem, want hij vraagt er nu om". Behalve dat bij het graf gebeden mag worden voor de dode en voor hem om vergiffenis mag worden gevraagd, is het ook veroorloofd de salaat en de salaam over de dode uit te spreken: an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Wanneer iemand voorbij het graf gaat van een man, die hem bij zijn leven heeft gekend en de salam over hem uitspreekt, geeft Allāh aan de dode zijn geest terug, totdat hij de salaam beantwoord heeft" (Imaam Maalik, Muwatta' 1, 301).

De verdienstelijkheid van het uitspreken van de salaat en de salaam over an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) wordt in de overlevering meermalen naar voren gebracht en dit wordt beschouwen als sunnah. Maar het is volstrekt niet nodig, dat dit bij het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) geschiedt. Waar ook uitgesproken, altijd bereiken de salaat en de salaam an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ): "Maakt niet mijn graf tot een plaats van feest spreekt de salaat over mij uit waar jullie je bevinden, want jullie salaat zal mij bereiken" (Ibn Hanbal II;367).

Dus men mag voor de dode bidden, voor hem om vergiffenis vragen en de salaam en de salaat over hem uitspreken. Het is te begrijpen, dat uit deze gebeden alles, wat naar afgoderij neigt, is geweerd door Ibn-i Taymiyya. Het doel van het grafbezoek is het denken aan de dood en dat gebeurt evenzeer bij bet graf van een ongelovige als bij dat van een gelovige. Het bidden voor de dode, zowel bij de begrafenis als bij het graf en het uitspreken van de salaat en de salaam is sunnah. ("Iqdida").

Het is veroorloofd om bij het grafbezoek na het gebed voor de dode en het uitspreken van de salaat en salaam over hem, een gebed voor zichzelf te doen. Verboden is het echter om van het bidden voor zichzelf bij een graf een gewoonte te maken. Met opzet gaan naar een graf om daar voor zichzelf te bidden is verboden. Bij dit gebed mag men niet met het gezicht naar het graf gewend het gebed doen, maar men moet de voorgeschreven richting in acht nemen, namelijk in de richting van qiblah ("Iqtida").

Volgens de leerlingen van Imaam Abu Hanifah mag men zelfs bij de salaam over an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) niet met het gezicht naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) gaan staan. Qaadi `Ijaad levert over, dat Imaam Malik gezegd heeft: "Ik vind het onnodig, dat iemand bij het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) gaat staan bidden. Laat hij de salaam over an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) uitspreken en heengaan."

Volgens Ibn-i Taymiyya is het afgodsdienst (shirk) zich te begeven naar het graf van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) of van een heilige, om hem aan te roepen, tot hem te aanbidden en hem om vervulling van een behoefte te vragen in plaats van aan Allāhu Ta`ālā te vragen.

Wel is waar is het een feit dat de doden levend zijn in hun graven, het leven leiden van de Barzach, de plaats tussen hel en paradijs, doch de doden kunnen daar niet horen, dat men hen aanroept en kunnen de mensen niet helpen. Op de beschuldiging van de tegenstanders, dat Ibn Taymiyya de rang van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) naar beneden haalt, wordt het volgende geantwoord: "Hetgeen wij geloven is, dat de rang van onzen Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) de hoogste rang van alle schepselen is, in de meest volstrekte zin van het woord, dat hij levend is in zijn graf, het leven van de Barzach leidt, een leven, volmaakter dan dat die van de martelaren, voor welk leven in de Qur`aan de bewijzen te vinden zijn, want an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is zonder twijfel voortreffelijker dan de martelaren.

Wij geloven, dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) de salaam, die de muslims over hem uitspreken, hoort en wij verklaren het bezoeken van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) voor sunnah, behalve dat men geen verre reis mag maken naar zijn graf, of het moet zijn naar de moskee van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) in Medina om er de salaat te verrichten. Maar al moge an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) ook levend zijn in zijn graf, helpen kan hij niemand. Het werk van een dode is afgesneden, hij kan zichzelf nut noch schade aanbrengen, laat staan, dat hij iets voor een ander zou kunnen doen. Daarom is het bidden tot een dode en het vragen aan hem om vervulling van een behoefte afgoderij (shirk). De meeste nadruk ligt op het feit, dat het gebed een caltushandeling is en tot de dienst van Allāhu Ta`ālā behoort: van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is overgeleverd dat hij heeft gezegd: "Het gebed is de dienst", of, volgens een andere lezing: "Het gebed is de kern van de dienst (`ibadah) (Tirmidi 45;I).: dus ieder, tot wie gebeden wordt is een godheid. Daarom verbiedt Allāhu Ta`ālā tot een ander dan Hem te bidden: (Nederlandse uitleg) "... Degene, tot wie jullie buiten Allāhu Ta`ālā bidden, bezitten niet de macht over het vliesje van een dadelpit. Wanneer jullie tot hen bidden, horen zij jullie gebed niet en ook al zouden zij het horen, zouden zij jullie toch niet antwoorden. Op de Dag der Opstanding zullen zij verwerpen, dat jullie hen als deelgenoten naast Allāhu Ta`ālā hebben geplaatst...." (Qur’ān 35; 13, 14). Nog vele Qur’ān verzen kunnen aangevoerd worden om te bewijzen, dat het bidden tot een ander dan Allāhu Ta`ālā afgoderij is.

Nu zeggen de tegenstanders: wij bidden niet tot de doden in de graven, maar wij roepen hen aan en vragen hen om hulp en om voorspraak.

Wij weten, dat alle macht bij Allāhu Ta`ālā is, maar de profeten en de heiligen, die wij aanroepen, kunnen ons helpen in het vervullen van onze wensen.

Het antwoord hierop is: dan doen jullie hetzelfde als de onwetende Arabieren deden: niettegenstaande jullie geloven in Allāh als Rab (Rab en Meester) van de schepping, wenden jullie je toch tot anderen dan Allāhu Ta`ālā, en vragen aan hen om hulp en voorspraak, teneinde jullie wensen vervuld te zien, terwijl over het al of niet vervullen van die wensen, slechts Allāhu Ta`ālā macht heeft.

De Arabieren uit het tijdperk van de onwetendheid namen beschermers buiten Allāhu Ta`ālā, terwijl ze zeiden: (Nederlandse uitleg) " Behoren niet aan Allāh de reine godsdienst. En zij die zich buiten Hem verbonden nemen zeggen: Wij dienen hen (de afgoden) slechts, opdat zij ons nader bij Allāh zullen brengen...." (Qur’ān 39; 4). (Nederlandse uitleg) "Zij dienen buiten Allāhu datgene, wat hun geen nut kan opleveren noch schade toebrengen, zeggende: "Deze zijn onze voorspraken bij Allāh..." (Qur’ān, 10;18).

Dat is de afgoderij van de vroegere volken: niettegenstaande zij weten, dat alle macht bij Allāhu Ta`ālā is, dienen zij toch anderen naast Allāhu Ta`ālā, omdat zij geloven, daardoor dichter bij Hem te komen en voorspraken voor zichzelf bij Hem te verkrijgen.

Daarom wordt het bidden tot iemand die gestorven is tot de afgoderij gerekend, ook het vragen aan een dode is, op welke manier het ook geschiedt, tot afgoderij gerekend. Aan levenden mag men vragen datgene, waarover zij de beschikking hebben, aan doden niets. Toch is het beter, ook niet aan mensen te vragen. Dit is in de overlevering tot uiting gekomen: "Wanneer jullie vragen, vraagt dan Allāhu Ta`ālā, en wanneer jullie om hulp vragen, vraagt dan Allāhu Ta`ālā om hulp." An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) leerde zijn metgezellen, om niets aan mensen te vragen en van sommigen van de metgezellen wordt overgeleverd, dat zij dat ook niet deden.

Het zich bezighouden met dhikr en Qur’ān recitatie is, volgens de overlevering, voortreffelijker dan het vragen om iets. Het vragen aan mensen om dingen, waar zij geen macht over hebben, zoals het vragen om vergeving van zonden, om herstel van ziekten en dergelijke dingen is eveneens verboden.

Hoewel Ibn-i Taymiyya verschillende soorten van vragen onderscheidt, zoals het om hulp vragen (al-isti`aanah), en het om bijstand vragen (al-istijaathah), is zijn opinie erover dezelfde: slechts om datgene, waarover de mens beschikking heeft, mag men vragen. Het vragen om voorspraak aan een ander dan Allāhu Ta`ālā is verboden, omdat niemand anders dan Hij hierover beschikken kan. Hij onderscheid twee soorten voorspraak:

1). De ene, die door hem erkend wordt, is de, in de Qur’ān bevestigde: de shafa'ah van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en van anderen op de Dag der Opstanding, zoals die in de overlevering is uitgewerkt. Dit vindt slechts plaats met toestemming van Allāhu Ta`ālā, en alleen voor hem, in wie Allāhu Ta`ālā welgevallen heeft. Daarom zegt Allāhu Ta`ālā ook, dat de voorspraak geheel in Zijn Handen is. Wie zijn degenen, die van deze voorspraak genieten: "De gelukzaligste mens door mijn voorspraak is hij, die zegt: Er is geen godheid dan Allāh, en wiens hart daarbij zuiver aan Allāhu Ta`ālā is gewijd." Dus ten behoeve van hen, die de tawḥīd oprecht beleden hebben en zuiver gehouden hebben van alle afgodsdienstige praktijken, geeft Allāhu Ta`ālā toestemming als voorspraak op te treden, niet ten behoeve van de afgodendienaar in wie Allāhu Ta`ālā geen welgevallen heeft.

2) De tweede, in de Qur’ān ontkende soort van voorspraak is: Wie buiten Allāhu Ta`ālā aan iemand vraagt als middelaar op te treden, pleegt shirk (afgoderij) en daar Allāhu Ta`ālā slechts toestemming geeft tot de shaf'ah ten behoeve van de belijders van de goddelijke eenheid, zal niemand voor hem als voorspraak optreden (Kitaabu'l Īmān van Ibn-i Taymiyya).

De lofwaardige plaats (al-maqamu'l-mahmud), die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) inneemt, bereikt hij door het optreden als voorspraak. Wij zijn er zeker van de bemiddeling van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) op de Dag der Opstanding, wanneer men Allāh als de Ene Ilaah (God) erkent, en aan Hem de dienst wijdt. Dit kan door het vervullen van de door de Shari`ah voorgeschreven plichten. Door het doen van goede werken, door het geloof in an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en door het volgen van hetgeen hij gebracht heeft, namelijk de Qur’ān en de Sunnah, krijgt men slechts verbinding met Allāhu Ta`ālā. Het bestaan van onjuiste vorm van bemiddeling tussen Allāhu Ta`ālā en de mensen kan de volgende drie dingen betekenen:

De middelaars wekken de gedachte op alsof Allāhu Ta`ālā iemand nodig heeft om geinformeerd te worden over de toestand van zijn dienaren (Haasha: Allāh is vrij van zulke beweringen !). Maar wie van Allāhu Ta`ālā zegt, dat Hij de toestand van Zijn dienaren niet kent, zodat één of andere profeet, heilige of vrome Hem dat zou moeten meedelen, is een kaafir (ongelovige).

De middelaars wekken de gedachte op alsof Allāhu Ta`ālā onmachtig is over zijn dienaren te regeren en zich zijn vijanden van het lijf te houden zodat Hij daarvoor hulp nodig heeft (Haasha: Allāh is vrij van zulke beweringen !). Maar ook dit kan van Allāhu Ta`ālā niet gezegd worden, want Hij is oppermachtig, alles buiten Hem behoeft Zijn hulp. De mensen echter hebben helpers nodig.

De middelaars wekken de gedachte op alsof Allāhu Ta`ālā uit zichzelf niet komt tot het goed behandelen van Zijn onderdanen, maar dat Hij daartoe een prikkel van buiten nodig heeft, die Hem aanspoort. (Haasha: Allāh is vrij van zulke beweringen !). Ook dit is met Allāhu Ta`ālā niet het geval. Zij, die als voorspraken bij hem optreden, doen dat, nadat Hij hun daarvoor toestemming heeft gegeven, in tegenstelling met de voorspraken, die bij de koning optreden, want die doen dat ongevraagd.

Allāhu Ta`ālā heeft de vrije beschikking over het al of niet toestaan van de voorspraak, de koningen moeten op hun hoede zijn en zullen het verzoek van een wezir, hun vrouw of hun kinderen dikwijls niet durven weigeren, omdat zij hem zeer grote schade kunnen toebrengen en omdat hij hen nodig heeft.

Wij erkennen de shafa`ah van onze Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) en alle andere profeten, engelen, awliya (heiligen), shuhada (martelaren) en alle andere personen die in de ahadieth worden genoemd op de Dag der Opstanding. Wij vragen de shafa`ah van Allāhu Ta`ālā, die er de Rab van is, en die er verlof toe geeft. Wij vragen de shafa`ah door nederig tot Allāhu Ta`ālā te zeggen:

"O onze Rab, laat op de Dag der Opstanding onze Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) als shafa`ah voor ons optreden. O onze Rab, laat op de Dag der Opstanding Uw vrome dienaren als shafa`ah voor ons optreden. " O onze Rab, laat op de Dag der Opstanding Uw engelen als shafa`ah voor ons optreden. Want U bent de Enige die daarvoor in staat is."