Sujūd at-tilāwah
[Volgens de Ḥanafī’-geleerden zijn er veertien sujūd at-tilāwah (het verrichten van sajdah bij het lezen van de onderstaande ayāt in de Qur’ ān). Deze bevinden zich in de volgende verzen: al-A‘rāf 7:206; ar-Ra‘d 13:15; an-Naḥl 16:49-50; al-Isrā’ 17:107; Maryam 19:58; al-Ḥajj 22:18 en 22:77; al-Furqān 25:60; an-Naml 27:25; ; as-Sajdah 32:15; Ṣād 38:11; Fuṣṣilat 41:37; an-Najm 53:62; al-Inshiqāq 84:21; al-ʿAlaq 96:19.Volgens de Ḥanafī’-geleerden is de sujūd at-tilāwah wājib (verplicht). Volgens alle andere geleerden is de sujūd at-tilāwah sunnah (aanbevolen). Wat betreft de manier waarop de sujūd at-tilāwah wordt uitgevoerd, bestaan er meningsverschillen onder de geleerden.] (HA)
٣٣٨ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يَقْرَأُ عَلَيْنَا السُّورَةَ، فِيهَا السَّجْدَةُ، فَيَسْجُدُ وَنَسْجُدُ حَتَّى مَا يَجِدُ أَحَدُنَا مَوْضِعَ جَبْهَتِهِ
338 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reciteerde een sûrah waarin een sajdah voorkwam. Hij verrichtte dan de sajdah, en wij verrichtten die ook, tot niemand van ons nog een plek kon vinden om zijn voorhoofd neer te leggen (vanwege de enorme drukte).
٣٣٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: قَرَأَ النَّبِيُّ ﷺ النَّجْمَ بِمَكَّةَ فَسَجَدَ فِيهَا وَسَجَدَ مَنْ مَعَهُ غَيْرَ شَيْخٍ أَخَذَ كفًّا مِنْ حَصًى أَوْ تُرَابٍ فَرَفَعَهُ إِلَى جَبْهَتِهِ، وَقَال: يَكْفِينِي هذَا؛ فَرَأَيْتُهُ بَعْدَ ذلِكَ قُتِلَ كَافِرًا
339 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reciteerde sûrah an-Najm in Makkah en verrichtte de sajdah erin, en wie bij hem was verrichtte die ook, behalve een oude man die een handvol kiezelstenen of zand pakte en dat tegen zijn voorhoofd hield en zei: “Dit is voldoende voor mij.”Later zag ik hem daarna als ongelovige gedood worden.
٣٤٠ - حديث زَيْدِ بْنِ ثَابِتٍ عَنْ عَطَاءِ بْنِ يَسَارٍ، أَنَّهُ سَأَلَ زَيْدَ بْنَ ثَابِتٍ ﵁، فَزَعَمَ أَنَّهُ قَرأَ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ وَالنَّجْمِ فَلَمْ يَسْجُدْ فِيهَا340 – Van Zayd ibn Thābit, via ʿAtā’ ibn Yasār (رضي الله عنهما):
Hij vroeg Zayd ibn Thābit en die zei dat hij sûrah an-Najm reciteerde aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en dat hij daarin geen sajdah (ter aarde werping/prosternatie) verrichtte.
٣٤١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ عَنْ أَبِي رَافِعٍ، قَالَ: صَلَّيْتُ مَعَ أَبِي هُرَيْرَةَ الْعَتَمةَ فَقَرَأَ (إِذَا السَّمَاءُ انْشَقَّتْ) فَسَجَدَ، فَقُلْتُ: مَا هذِهِ قَالَ: سَجَدْتُ بِهَا خَلْفَ أَبِي الْقَاسِمِ ﷺ، فَلاَ أَزَالُ أَسْجُدُ بِهَا حَتَّى أَلْقَاهُ
341 – Van Abû Hurayrah via Abû Rāfiʿ(رضي الله عنهما):
Hij (Abû Rāfiʿ) zei: “Ik verrichtte de ṣalāh al-ʿishā’ samen met Abû Hurayrah en hij reciteerde: ‘Wanneer de hemel openscheurt…’ (sûrah at al-Inshiqāq). Daarna verrichtte hij een sajdah.”Ik vroeg hem: “Wat is dit?”Hij antwoordde: “Ik heb deze sajdah verricht achter Abû al-Qāsim (صلى الله عليه وسلم) en ik blijf deze verrichten tot ik hem weer ontmoet.”
Het gedenken van Allāh na de ṣalāh
الذكر بعد الصلاة
٣٤٢ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: كُنْتُ أَعْرِفُ انْقِضَاءَ صَلاَةِ النَّبِيِّ ﷺ بَالتَّكْبِيرِ
342 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):
Ik weet het einde van de ṣalāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door het uitspreken van de takbīr. (Dat wil zeggen: na de taslīm (de afsluitende groet van de ṣalāh) zei hij: Allāhu Akbar.)”
Aanbeveling om toevlucht te zoeken bij Allāh tegen de bestraffing in het graf
استحباب التعوذ من عذاب القبر
٣٤٣ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: دَخَلَتْ عَلَيَّ عَجُوزَانِ مِنْ عُجُزِ يَهُودِ الْمَدِينَةِ، فَقَالَتَا لِي، إِنَّ أَهْلَ الْقُبُورِ يُعَذَّبُونَ فِي قُبُورِهِمْ، فَكَذَّبْتُهُمَا وَلَمْ أُنْعِمْ أَنْ أُصَدِّقَهُمَا؛ فَخَرَجَتَا وَدَخَلَ عَلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ فَقُلْت لَهُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ عَجُوزَيْنِ، وَذَكَرْتُ لَهُ؛ فَقَال: صَدَقَتَا، إِنَّهُمْ يُعَذَّبُونَ عَذَابًا تَسْمَعُهُ الْبَهَائِمُ كُلُّهَا فَمَا رَأَيْتُهُ بَعْدُ فِي صَلاَةٍ إِلاَّ تَعَوَّذَ مِنْ عَذَابِ الْقَبْرِ
343 – Van ʿĀ’isha (رضي الله عنها):
Twee oudere joodse vrouwen uit Madīnah kwamen bij mij en zeiden: “De mensen in de graven worden in hun graven gestraft.”Ik ontkende dit en wilde hen niet geloven. Toen zij vertrokken, kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij mij. Ik vertelde hem: “O Rasûlullāh, twee oude vrouwen…” en vertelde hem wat zij hadden gezegd.Hij zei: “Zij hebben de waarheid gesproken. Inderdaad, de mensen in de graven worden gestraft met een straf die zelfs door dieren gehoord kan worden.”Sinds dat moment zag ik hem in geen enkele ṣalāh meer zonder dat hij bescherming zocht tegen de bestraffing van het graf.
Zaken waarvoor men tijdens de ṣalāh toevlucht tot Allāh zoekt
ما يستعاذ منه في الصلاة
٣٤٤ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَسْتَعِيذ فِي صَلاَتِهِ مِنْ فِتْنَةِ الدَّجَّالِ
344 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):
Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn ṣalāh toevlucht zoeken tegen de beproeving (fitnah) van de Dajjāl.”
٣٤٥ - حديث عَائِشَةَ زَوْجِ النَّبِيَّ ﷺ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يَدْعُو فِي الصَّلاَةِ اللهُمَّ إِنِّي أَعُوذَ بِكَ مِنْ عَذَابِ الْقَبْرِ، وَأَعُوذ بِكَ مِنْ فِتْنَةِ الْمَسِيحِ الدَّجَالِ، وَأَعُوذ بِكَ مِنْ فِتْنَةِ الْمَحْيَا وَفِتْنَةِ الْمَمَاتِ، اللهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ الْمأْثَمِ وَالْمَغْرَمِ، فقَالَ لَهُ قَائِلٌ: مَا أَكْثَرَ مَا تَسْتَعِيذُ مِنَ الْمَغْرَمِ فَقَالَ: إِنَّ الرَّجُلَ إِذَا غَرِمَ حَدَّثَ فَكَذِبَ وَوَعَدَ فَأَخْلَفَ
345 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak in zijn ṣalāh de volgende duʿā’ uit:“O Allāh, ik zoek bij U bescherming tegen de bestraffing van het graf;ik zoek bij U bescherming tegen de beproeving van al-Masīḥ ad-Dajjāl;ik zoek bij U bescherming tegen de beproeving van het leven en de dood;O Allāh, ik zoek bij U bescherming tegen zonde en tegen schulden.”
Er werd tegen hem gezegd: “U zoekt vaak toevlucht tegen schulden.”Daarop antwoordde hij: “Wanneer iemand schulden heeft, spreekt hij en liegt hij, en wanneer hij iets belooft, verbreekt hij zijn belofte.”
[De bedoelde smeekbeden (duʿāʾāt) worden genoemd in een ḥadīth waarin staat: “Vervolgens kiest hij een duʿāʾ die hij wenst en spreekt deze uit.”
Deze overlevering verwijst naar de duʿāʾ die wordt verricht na de duʿāʾ at-Taḥiyyātu…, dat wil zeggen in de laatste zittende houding van de ṣalāh.
Ook de duʿāʾ’s die door de Ḥanafī-geleerden worden gereciteerd, zoals de bekende “Rabbana…”-smeekbeden, worden op dit moment uitgesproken. Deze “Rabbana…”-duʿāʾāt zijn afkomstig uit de Qur’ān, waaronder:
Sūrah al-Baqarah, vers 201:
“رَبَّنَا آتِنَا فِي الدُّنْيَا حَسَنَةً وَفِي الْآخِرَةِ حَسَنَةً وَقِنَا عَذَابَ النَّارِ”
Sūrah Ibrāhīm, verzen 40–41:
“رَبِّ اجْعَلْنِي مُقِيمَ الصَّلَاةِ وَمِن ذُرِّيَّتِي ۚ رَبَّنَا وَتَقَبَّلْ دُعَاءِرَبَّنَا اغْفِرْ لِي وَلِوَالِدَيَّ وَلِلْمُؤْمِنِينَ يَوْمَ يَقُومُ الْحِسَابُ”
Deze duʿāʾāt worden beschouwd als passend en aanbevolen om te reciteren tijdens de laatste tashahhud, vóór het uitspreken van de taslīm en het beëindigen van de ṣalāh]. (AFK)
٣٤٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَدْعُو: اللهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنْ عَذَابِ الْقَبْرِ وَمِنْ عَذَابِ النَّارِ، وَمِنْ فِتْنَةِ الْمَحْيَا وَالْمَمَاتِ، وَمِنْ فِتْنَةِ الْمَسِيحِ الدَّجَّالِ
346 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) placht (wanneer hij de laatste tashahhud zat) te zeggen (in zijn smeekbeden): ‘O Allāh, ik zoek toevlucht bij U tegen de bestraffing van het graf, tegen de bestraffing van het Hellevuur, tegen de beproevingen van het leven en de dood en tegen de beproeving van de Masīḥ ad-Dajjāl.’
Aanbeveling van het gedenken van Allāh na de ṣalāh en de beschrijving daarvan
استحباب الذكر بعد الصلاة وبيان صفته
٣٤٧ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ عَنْ وَرَّادٍ، كَاتِبِ الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ، قَالَ: أَمْلَى عَلَيَّ الْمُغِيرَةُ بْنُ شُعْبَةَ فِي كِتَابٍ إِلَى مُعَاوِيَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ يَقُولُ فِي دُبُرِ كلِّ صَلاَةٍ مَكْتُوبَةٍ: لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ، اللهُمَّ لاَ مَانِعَ لِمَا أَعْطَيْتَ وَلاَ مُعْطِيَ لِمَا مَنَعْتَ، وَلاَ يَنْفَعُ ذَا الْجَدِّ مِنْكَ الْجَدُّ
347 – Van Mughīrah ibn Shuʿba, via zijn klerk Warrād (رضي الله عنهما):
Mughīrah ibn Shuʿbah dicteerde mij een brief voor Muʿāwiyah, waarin hij schreef dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na elke verplichte (farḍ) ṣalāh het volgende zei:
“Er is geen godheid behalve Allāh, Hij is Eén, Hij heeft geen partner. Aan Hem behoort het koninkrijk en aan Hem komt alle lof toe, en Hij is over alle dingen almachtig.O Allāh, niemand kan verhinderen wat U geeft, en niemand kan geven wat U verhindert.En de inspanning van de inspannende helpt niet tegen U.”
٣٤٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: جَاءَ الْفُقَرَاءِ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالُوا: ذَهَبَ أَهْلُ الدُّثُورِ مِنَ الأَمْوالِ بِالدَّرَجَاتِ الْعُلاَ وَالنَّعِيمِ الْمُقِيمِ، يُصَلُّونَ كمَا نُصَلِّي وَيَصُومُونَ كَمَا نَصُومُ، وَلَهُم فَضْلٌ مِنْ أَمْوَالٍ يَحُجُّونَ بِهَا وَيَعْتَمِرُونَ، وَيُجَاهِدُونَ وَيَتَصَدَّقُونَ قَالَ: أَلاَ أُحَدِّثكُمْ بِمَا إِنْ أَخَذْتُمْ بِهِ أَدْرَكْتُمْ مَنْ سَبَقَكُمْ وَلَمْ يُدْرِكْكُمْ أَحَدٌ بَعْدَكُمْ، وَكُنْتُمْ خَيْرَ مَنْ أَنْتُمْ بَيْنَ ظَهْرَانَيْهِمْ، إِلاَّ مَنْ عَمِلَ مِثْلَهُ تُسبِّحُونَ وَتَحْمَدُونَ وَتكبِّرُونَ خَلْفَ كُلِّ صَلاَةٍ ثَلاَثًا وَثَلاَثِينَ، فَاخْتَلَفْنَا بَيْنَنَا، فَقَالَ بَعْضُنَا نُسَبِّحُ ثَلاَثًا وَثَلاَثِينَ وَنَحْمَدُ ثَلاَثًا وَثَلاَثِينَ وَنكَبِّرُ أَرْبَعًا وَثَلاَثِينَ فَرَجَعْتُ إِلَيْهِ فَقَالَ: تَقُولُ: سُبْحَانَ اللهِ وَالْحَمْدُ للهِ وَاللهُ أَكْبَرُ، حَتَّى يَكُونَ مِنْهُنَّ كُلِّهِنَّ ثَلاَثًا وَثَلاَثِينَ
348 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
De armen kwamen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zeiden:‘De (rijke) mensen met bezit hebben de hoogste rangen en het blijvende genot verworven.
Zij verrichten de ṣalāh zoals wij de ṣalāh verrichten en zij vasten zoals wij vasten, maar zij hebben een extra voordeel door hun rijkdom: daarmee verrichten zij de ḥaj, de ʿumrah en de jihād, en zij geven ṣadaqah.’
Hij zei:‘Zal ik jullie iets leren waarmee jullie degenen zullen inhalen die jullie zijn voorgegaan, en niemand na jullie jullie zal kunnen inhalen, en jullie tot de besten zullen behoren onder degenen met wie jullie samenleven, behalve wie hetzelfde doet als jullie?’
(Sumay, de overleveraar van de ḥadīth, zei):‘Zeg na elke ṣalāh: Subḥānallāh, al-ḥamdu lillāh en Allāhu akbar, elk drieëndertig keer.’
(Sumay zei verder):‘Daarna ontstond er onder ons verschil van mening over de manier waarop dit gezegd moest worden. Sommigen van ons zeiden:“Wij zeggen drieëndertig keer Subḥānallāh, drieëndertig keer al-ḥamdu lillāh en vierendertig keer Allāhu akbar.”
Toen keerde ik terug naar hem (an- Nabī) om dit te vragen, en hij zei:“Zeg: Subḥānallāh, al-ḥamdu lillāh en Allāhu akbar, totdat zij samen in totaal drieëndertig keer zijn uitgesproken.”
Wat er gelezen wordt tussen de openingstakbīr en de recitatie
ما يقال بين تكبيرة الإحرام والقراءة
٣٤٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَسْكُتُ بَيْنَ التَّكْبِيرِ وَبَيْنَ الْقِرَاءَةِ إِسْكَاتَةَ هُنَيَّةً، فَقُلْتُ: بِأَبِي وَأُمِّي يَا رَسُولَ اللهِ إِسْكَاتُكَ بَيْنَ التَّكْبِيرِ وَالْقِرَاءَةِ مَا تَقُولُ قَالَ: أَقُولُ: اللهُمَّ بَاعِدْ بَيْنِي وَبَيْنَ خَطَايَايَ كَمَا بَاعَدْتَ بَيْنَ الْمَشْرِقِ وَالْمَغْرِبِ؛ اللهُمَّ نقِّنِي مِنَ الْخَطَايَا كَمَا يُنَقَّى الثَوْبُ الأَبْيَضُ مِنَ الدَّنَسِ، اللهُمَّ اغْسِلْ خَطَايَايَ بِالْمَاءِ وَالثَلْجِ وَالْبَرَدِ
349 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) placht een korte stilte te houden tussen de takbīr (aan het begin van de ṣalāh) en de recitatie (van sûrah al Fātihah).Ik vroeg hem: ‘Moge mijn ouders voor u geofferd worden, o Rasûlullāh, wat zegt u tijdens die korte stilte tussen de takbīr en de recitatie?’
Hij zei: “O Allah, verwijder afstand tussen mij en mijn zonden, zoals U afstand hebt gebracht tussen het oosten en het westen.O Allāh, zuiver mij van zonden zoals een wit kleed gezuiverd wordt van vuil.O Allāh, was mijn zonden weg met water, sneeuw en hagel.’
Aanbeveling om met rust en waardigheid naar de ṣalāh te komen en het verbod om rennend te komen
استحباب إِتيان الصلاة بوقار وسكينة والنهي عن إِتيانها سعيًا
٣٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: إِذَا أُقِيمَتِ الصَّلاَةُ فَلاَ تَأْتُوهَا تَسْعَوْنَ وَأْتُوهَا تَمْشُونَ، عَلَيْكمُ السَّكِينَةُ، فَمَا أَدْرَكْتُمْ فَصلُّوا وَمَا فَاتَكُمْ فَأَتِمُّوا
350 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Wanneer de iqāmah voor de ṣalāh wordt opgeroepen, kom er dan niet haastig naartoe, maar kom er kalm en rustig naartoe. Wat jullie aantreffen van de ṣalāh, bid dat mee, en wat jullie hebben gemist, maak dat dan compleet.’
٣٥١ - حديث أَبِي قَتَادَةَ، قَالَ: بَيْنَمَا نَحْنُ نُصَلِّي مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، إِذْ سَمِعَ جَلَبَةَ رِجَالٍ، فَلَمَّا صَلَّى قَالَ: مَا شَأْنُكُمْ قَالُوا: اسْتَعْجَلْنَا إِلَى الصَّلاَةِ، قَالَ: فَلاَ تَفْعَلُوا، إِذَا أَتَيْتُمُ الصَّلاَةَ فَعَلَيْكُمْ بِالسَّكِينَةِ، فَمَا أَدْرَكْتُمْ فَصَلُّوا، وَمَا فَاتَكُمْ فَأَتِمُّوا351 – Van Abû Qatādah (رضي الله عنه):
Tijdens het verrichten van de ṣalāh met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde hij rumoer van de mannen.Toen hij de ṣalāh had voltooid, vroeg hij: “Wat is er aan de hand met jullie?”Zij antwoordden: “Wij haastten ons naar de ṣalāh.”Hij zei: “Doe dat niet. Wanneer jullie naar de ṣalāh komen, doe dat dan rustig en bedaard. Volg tijdens de ṣalāh wat de gemeenschap verricht, en vul achteraf, na de taslīm van de imām, alles aan wat jullie hebben gemist.”
Wanneer de gemeenschap moet opstaan voor de ṣalāh
متى يقوم الناس للصلاة
٣٥٢ – حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: أُقِيمَتِ الصَّلاَةُ وَعُدِّلَتِ الصُّفُوفُ قِيَامًا، فَخَرَجَ إِلَيْنَا رَسُول اللهِ ﷺ، فَلَمَّا قَامَ فِي مُصَلاَّهُ ذَكَرَ أَنَّهُ جُنُبٌ؛ فَقَالَ لَنَا: مَكَانَكُمْ ثُمَّ رَجَعَ فاغْتَسَلَ، ثُمَّ خَرَجَ إِلَيْنَا وَرأْسُهُ يَقْطُرُ، فَكَبَّرَ، فَصَلَّيْنَا مَعَهُ
352 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
De iqāmah voor de ṣalāh was uitgeroepen en de rijen waren opgesteld toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar ons toe kwam. Toen hij op de ṣalāh-plaats (muṣallā) stond, herinnerde hij zich dat hij in staat van janābah verkeerde.Hij zei: “Blijf op jullie plaatsen.”Daarna keerde hij terug, verrichtte de ghusl en kwam opnieuw naar ons toe terwijl het water nog van zijn hoofd droop. Voor de ṣalāh sprak hij de takbīr uit en wij verrichtten de ṣalāh samen met hem.
Wie één rakaʿāh van de ṣalāh bereikt, heeft die ṣalāh (nog) bereikt
من أدرك ركعة من الصلاة فقد أدرك تلك الصلاة
٣٥٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَة، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: مَنْ أَدرَكَ رَكْعَةً مِنَ الصَّلاَةِ فَقَدْ أَدْرَكَ الصَّلاَةَ
353 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wie één rakaʿāh van de ṣalāh (met de gemeenschap) meemaakt, heeft de volledige ṣalāh bijgewoond.’
[Wie de ṣalāh begint en één rakaʿāh verricht, wordt geacht de tijd van de ṣalāh te hebben bereikt, zelfs als de tijd daarna is verstreken.] (HY)
De tijden van de vijf salawāt
أوقات الصلوات الخمس
٣٥٤ - حديث أَبِي مَسْعُودٍ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: نَزَلَ جِبْرِيلُ فَأَمَّنِي فَصَلَّيْتُ مَعَهُ، ثُمَّ صَلَّيْتُ مَعَهُ، ثُمَّ صَلَّيْتُ مَعَهُ، ثُمَّ صَلَّيْتُ مَعَهُ، ثُمَّ صَلَّيْتُ مَعَهُ يَحْسُبُ بِأَصَابِعِهِ خَمْسَ صَلَوَاتٍ
354 – Van Abû Masʿūd (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Jibrīl (عليه السلام) daalde neer en leidde mij (in de ṣalāh). Ik verrichtte de ṣalāh met hem, toen verrichtte ik opnieuw de ṣalāh met hem, toen opnieuw,toen opnieuw, toen opnieuw, vijf keer in totaal.’Hij (de overleveraar) telde met zijn vingers: vijf ṣalwāt.”
[Deze overlevering laat zien dat zelfs de ṣalāh door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is omschreven. Wat ons toekomt, is de ṣalāh te verrichten zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze heeft verricht.] (HY)
٣٥٥ - حديث أَبِي مَسْعُودٍ الأَنْصَارِيِّ عَنِ ابْنِ شِهَابٍ، أَنَّ عُمَرَ بْنَ عَبْدِ الْعَزِيزِ أَخَّرَ الصَّلاَةَ يَوْمًا، فَدَخَلَ عَلَيْهِ عُرْوَةُ بْنُ الزُّبَيْرِ، فَأَخْبَرَهُ أَنَّ الْمُغِيرَةَ بْنَ شُعْبَةَ أَخَّرَ الصَّلاَةَ يَوْمًا وَهُوَ بِالْعِرَاقِ، فَدَخَلَ عَلَيْهِ أَبُو مَسْعُودٍ الأَنْصَارِيُّ؛ فَقَالَ: مَا هذَا يَا مُغِيرَةُ؛ أَلَيْسَ قَدْ عَلِمْتَ أَنَّ جِبْرِيلَ ﷺ نَزَلَ فَصَلَّى فَصَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ صَلَّى فَصَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ صَلَّى فَصَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ صَلَّى فَصَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ صَلَّى فَصَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ قَالَ: بِهذَا أُمِرْتُفَقَالَ عُمَرُ لِعُرْوَةَ: اعْلَمْ مَا تحَدِّثُ بِهِ، أَوَ إِنَّ جِبْرِيلَ هُو أَقَامَ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ وَقْتَ الصَّلاَةِ
قَالَ عُرْوَةُ: كَذلِكَ كَانَ بَشِيرُ بْنُ أَبِي مَسْعُودٍ يُحَدِّثُ عَنْ أَبِيهِ
355 – Van Abû Masʿûd al-Anṣārī via Ibn Shihāb رضي الله عنهما:
Op een dag stelde ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz de ṣalāh van al-ʿasr uit. Kort daarna kwam ʿUrwah ibn az-Zubayr bij hem en vertelde dat Mughīrah ibn Shuʿbah ooit de ṣalāh had uitgesteld toen hij in Iraq was.
Daarna kwam Abû Masʿûd al-Anṣārī bij hem en zei: “Wat is dit, o Mughīrah? Weet je dan niet dat Jibrīl (عليه السلام) neerdaalde en de ṣalāh verrichtte, waarna Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh verrichtte?
Toen verrichtte Jibrīl weer de ṣalāh, en verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weer de ṣalāh.Toen verrichtte Jibrīl weer de ṣalāh, en verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weer de ṣalāh.
Toen verrichtte Jibrīl weer de ṣalāh, en verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weer de ṣalāh.
Toen verrichtte Jibrīl weer de ṣalāh, en verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weer de ṣalāh.
Daarna zei hij: “Met dit ben ik bevolen.”
ʿUmar vroeg daarop aan ʿUrwah: “Let goed op wat je zegt! Is het werkelijk zo dat Jibrīl (عليه السلام) voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de tijden van de ṣalāh heeft vastgesteld?”ʿUrwah antwoordde: “Zo heeft Bashīr ibn Abî Masʿûd van zijn vader overgeleverd.”
٣٥٦ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يُصَلِّي الْعَصْرَ وَالشَّمْسُ فِي حُجْرَتِهَا قَبْلَ أَنْ تَظْهَرَ
356 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh al-ʿaṣr vóórdat de zon uit zijn kamer kwam (de kamer volledig in de schaduw gehuld werd).”
De aanbeveling om de ṣalāh az-ẓuhr uit te stellen tot het koeler wordt bij hevige hitte, voor degene die naar de gezamenlijke ṣalāh gaat en onderweg door de hitte getroffen wordt
استحباب الإبراد بالظهر في شدة الحر لمن يمضي إلى جماعة ويناله الحر في طريقه
٣٥٧ - حديثُ أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: إِذَا اشْتَدَّ الْحَرُّ فَأَبْرِدُوا بِالصَّلاَةِ فَإِنَّ شِدَّةَ الْحَرِّ مِنْ فَيْحِ جَهَنَّمَ
357 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه)an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de hitte heftig is, verricht de ṣalāh (az-ẓuhr) dan wat later,Voorwaar, de hevigheid van de hitte (komt door het ademen van) Jahannam (en de verspreiding van haar uitdijing).”
٣٥٨ - حديث أَبِي ذَرٍّ، قَالَ: أَذَّنَ مُؤَذِّنُ النَّبِيِّ ﷺ الظُّهْرَ، فَقَالَ: أَبْرِدْ أَبْرِدْ أَوْ قَالَ: انْتَظِرْ انْتَظِرْ، وَقَالَ: شِدَّةُ الْحَرِّ مِنْ فَيْحِ جَهَنَّمَ، فَإِذَا اشْتَدَّ الْحَرُّ فَأَبْرِدُوا عَنِ الصَّلاَةِ حَتَّى رَأَيْنَا فَيْءَ التُّلُولِ
358 – Van Abû Dzar (رضي الله عنه):
De muʾaḏḏhin van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (Bilāl) riep op tot de ṣalāh az-ẓuhr,waarop hij zei: ‘Wacht! Wacht!’ of hij zei: ‘Laat het afkoelen! Laat het afkoelen!’
En hij zei: ‘De hevige hitte is van het vuur van Jahannam, dus stel de ṣalāh uit tot het koeler wordt’. Wij (stelden de ṣalāh uit totdat) wij de schaduw van de heuvels zagen (en het koeler was geworden).”
٣٥٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: اشْتَكَتِ النَّارُ إِلَى رَبِّهَا، فَقَالَتْ: يَا رَبِّ أَكَلَ بَعْضِي بَعْضًا؛ فَأَذِنَ لَهَا بِنَفَسَيْنِ، نَفَسٍ فِي الشِّتَاءِ وَنَفَسٍ فِي الصَّيْفِ، فَهُوَ أَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنَ الْحَرِّ، وَأَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنَ الزَّمْهَرِيرِ
359 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het vuur van Jahannam klaagde bij zijn Rab en zei:‘O mijn Rab, een deel van mij heeft het andere deel verslonden!’Daarop gaf Hij haar toestemming tot twee ademhalingen: één adem in de winter en één in de zomer. Daarom ervaren jullie de meest intense hitte in de zomer en de meest intense kou in de winter.’
Aanbeveling om de ṣalāh azẓuhr aan het begin van de tijd te verrichten wanneer er geen hitte is
استحباب تقديم الظهر في أول الوقت في غير شدة الحر
٣٦٠ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: كُنَّا نُصَلِّي مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي شِدَّةِ الْحَرِّ، فَإِذَا لَمْ يَسْتَطِعْ أَحَدُنَا أَنْ يُمَكِّنَ وَجْهَهُ مِنَ الأَرْضِ بَسَطَ ثَوْبَهُ فَسَجَدَ عَلَيْهِ
360 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Wij verrichtten de ṣalāh met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de intense hitte.Wanneer iemand van ons zijn gezicht niet direct tegen de (hete) grond kon leggen tijdens de sajdah, spreidde hij zijn kleding uit en verrichtte daarop de sajdah.
Aanbeveling om de ṣalāh al-ʿaṣr aan het begin van de tijd te verrichten
استحباب التبكير بالعصر
٣٦١ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُصَلِّي الْعَصْرَ وَالشَّمْسُ مُرْتَفِعَةٌ حَيَّةٌ، فَيَذْهَبُ الذَّاهِبُ إِلَى الْعَوَالِي فَيَأْتِيهِمْ وَالشَّمْسُ مُرْتَفِعَةٌ؛ وَبَعْضُ الْعَوَالِي مِنَ الْمَدِينَةِ عَلَى أَرْبَعَةِ أَمْيَالٍ، أَوْ نَحْوِهِ
361 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh al-`asr terwijl de zon nog hoog aan de hemel stond en fel scheen. Degene die naar de buitenwijken (van Madīnah) ging, kwam terug terwijl de zon nog steeds hoog aan de hemel stond. Sommige buitenwijken van Madīnah liggen op vier mijl afstand of iets in die richting.
٣٦٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ أَبِي أُمَامَةَ، قَالَ: صَلَّيْنَا مَعَ عُمَرَ بْنِ عَبْدِ الْعَزِيزِ الظُّهْرَ، ثُمَّ خَرَجْنَا حَتَّى دَخَلْنَا عَلَى أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، فَوَجَدْنَاهُ يُصَلِّي الْعَصْرَ، فَقُلْتُ: يَا عَمِّ مَا هذِهِ الصَّلاَةُ الَّتِي صَلَّيْتَ قَالَ: الْعَصْرُ، وَهذِهِ صَلاَةُ رَسُولِ اللهِ ﷺ الَّتِي كُنَّا نُصَلِّي مَعَهُ
362 - Van Anas ibn Mālik via Abi Umamah رضي الله عنهما: We verrichtten de (ṣalāh) az-ẓuhr met ʿUmar ibn ʿAbdu’l-ʿAzīz. Daarna gingen we naar Anas ibn Mālik en troffen hem aan terwijl hij de ṣalāh al-ʿasr verrichtte.Ik vroeg: “O oom, welke ṣalāh is dit die u verricht?”Hij antwoordde: “Dit is de ṣalāh al-ʿasr, precies zoals wij die samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtten.”
[De benaming van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) als “oom” (ʿammi) kan worden verklaard doordat hij ouder was dan degene die hem zo noemde, en als uiting van respect en eerbied. Hoewel hun afstamming samenkomt bij de Anṣār, was hij in strikt genealogische zin geen echte oom..] (HY)
٣٦٣ - حديث رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ ﵁، قَالَ: كُنَّا نُصَلِّى مَعَ النَّبِيِّ ﷺ الْعَصْرَ، فَنَنْحَرُ جَزُورًا فَتُقْسَمُ عَشْرَ قِسْمٍ، فَنأْكُلُ لَحْمًا نَضِيجًا قَبْلَ أَنْ تَغْرُبَ الشَّمْسُ
363 - Van Rafi ibn Khadij (رضي الله عنه): We verrichtten de ṣalāh al-`asr met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en daarna slachtten we een kameel, die we in tien delen verdeelden. We aten het gekookte vlees nog vóór zonsondergang.
Strenge waarschuwing tegen het uitstellen van de ṣalāh al-ʿaṣr
التغليظ في تفويت صلاة العصر
٣٦٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: الَّذِي تَفُوتُهُ صَلاَةُ الْعَصْرِ كَأَنَّمَا وُتِرَ أَهْلَهُ وَمَالَهُ364 - Van Ibn Umar رضي الله عنهما:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die (ṣalāh) al-`asr mist, is alsof hij zijn familie en bezit heeft verloren.[m.a.w. wiens familie is omgekomen en wiens bezit verloren is gegaan. Zijn daden zijn vergeefs geweest]. (HY)
Het bewijs van degenen die zeggen dat de middelste ṣalāh de ṣalāh al-ʿaṣr is
الدليل لمن قال الصلاة الوسطى هي صلاة العصر
٣٦٥ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: لَمَّا كَانَ يَوْمُ الأَحْزَابِ، قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَلأَ اللهُ بُيُوتَهُمْ وَقُبورَهُمْ نَارًا، شَغَلُونَا عَنِ الصَّلاَةِ الْوُسْطَى حَتَّى غَابَتِ الشَّمْسُ
365 - Van `Alī (رضي الله عنه):Op de dag van Khandaq (de Gracht) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Moge Allāh hun huizen en graven met vuur vullen, want zij hebben ons zodanig beziggehouden dat de zon onderging en wij de ṣalāh al-`asr niet konden verrichten.”
[De uitspraak in de ḥadīth: “Moge Allāh hun huizen en hun graven met vuur vullen” is bedoeld om aan te geven hoe ernstig het vergrijp is. Het verbranden van hun huizen is voor hun het hevigst denkbare leed. Dit treft hen buitengewoon zwaar.] (HY)
٣٦٦ - حديث جَابرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، أَنَّ عُمَرَ بْنَ الخَطَّابِ جَاءَ يَوْمَ الْخَنْدَقِ بَعْدَمَا غَرَبَتِ الشَّمْسُ فَجَعَلَ يَسُبُّ كُفَّارَ قُرَيْشٍ، قَالَ: يَا رَسولَ اللهِ مَا كِدْتُ أُصَلِّي الْعَصْرَ حَتَّى كَادَتِ الشَّمْسُ تَغْرُبُ، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: واللهِ مَا صَلَّيْتُهَا فَقُمْنَا إِلَى بُطْحَانَ، فَتوَضَّأَ للِصَّلاَةِ، وَتَوَضَّأْنَا لَهَا، فَصَلَّى الْعَصْرَ بَعْدَ مَا غَرَبَتِ الشَّمْسُ، ثُمَّ صَلَّى بَعْدَهَا الْمَغْرِبَ366 - Van Jabir ibn `Abdullah (رضي الله عنه): `Umar ibn al-Khaṭṭāb kwam op de dag van Khandaq nadat de zon was ondergegaan, en hij schold de ongelovigen van Quraysh uit.
Hij zei: “O Rasûlullāh ik kon bijna (ṣalāh) al-`asr niet verrichten tot de zon bijna onderging.” an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Bij Allāh, ik heb het nog niet verricht.” We gingen naar Buthan (vallei), waar hij wuḍū’ verrichtte voor de ṣalāh en wij volgden hem. Hij verrichtte (ṣalāh) al-`asr na zonsondergang en daarna (ṣalāh) al-maghrib. De deugd van de ṣalāh al-fajr en ṣalāh al-ʿaṣr en het volhouden (in stand houden) daarvan
فضل صلاتي الصبح والعصر والمحافظة عليهما
٣٦٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: يَتَعَاقَبُونَ فِيكُمْ، مَلاَئِكَةٌ بِاللَّيْلِ وَمَلاَئِكَةٌ بِالنَّهَارِ، وَيَجْتَمِعُونَ فِي صَلاَةِ الْفَجْرِ وَصَلاَةِ الْعَصْرِ، ثُمَّ يَعْرُجُ الَّذِينَ بَاتُوا فِيكُمْ فَيَسْأَلُهُمْ رَبُّهُمْ، وَهُوَ أَعْلَمُ بِهِمْ، كَيْفَ تَرَكْتُمْ عِبَادِي فَيَقُولُونَ تَرَكْنَاهُمْ وَهُمْ يُصَلُّونَ، وَأَتَيْناهُمْ وَهُمْ يُصَلُّونَ
367 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen van de nacht en de engelen van de dag volgen elkaar op en bezoeken jullie. Ze komen bijeen bij de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh al-`asr. Dan stijgen de engelen die de nacht bij jullie hebben doorgebracht op, en hun Rab vraagt hen, hoewel Hij het beter weet: ‘Hoe hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’Zij antwoorden: ‘Wij lieten hen achter terwijl zij in ṣalāh waren, en wij troffen hen aan in ṣalāh’.
٣٦٨ - حديث جَرِيرٍ، قَالَ: كُنَّا عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ فَنَظَرَ إِلَى الْقَمَر لَيْلَةً، يَعْنِي الْبَدْرَ، فَقَالَ: إِنَّكُمْ سَتَرَوْنَ رَبَّكُمْ كَمَا تَرَوْنَ هذَا الْقَمَرَ، لاَ تُضَامُّونَ فِي رُؤْيَتِهِ، فَإِنِ اسْتَطَعْتُمْ أَنْ لاَ تُغْلَبُوا عَلَى صَلاَةٍ قَبْلَ طُلُوعِ الشَّمْسِ وَقَبْلَ غُرُوبِهَا فَافْعَلُوا ثُمَّ قَرَأَ: (وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ قَبْلَ طُلُوعِ الشَّمْسِ وَقَبْلَ الْغُرُوبِ)368 - Van Jarir (رضي الله عنه): We waren bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toen hij naar de maan keek (namelijk de volle maan), en hij zei: 'Jullie zullen jullie Rab (op de Dag der Opstanding) zien zoals jullie deze maan zien, zonder enige hinder.
Als jullie in staat zijn om (de ṣalāh) van vóór zonsopkomst en vóór zonsondergang (de ṣalāh al-fajr en ṣalāh al-`ishā’) te verrichten zonder dat slaap of bezigheden jullie beletten, doe dat dan, en verricht ze samen (met de gemeenschap en op tijd). Vervolgens reciteerde hij: فَٱصۡبِرۡ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ قَبۡلَ طُلُوعِ ٱلشَّمۡسِ وَقَبۡلَ ٱلۡغُرُوبِ ٣٩
Wees daarom geduldig met alles wat zij zeggen, en verheerlijk jouw Heer met de lof die Hem toekomt vόόr zonsopkomst en vόόr zonsondergang. (sûrah Qaaf 50/39)
٣٦٩ - حديث أبِي مُوسى، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ صَلَّى الْبَرْدَيْنِ دَخَلَ الْجَنَّةَ
369 - Van Abû Musa (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die de twee koele ṣalāts (ṣalāh al-fajr en ṣalāh al-`asr) verricht, zal het Paradijs binnengaan.”
Uitleg dat de ṣalāh al-maghrib begint zodra de zon ondergaat
بيان أن أول وقت المغرب عند غروب الشمس
٣٧٠ - حديث سَلَمَةَ، قَالَ: كُنَّا نُصَلِّي مَعَ النَّبيِّ ﷺ الْمَغْرِبَ إِذَا تَوَارَتْ بِالْحِجَابِ
370 - Van Salamah (ibnul-Akwa) (رضي الله عنه): We verrichtten (ṣalāh) al-maghrib met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zodra de zon achter de horizon verdween.
٣٧١ - حديث رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ، قَالَ: كُنَّا نُصَلِّي الْمَغْرِبَ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فَيَنْصَرِفُ أَحَدُنَا وَإِنَّهُ لَيُبْصِرُ مَوَاقِعَ نَبْلِهِ371 - Van Rafi ibn Khadij (رضي الله عنه): We verrichtten (ṣalāh) al-maghrib met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en wanneer we klaar waren, konden we nog steeds de plek zien waar onze pijlen waren gevallen.
De tijd van de ṣalāh al-ʿishāʾ en de aanbeveling om het uit te stellen
وقت العشاء وتأخيرها
٣٧٢ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: أَعْتَمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لَيْلَةً بِالْعِشَاءِ، وَذلِكَ قَبْلَ أَنْ يَفْشُوَ الإِسْلاَمُ، فَلَمْ يَخْرُجْ حَتَّى قَالَ عُمَرُ: نَامَ النِّسَاءُ وَالصِّبْيَانُ؛ فَخَرَجَ، فَقَالَ لأَهْلِ الْمَسْجِدِ: مَا يَنْتَظِرُهَا أَحَدٌ مِنْ أَهْلِ الأَرْضِ غَيْرَكُمْ
372 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde op een nacht (ṣalāh) al-‘ishā’ uit, voordat de Islām zich had verspreid. Hij kwam niet naar buiten totdat` Umar zei: 'De vrouwen en kinderen zijn in slaap gevallen.' Toen kwam hij naar buiten en zei tegen de mensen in de moskee: 'Niemand op aarde wacht op de ṣalāh behalve jullie.'
٣٧٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بن عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ شُغِلَ عَنْهَا لَيْلَةً، فَأَخَّرَهَا حَتَّى رَقَدْنَا فِي الْمَسْجِدِ، ثُمَّ اسْتَيْقَظْنَا، ثُمَّ رَقَدْنَا ثُمَّ اسْتَيْقَظْنَا، ثُمَّ خَرَجَ عَلَيْنَا النَّبِيُّ ﷺ، ثُمَّ قَالَ: لَيْسَ أَحَدٌ مِنْ أَهْلِ الأَرْضِ يَنْتَظِرُ الصَّلاَةَ غَيْرُكُمْ373 - Van `Abdullah ibn Umar رضي الله عنهما: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op een nacht druk bezig en stelde ṣalāh al-`ishā’ uit. We sliepen in de moskee (terwijl wij wachtten op de ṣalāh), stonden op, sliepen weer, en stonden weer op. Toen kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar buiten en zei: 'Niemand op aarde wacht op de ṣalāh behalve jullie.'
٣٧٤ - حديث أَنَسٍ قَالَ حُمَيْدٌ: سُئِلَ أَنَسٌ، هَلِ اتَّخَذَ النَّبِيُّ ﷺ خَاتَمًا قَالَ: أَخَّرَ لَيْلَةً صَلاَةَ الْعِشَاءِ إِلَى شَطْرِ اللَّيْلِ، ثُمَّ أَقْبَلَ عَلَيْنَا بِوَجْههِ فَكَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَى وَبِيصِ خَاتَمِهِ قَالَ: إِنَّ النَّاسَ قَدْ صَلَّوْا وَنَامُوا وَإِنَّكُمْ لَمْ تَزَالُوا فِي صَلاَةٍ مَا انْتَظَرْتُمُوهَا374 - Van Anas (رضي الله عنه) via Humayd: Anas werd gevraagd of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een (zegel)ring had. Hij zei: 'Op een nacht stelde hij ṣalāh al-`ishā’ uit tot halverwege de nacht. (Daarna verrichtte hij (de ṣalāh). Na afloop (van de ṣalāh) wendde hij zich naar ons. Alsof ik die nacht nog steeds de glinstering van de ring (van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor me zie.
Hij zei: 'De mensen hebben al ṣalāh verricht en naar bed gegaan, maar jullie blijven in ṣalāh zolang jullie erop wachten.'“
٣٧٥ - حديث أَبِي مَوسى قَالَ: كُنْتُ أَنَا وَأَصْحَابِي الَّذِينَ قَدِمُوا مَعِي فيِ السَّفِينَةِ نُزُولًا فِي بَقِيعِ بُطْحَانَ، وَالنَّبِيُّ ﷺ بِالْمَدِينَةِ، فَكَانَ يَتَنَاوَبُ النَّبِيَّ ﷺ عِنْدَ صَلاَةِ الْعِشَاءِ كُلَّ لَيْلَةٍ نَفَرٌ مِنْهُمْ، فَوَافَقْنَا النَّبِيَّ عَلَيْهِ السَّلاَمُ أَنَا وَأَصْحَابِي، وَلَهُ بَعْضُ الشُّغْلِ فيِ بَعْضِ أَمْرِهِ فَأَعْتَمَ بِالصَّلاَةِ حَتَّى ابْهَارَّ اللَّيْلُ، ثُمَّ خَرَجَ النَّبِيُّ ﷺ فَصَلَّى بِهِمْ، فَلَمَّا قَضَى صَلاَتَهُ، قَالَ لِمَنْ حَضَرهُ: عَلَى رِسْلِكُمْ، أَبْشِرُوا، إِنَّ مِنْ نِعْمَةِ اللهِ عَلَيْكُمْ أَنَّهُ لَيْسَ أَحَدٌ مِنَ النَّاسِ يُصَلِّي هذِهِ السَّاعَةَ غَيْرُكُمْ، أَوْ قَالَ: مَا صَلَّى هذِهِ السَّاعَةَ أَحَدٌ غَيْرُكُمْ قَالَ أَبُو مُوسى، فَفَرِحْنَا بِمَا سَمِعْنَا مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ375 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):Mijn vrienden en ik, die met mij op het schip waren, verbleven tijdelijk in Baqīʿ Buṭḥān, terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah was.
Elke nacht ging een groep van ons om de beurt naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor de ṣalāh al-`ishā’.
Op een avond troffen mijn vrienden en ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan, maar hij was bezig met een bepaalde taak, waardoor de ṣalāh werd uitgesteld totdat de nacht zeer donker was. Toen kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar buiten en leidde ons in de ṣalāh. Na het beëindigen van de ṣalāh zei hij tegen de aanwezigen: “Blijf rustig zitten en verheug jullie!
Op dit tijdstip is er niemand anders onder de mensen die deze ṣalāh verricht, behalve jullie. Het is een gunst van Allāh voor jullie.”Of hij zei: “Niemand heeft op dit moment deze ṣalāh verricht behalve jullie.”
Abū Mūsā zei: “Wij verheugden ons over hetgeen wij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorden.”
٣٧٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: أَعْتَمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لَيْلَةً بِالْعِشَاءِ حَتَّى رَقَدَ النَّاسُ وَاسْتَيْقَظُوا، وَرَقَدُوا وَاسْتَيْقَظُوا؛ فَقَامَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ، فَقَالَ: الصَّلاَةَ فَخَرَجَ نَبِيُّ اللهِ ﷺ، كَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَيْهِ الآنَ، يَقْطُرُ رَأْسُهُ مَاءً، وَاضِعًا يَدَهُ عَلَى رَأْسِهِ فَقَالَ: لَوْلاَ أَنْ أَشُقَّ عَلَى أُمَّتِي لأَمَرْتُهُمْ أَنْ يُصَلُّوهَا هكَذَا (قَالَ ابْنُ جُرَيْجٍ الرَّاوِي عَنْ عَطَاءٍ، الرَّاوِي عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ) فَاسْتَثْبَتُّ عَطَاءً كَيْفَ وَضَعَ النَّبِيُّ ﷺ عَلَى رَأْسِهِ يَدَهُ كَمَا أَنْبَأَهُ ابْنُ عبَّاسٍ، فَبَدَّدَ لِي عَطَاءٌ بَيْنَ أَصَابِعِهِ شَيْئًا مِنْ تَبْدِيدٍ، ثُمَّ وَضَعَ أَطْرَافَ أَصَابِعِهِ عَلَى قَرْنِ الرَّأْسِ ثُمَّ ضَمَّهَا، يُمِرُّهَا كَذلِكَ عَلَى الرَّأْسِ حَتَّى مَسَّتْ إِبْهَامُهُ طَرَفَ الأُذُنِ مِمَّا يَلِي الْوَجْهَ عَلَى الصُّدْغِ وَنَاحِيَةِ اللِّحْيَةِ، لاَ يُقَصِّرُ وَلاَ يَبْطشُ إِلاَّ كَذلِكَ، وَقَالَ: لَوْلاَ أَنْ أَشُقَّ عَلَى أُمَّتِي لأَمَرْتُهُمْ أَنْ يُصَلُّوهَا هكَذَا
376 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Op een nacht stelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh al-`ishā’ uit totdat de mensen in slaap vielen, weer wakker werden, opnieuw insliepen en weer ontwaakten.
Toen stond ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb op en riep: “De ṣalāh!”
Toen kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar buiten.
Ik zie hem nog voor me: zijn hoofd druipend van het water van wuḍû’, met zijn hand op zijn hoofd. Hij zei: “Als ik mijn gemeenschap niet moeilijk zou maken, zou ik hen bevelen deze ṣalāh tot dit tijdstip uit te stellen.”
Ibn Jurayj, die van ʿAṭā’ overleverde en deze op zijn beurt van Ibn ʿAbbās, zei: “Ik vroeg bevestiging aan ʿAṭā’ over hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn hand op zijn hoofd legde, zoals Ibn ʿAbbās het overleverde.”
ʿAṭā’ legde uit dat hij zijn vingers iets spreidde, de toppen op de kruin van het hoofd plaatste, ze vervolgens bijeenbracht en ze zo over het hoofd streelde totdat zijn duim het punt van het oor raakte, bij de slaap en de kaaklijn. Hij deed dit niet gehaast, maar zorgvuldig.
Hij herhaalde de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Als ik mijn gemeenschap niet moeilijk zou maken, zou ik hen bevelen deze ṣalāh tot dit tijdstip uit te stellen.”
De aanbeveling om de ṣalāh as-subḥ vroeg te verrichten, direct bij het begin van de tijd, en de uitleg over hoeveel recitatie daarbij passend is
استحباب التبكير بالصبح في أول وقتها وهو التغليس وبيان قدر القراءة فيها
٣٧٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كُنَّ نِسَاءُ الْمُوْمنَاتِ يَشْهَدْنَ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ صَلاَةَ الْفَجْرِ مُتَلَفِّعَاتٍ بِمُرُوطِهِنَّ، ثُمَّ يَنْقَلِبْنَ إِلَى بُيُوتِهِنَّ حِينَ يَقْضِينَ الصَّلاَةَ لاَ يَعْرِفُهُنَّ أَحَدٌ مِنَ الْغَلَسِ
377 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):De gelovige vrouwen gewikkeld in hun overkleding, woonden de ṣalāh al-fajr bij met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Daarna keerden zij terug naar hun huizen zodra zij de ṣalāh voltooid hadden, en niemand herkende hen vanwege de duisternis (van de ochtend).”
٣٧٨ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي الظُّهْرَ بِالْهَاجِرَةِ، وَالْعَصْرَ وَالشَّمْسُ نَقِيَّةٌ، وَالْمَغْرِبَ إِذَا وَجَبَتْ، وَالْعِشَاءَ أَحْيَانًا وَأَحْيَانًا: إِذَا رَآهُمُ اجْتَمَعُوا عَجَّلَ، وَإِذَا رَآهُمْ أَبْطَوْا أَخَّرَ؛ وَالصُّبْحَ كَانُوا، أَوْ، كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّيها بِغَلَسٍ
378 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh aẓ-zuhr tijdens de hitte van de dag, en die van al-`aṣr wanneer de zon nog helder was, en al-maghrib zodra de zon onderging. Al-`ishā’ verrichtte hij soms eerder en soms later: als hij zag dat zij (de sahābah) zich hadden verzameld, verrichtte hij het vroeg; als hij zag dat zij zich vertraagden, stelde hij het uit. En (ṣalāh) aṣ-subḥ verrichtten zij, of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte, in de ochtendschemering.”
٣٧٩ - حديث أَبِي بَرْزَةَ الأَسْلَمِيِّ، وَقَدْ سُئِلَ عَنْ وَقْتِ الصَّلَوَاتِ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي الظُّهْرَ حِينَ تَزُولُ الشَّمْسُ، وَالْعَصْرَ، وَيَرْجِعُ الرَّجُلُ إِلَى أَقْصى الْمَدِينَةِ وَالشَّمْسُ حَيَّةٌ (قَالَ الرَّاوِي عَنْ أَبِي برْزَةَ: وَنَسِيتُ مَا قَالَ فِي الْمَغْرِبِ) وَلاَ يُبَالِي بِتَأخِيرِ الْعِشَاءِ إِلَى ثُلُثِ اللَّيْلِ، وَلاَ يُحِبُّ النَّوْمَ قَبْلَهَا وَلاَ الْحَدِيثَ بَعْدَهَا، وَيُصَلِّي الصُّبْحَ، فَيَنْصَرِفُ الرَّجُلُ فَيَعْرِفُ جَلِيسَهُ؛ وَكَانَ يَقْرَأُ فِي الرَّكْعَتَيْنِ أَوْ إِحْدَاهُمَا مَا بَيْنَ السِّتِّينَ إِلَى الْمِائَةِ379 – Van Abū Barzah al-Aslamī (رضي الله عنه):Toen hij gevraagd werd over de tijden van de ṣalawāt, zei hij: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh az-ẓuhrwanneer de zon haar hoogtepunt had gepasseerd, en die van al-`aṣr op zodanige tijd dat een man nog naar het uiterste van Madīnah heen en terug kon keren terwijl de zon nog fel scheen.”(De overleveraar van Abū Barzah zei: “Ik ben vergeten wat hij zei over al-maghrib.”) “En hij vond het geen probleem om al-`ishā’ uit te stellen tot een derde van de nacht.
Hij hield er niet van om vóór al-`ishā’ te slapen, noch om daarna veel te praten. En de ṣalāh as-subḥ verrichtte hij op zodanige tijd dat een man, nadat hij de ṣalāh voltooid had, zijn vriend nog kon herkennen. In de twee rakaʿāh , of in een van beide, reciteerde hij tussen de zestig en honderd verzen.”
De deugd van het in gemeenschap verrichten van de ṣalāh en de strengheid tegen degenen die niet eraan deelnemen
فضل صلاة الجماعة وبيان التشديد في التخلف عنها
٣٨٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: تَفْضُلُ صَلاَةُ الْجَمِيعِ صَلاَةَ أَحَدِكُمْ وَحْدَهُ بِخَمْسٍ وَعِشْرِينَ جُزْءًا، وتَجْتَمِعُ مَلاَئِكَةُ اللَّيْلِ وَمَلاَئِكَةُ النَّهَارِ فِي صَلاَةِ الْفَجْرِ
ثُمَّ يَقُولُ أَبُو هُرَيْرَةَ: فَاقْرَءُوا إِنْ شِئْتُمْ (إِنَّ قُرْآنَ الْفَجْرِ كَانَ مَشْهُودًا)
380 – Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De ṣalāh in gemeenschap/congregatie overtreft de ṣalāh van één van jullie die alleen wordt verricht, met vijfentwintig graden.”
En de engelen van de nacht en de engelen van de dag verzamelen zich bij de ṣalāh al-fajr .
Vervolgens zei Abū Hurayrah رضي الله عنه: “Lees desgewenst (het vers):أَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِدُلُوكِ ٱلشَّمۡسِ إِلَىٰ غَسَقِ ٱلَّيۡلِ وَقُرۡءَانَ ٱلۡفَجۡرِۖ إِنَّ قُرۡءَانَ ٱلۡفَجۡرِ كَانَ مَشۡهُودٗا ٧٨
Verricht de gebeden van de middag tot de duisternis van de nacht en reciteer de Qur’ān in de vroege ochtend. Waarlijk de recitatie van de Qur’ān in de vroege ochtend wordt altijd gadegeslagen (door Engelen). (sûrah al-Isrā’, 17:78)
٣٨١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: صَلاَةُ الْجَمَاعَةِ تَفْضُلُ صَلاَةَ الْفَذِّ بِسَبْعٍ وَعِشْرِينَ دَرَجَةً381 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De in congregatie (jamā`ah) verrichte ṣalāh is zevenentwintig graden beter dan de ṣalāh die iemand alleen verricht.”
[In sommige overleveringen wordt het aantal graden van beloning voor de ṣalāh op vijfentwintig gesteld, terwijl in andere overleveringen zevenentwintig wordt genoemd. Over welke van de twee overleveringen sterker of betrouwbaarder is, bestaan verschillende meningen.
Sommigen geven de voorkeur aan de overlevering met “vijfentwintig”, omdat deze door meer overleveraars is doorgegeven. Anderen achten de overlevering met “zevenentwintig” sterker, omdat hierin toevoegingen voorkomen van betrouwbare en sterke overleveraars (ʿādil en ḥāfiẓ).
An-Nawawī bespreekt drie manieren om de twee overleveringen te verzoenen:
Er is geen sprake van een echte tegenspraak; het noemen van een kleiner aantal sluit een groter aantal niet uit. Volgens de meerderheid van de uṣūl-geleerden is het argumenteren met de mafhūm al-mukhālafah (tegenovergestelde betekenis van een getal) ongeldig.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) noemde eerst het lagere aantal graden, en later, toen Allahu تَعَالَى hem informeerde over een grotere beloning, werd het hogere aantal genoemd.
Het aantal graden kan verschillen afhankelijk van de omstandigheden van degene die de ṣalāh verricht en de aard van de ṣalāh zelf. Sommigen ontvangen vijfentwintig graden, anderen zevenentwintig. Factoren die dit verschil beïnvloeden zijn onder andere het naleven van de etiquette van de ṣalāh, het ervaren van khushūʿ (nederigheid en concentratie), het tonen van tawāḍuʿ (ootmoed), het aantal aanwezigen in de gemeenschap, de deugdzaamheid van de aanwezigen en de heiligheid van de plaats waar de ṣalāh wordt verricht.
An-Nawawī merkt verder op dat de meerderheid van de geleerden uit deze aḥādīth heeft afgeleid dat het gezamenlijk verrichten van de ṣalāh geen vereiste is voor de geldigheid van de ṣalāh. Dāwūd az-Ẓāhirī was het hiermee oneens en beschouwde het als een vereiste. De aḥādīth wijzen ook op dat de ṣalāh in gemeenschap geen individuele verplichting (farḍ ʿayn) is; een groep geleerden heeft dit anders gezien. De meest aangewezen mening is dat het een collectieve verplichting (farḍ kifāyah) is. Anderen hebben gezegd dat het sunnah is.] (HA)
٣٨٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَقَدْ هَمَمْتُ أَنْ آمُرَ بِحَطَبٍ فَيُحْطَبَ، ثُمَّ آمُرَ بِالصَّلاَةِ فَيُؤَذَّنَ لَهَا، ثُمَّ آمُرَ ُرَجُلًا فَيَؤُم النَّاسَ، ثُمَّ أُخَالِفَ إِلَى رِجَالٍ فَأُحَرِّقَ عَلَيْهِمْ بُيُوتَهُمْ، وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَوْ يَعْلَمُ أَحَدُهُمْ أَنَّهُ يَجِدُ عَرْقًا سَمِينًا، أَوْ مِرْمَاتَيْنِ حَسَنَتَيْنِ لَشَهِدَ الْعِشَاءَ
382 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, ik dacht bij mezelf laat ik bevelen om hout te verzamelen, daarna de aḏān voor de ṣalāh op te roepen, en dan een man aan te stellen die de mensen gaat leiden in de ṣalāh. En dan ga ik naar mannen en hun huizen in brand steken (omdat zij niet naar de moskee kwamen voor de in congregatie (jamā`ah) ṣalāh). Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, als iemand van hen wist dat hij een stuk bot met vlees eraan of twee poten zou vinden, dan zou hij zeker aanwezig zijn bij (ṣalāh) al-ʿishā’.”
٣٨٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَيْسَ صَلاَةٌ أَثْقَلَ عَلَى الْمُنَافِقِينَ مِنَ الْفَجْرِ وَالْعِشَاءِ، وَلَوْ يَعْلَمُونَ مَا فِيهِمَا لأَتَوْهُمَا وَلَوْ حَبْوًا، لَقَدْ هَمَمْتُ أَنْ آمُرَ الْمُؤَذِّنَ فَيُقِيمَ ثُمَّ آمُرَ رَجُلًا يَؤُمُّ النَّاسَ، ثُمَّ آخُذُ شُعَلًا مِنْ نَارٍ فَأُحَرِّقَ عَلَى مَنْ لاَ يَخْرُجُ إِلَى الصَّلاَةِ بَعْدُ383 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen ṣalāh die zwaarder is (om te verrichten) voor de huichelaars dan aṣ-subḥ en al-`ishā’. En als zij zouden weten wat daarin (aan beloning) zit, dan zouden zij er naartoe komen, zelfs kruipend. Ik dacht bij mijzelf om de muʾaḏḏhin te bevelen de iqāmah op te zeggen, dan een man te bevelen om de mensen te leiden in de ṣalāh. Daarna zou ik een fakkel nemen en, nadat de adzān is verricht, de huizen van degenen die dan nog steeds niet naar de ṣalāh zijn gekomen, terwijl zij erin zijn, in brand steken.
Vrijstelling voor iemand die door een geldige reden niet naar de gemeenschap kan gaan
الرخصة في التخلف عن الجماعة بعذر
٣٨٤ - حديث عِتْبَانَ بْنِ مَالِكٍ، وَهُوَ مِنْ أَصْحَابِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، مِمَّنْ شَهِدَ بَدْرًا مِنَ الأَنْصَارِ، أَنَّهُ أَتَى رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَ يَا رَسُولَ اللهِ قَدْ أَنْكَرْتُ بَصَرِي، وَأَنَا أُصَلِّي لِقَوْمِي، فَإِذَا كَانَتِ الأَمْطَارُ سَالَ الْوَادِي الَّذِي بَيْنِي وَبَيْنَهُمْ، لَمْ أَسْتَطِعْ أَنْ آتِيَ مَسْجِدَهُمْ، فَأُصَلِّيَ بِهِمْ، وَوَدِدْتُ يَا رَسُولَ اللهِ أَنَّكَ تَأْتِينِي فَتُصَلِّيَ فِي بَيْتِي فَأَتَّخِذَهُ مُصَلًّى قَالَ، فَقَالَ لَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ: سَأَفْعَلُ إِنْ شَاءَ اللهُ قَالَ عِتْبَانُ: فَغَدَا رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَبُو بَكْرٍ حِينَ ارْتَفَعَ النَّهَارُ، فَاسْتَأْذَنَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَأَذِنْتُ لهُ، فَلَمْ يَجْلِسْ حَتَّى دَخَلَ الْبَيْتَ، ثُمَّ قَالَ: أَيْنَ تُحِبُّ أَنْ أُصلِّيَ مِنْ بَيْتِكَ قَالَ، فَأَشَرْتُ لَه إِلَى نَاحِيَةٍ مِنَ الْبَيْتِ فَقَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَكَبَّرَ، فَقُمْنَا فَصَفَّنَا فَصَلَّى رَكْعَتَيْنِ ثُمَّ سَلَّمَ؛ قَالَ وَحَبَسْنَاهُ عَلَى خَزِيرَةٍ صَنَعْنَاهَا لَهُ، قَالَ، فَثَابَ فِي الْبَيْتِ رِجَالٌ مِنْ أَهْلِ الدَّارِ ذَوُو عَدَدٍ، فَاجْتَمَعُوا؛ فَقَالَ قَائِلٌ مِنْهُمْ: أَيْنَ مَالِكُ بْنُ الدُّخَيْشِنِ أَوِ ابْنُ الدُّخْشُنِ فَقَالَ بَعْضُهُمْ: ذلِكَ مُنَافِقٌ لاَ يُحِبُّ اللهَ وَرَسُولَهُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ تَقُلْ ذلِكَ، أَلاَ تَرَاهُ قَدْ قَالَ لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ، يُرِيدُ بِذلِكَ وَجْهَ
اللهِ قَالَ: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ، قَالَ: فَإِنَّا نَرَى وَجْهَهُ وَنَصِيحَتَهُ إِلَى الْمُنَافِقِينَ؛ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: فَإِنَّ اللهَ قَدْ حَرَّمَ عَلَى النَّارِ مَنْ قَالَ لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ، يَبْتَغِي بِذَلِكَ وَجْهَ اللهِ
384 – Van ʿItbān ibn Mālik (رضي الله عنه):ʿItbān ibn Mālik een van de metgezellen (ashāb) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die deelnam aan de Slag bij Badr uit de Anṣār, zei: “Ik kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘O Rasûlullāh , mijn gezichtsvermogen is zwakker geworden en ik leid de ṣalāh voor mijn volk. Maar wanneer het regent, stroomt de vallei tussen mij en hen vol, waardoor ik hun moskee niet kan bereiken om hen voor te gaan in de ṣalāh. Ik zou graag willen, o Rasûlullāh , dat u bij mij komt en in mijn huis ṣalāh verricht, zodat ik het tot gebedsruimte (muṣallā) kan nemen.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Ik zal inshā’ Allāh (bij je komen en ṣalāh verrichten).”ʿItbān zei: “Toen het daglicht hoger stond, kwamen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en Abū Bakr. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg toestemming (om binnen te komen), en ik deed meteen de deur open. Hij ging het huis binnen zonder te gaan zitten, en vroeg: ‘Waar wil je dat ik ṣalāh verricht in jouw huis?’Ik wees hem een kant van het huis aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op, zei takbīr, en wij gingen achter hem in rijen staan, waarna hij twee rakaʿāt verrichtte en daarna de salām gaf.Wij vroegen dat hij niet zou weggaan omdat we een maaltijd van vleespap voor hem hadden voorbereid. (Toen de mensen hoorden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun wijk bezocht) kwamen er enkele mannen uit de buurt naar binnen. Ze gingen gezamenlijk zitten. Toen zei iemand van hen: ‘Waar is Mālik ibn ad-Dukhayshin of Ibnu ad-Dukhshûn?’Iemand anders zei: ‘Hij is een huichelaar.
Hij houdt niet van Allāh en Zijn Rasûl.’Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Zeg dat niet. Zie je dan niet dat hij lā ilāha illā Allāh heeft gezegd, met oprechtheid voor het Aangezicht van Allāh?’De man zei: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het het best. Maar wij zien dat hij zich tot de huichelaars wendt en oprecht tegen hen is.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Voorwaar, Allāh heeft degene die zegt: “lā ilāha illā Allāh” en daarmee het Aangezicht van Allāh zoekt, het Vuur verboden gemaakt.”Ibnu Shihāb zei:
[De besproken personen waren de huichelaars. Hun slechte gedragingen, slechte praktijken en de overlast die zij de moslims bezorgden, werden uiteengezet, waarbij de grootste schuld werd toegeschreven aan Mālik ibn Dukhshum (رضي الله عنه).
Mālik ibn Dukhshum had echter deelgenomen aan de Slag bij Badr, waardoor het niet aannemelijk is dat hij een huichelaar zou zijn. Al zijn daden na zijn toetreding tot de Islām sluiten een dergelijke beschuldiging uit.
Daarom keurde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de mening van de metgezellen niet goed en stelde hij dat degene die getuigt: “La ilāha illā Allāh, Muhammad Rasūlullāh” de Hel niet zal binnengaan. Dit omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overtuigd was van de oprechte intentie bij het uitspreken van de shahādah, waarmee hij benadrukte dat men nooit aan de trouw en oprechtheid van iemands geloof mag twijfelen.] (HA)
٣٨٥ - حديث مَحْمُودِ بْنِ الرَّبِيعِ زَعَمَ أَنَّهُ عَقَلَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، وَعَقَلَ مَجَّةً مَجَّهَا مِنْ دَلْوٍ كَانَ فِي دَارِهِمْ، ثُمَّ حَدَّثَ عَنْ عِتْبَانَ حَدِيثَهُ السَّابِقَ385 – Van Maḥmūd ibn ar-Rabīʿ via Zuhrī (رضي الله عنهما):Maḥmūd ibn ar-Rabīʿ zei tegen mij dat hij zich herinnerde (toen hij een jongentje was) dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens (met hem een spelletje deed en) een mondvol water uit een emmer (in mijn gezicht) spoot (als een spelletje) bij hem thuis. Daarna vertelde hij de ḥadīth van ʿItbān van hierboven.
Het is toegestaan om vrijwillige ṣalāh in gemeenschap te verrichten en om ṣalāh te verrichten op matten, gebedskleden, stoffen en andere schone dingen
جواز الجماعة في النافلة والصلاة على حصير وخمرة وثوب وغيرها من الطاهرات
٣٨٦ - حديث مَيْمُونَةَ، قَالَتْ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُصَلِّي وَأَنَا حِذَاءَهُ، وَأَنَا حَائِضٌ، وَرُبَّمَا أَصَابَنِي ثَوْبُهُ إِذَا سَجَد
قَالَتْ: وَكَانَ يُصَلِّي عَلَى الْخَمْرَةِ
386 – Van Maymūnah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh terwijl ik recht tegenover hem lag en ik had (mijn) menstruatie(periode). Soms raakte zijn kleding mij wanneer hij zich neerboog in sajdah.”Zij zei: “En hij verrichtte de ṣalāh op een khamrah (een klein gebedskleed van palmvezels).”
De deugd van het in gemeenschap verrichten van de ṣalāh en het wachten op de ṣalāh
فضل صلاة الجماعة وانتظار الصلاة
٣٨٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: صَلاَةُ الْجَمِيعِ تَزِيدُ عَلَى صَلاَتِهِ فِي بَيْتِهِ وَصَلاَتِهِ فِي سُوقِهِ خَمْسًا وَعِشْرِينَ دَرَجَةً، فَإِنَّ أَحَدَكُمْ إِذَا تَوَضَّأَ فَأَحْسَنَ، وَأَتَى الْمَسْجِدَ لاَ يُرِيدُ إِلاَّ الصَّلاَةَ، لَمْ يَخْطُ خَطْوَةً إِلاَّ رَفَعَهُ اللهُ بِهَا دَرَجَةً، وَحَطَّ عَنْهُ خَطِيئَةً حَتَّى يَدْخُلَ الْمَسْجِدَ، وَإِذَا دَخَلَ الْمَسْجِدَ كَانَ فِي صَلاَةٍ مَا كَانَتْ تَحْبِسُهُ، وَتُصَلِّي عَلَيْهِ الْمَلاَئِكَةُ مَا دَامَ فِي مَجْلِسِهِ الَّذِي يُصَلِّي فيهِ: اللهُمَّ اغْفِرْ لَهُ، اللهُمَّ ارْحَمْهُ، مَا لَمْ يُحْدِثْ فِيهِ
387 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De ṣalāh van iemand in congregatie/gemeenschap is vijfentwintig graden beter dan zijn ṣalāh (alleen) in zijn huis of op de marktplaats/winkelcentrum. Want wanneer iemand van jullie wuḍū’ verricht en dit correct verricht, en vervolgens naar de moskee gaat zonder andere bedoeling dan de ṣalāh, dan verhoogt Allāh hem met elke stap een graad en wist Hij een zonde uit totdat hij de moskee binnengaat.
En zodra hij de moskee betreedt, wordt hij beschouwd alsof hij al in ṣalāh is zolang hij wacht op de ṣalāh, en de engelen bidden voortdurend voor hem terwijl hij op de plaats van ṣalāh verblijft, en zeggen:‘Allāhummaghfir lah, Allāhumma raḥmahu’ (O Allāh, vergeef hem; O Allāh, wees hem genadig), zolang hij geen staat van onreinheid (ḥadath) verkeert (wuḍū’verbreekt).”
De deugd van het lopen naar de moskeeën met vele stappen
فضل كثرة الخطا إِلى المساجد
٣٨٨ - حديث أَبِي مُوسى، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَعْظَمُ النَّاسِ أَجْرًا فِي الصَّلاَةِ ⦗١٣٢⦘ أَبْعَدُهُمْ فَأَبْعَدُهُمْ مَمْشًى، وَالَّذِي يَنْتَظِرُ الصَّلاَةَ حَتَّى يُصَلِّيَهَا مَعَ الإِمَامِ أَعْظَمُ أَجْرًا مِنَ الَّذِي يُصَلِّي ثُمَّ يَنَامُ
388 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen die de grootste beloning ontvangen voor de ṣalāh zijn degenen die het verst (van de moskee) wonen en het meest lopen. En degene die wacht op de ṣalāh om die met de imām te verrichten, krijgt een grotere beloning dan degene die (alleen) de ṣalāh verricht en daarna gaat slapen.”
Het lopen naar de ṣalāh wist daarmee de zonden uit en verhoogt de graden
المشي إِلى الصلاة تمحى به الخطايا وترفع به الدرجات
٣٨٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: أَرَأَيْتُمْ لَوْ أَنَّ نَهَرًا بِبَابِ أَحَدِكُمْ يَغْتَسِلُ فِيهِ كُلَّ يَوْمٍ خَمْسًا، مَا تَقُولُ ذلِكَ يُبْقِي مِنْ دَرَنِهِ قالُوا: لاَ يُبْقِي مِنْ دَرَنِهِ شَيْئًا قَالَ: فَذلِكَ مِثْلُ الصَّلَواتِ الْخَمْسِ يَمْحُو اللهُ بِهِ الْخَطَايَا
389 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Hij hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Wat denken jullie: als er bij de deur van een van jullie een rivier zou stromen waarin hij zich vijf keer per dag zou wassen, zou er dan nog enig vuil op hem achterblijven?”Zij zeiden: “Er zou niets van de vuil overblijven.”Hij zei: “Dat is het voorbeeld van de vijf dagelijkse ṣalāh; Allāh wist daarmee de zonden/misstappen uit.”
٣٩٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: مَنْ غَدَا إِلَى الْمَسْجِدِ وَرَاحَ أَعَدَّ اللهُ لَهُ نُزُلَهُ مِنَ الْجَنَّةِ كُلَّمَا غَدَا أَوْ رَاحَ
390 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie 's ochtends vroeg naar de moskee gaat en 's avonds terugkeert, voor hem bereidt Allāh telkens wanneer hij gaat of terugkeert zijn verblijf in het Paradijs.”
Wie het meest geschikt om imām te worden (om de ṣalāh te leiden)
من أحق بالإمامة
٣٩١ - حديث مَالِكِ بْنِ الْحُوَيْرِثِ، قَالَ: أَتَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ فِي نَفَرٍ مِنْ قَوْمِي فَأَقَمْنَا عِنْدَهُ عِشْرِينَ لَيْلَةً، وَكَانَ رَحِيمًا رَفِيقًا، فَلَمَّا رَأَى شَوْقَنَا إِلَى أَهَالِينَا، قَالَ: ⦗١٣٣⦘ ارْجِعُوا فَكُونُوا فِيهِمْ، وَعَلِّمُوهُمْ، وَصَلُّوا؛ فَإِذَا حَضَرَتِ الصَّلاَةُ فَلْيُؤَذِّنْ لكُمْ أَحَدُكُمْ، وَلْيَؤُمَّكُمْ أَكْبَرُكُمْ
391 – Van Mālik ibn al-Ḥuwayrith (رضي الله عنه):Ik kwam bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met een groep mensen uit mijn clan, en wij bleven twintig nachten bij hem. En hij was zachtaardig en vriendelijk. Toen hij merkte dat wij naar onze families verlangden, zei hij: ‘Keer terug naar hen, blijf onder hen, leer hen (de Islām) en verricht de ṣalāh (zoals jullie mij hebben zien doen). En wanneer het tijd is voor de ṣalāh, laat dan iemand van jullie de aḏān oproepen en laat degene onder jullie die het oudste is jullie leiden in de ṣalāh.’
Het is aanbevolen om in alle ṣalāh de qunūt te reciteren wanneer de moslims door een rampspoed getroffen worden
استحباب القنوت في جميع الصلاة إِذا نزلت بالمسلمين نازلة
٣٩٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حِينَ يَرْفَعُ رَأْسَهُ يَقُولُ: سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ يَدْعُو لِرِجَالٍ فَيُسَمِّيهِمْ بِأَسْمَائهِمْ؛ فَيَقُولُ: اللهُمَّ أَنْجِ الْوَلِيد بْنَ الْوَلِيدِ وَسَلَمَةَ بْنَ هِشَامٍ وَعَيَّاشَ بْنَ أَبِي رَبِيعَةَ وَالْمُسْتَضْعَفِينَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ؛ اللهُمَّ اشْدُدْ وَطْأَتَكَ عَلَى مُضَرَ، وَاجْعَلْهَا عَلَيْهِمْ سِنِينَ كَسِنِى يُوسُفَ وَأَهْلُ الْمَشْرِقِ يَوْمَئِذٍ مِنْ مُضَرَ مُخَالِفُونَ لَهُ
392 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn hoofd hief (uit de rukūʿ), zei hij: “Samiaʿa-llāhu līmān ḥamidah, Rabbanā wa laka’l ḥamd. En dan bad hij voor mannen, waarbij hij hen bij naam noemde. Zo zei hij: ‘O Allāh, red al-Walīd ibn al-Walīd, Salamah ibn Hishām, ʿAyyāsh ibn Abī Rabīʿah en de onderdrukten onder de gelovigen.
O Allāh, verhef Uw kracht (bestraffing) (over de clan) Muḍar en laat over hen jaren (van droogte) komen zoals de jaren van (an-Nabī) Yūsuf (عليه السلام). En op dat moment waren de mensen van het oosten van Mudar degenen die vijandig waren tegen (Rasûlullāh en de moslims).”
٣٩٣ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: قَنَتَ النَّبِيُّ ﷺ شَهْرًا يَدْعُو عَلَى رِعْلٍ وَذَكْوَانَ393 – Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte een maand lang de qunūt en bad tegen Ri`l en Dhakwān (clans).”
[Qunūt (القنوت) is een smeekgebed (duʿāʾ) dat op bepaalde momenten tijdens de ṣalāh wordt verricht, meestal terwijl men rechtop staat na het oprichten uit de rukūʿ (buiging), of vóór de rukūʿ afhankelijk van de overlevering en school van jurisprudentie (madzhab).
Er zijn twee hoofdvormen:
1. Qunūt in de ṣalāh al witr: vooral verricht tijdens de ṣalāh.al witr en bevat smeekbeden voor leiding, vergeving en bescherming.
2. Qunūt bij calamiteiten:
Verricht in de verplichte ṣalāh (vaak in de ṣalāh al fajr) wanneer de ummah te maken heeft met rampen, oorlog of onderdrukking.
Dit is een tijdelijke vorm van qunūt, die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een maand lang verrichtte om tegen bepaalde stammen te smeken na verraad.] (AFK)
[Qunūt, dat in wezen een du`ā’ is, is in de ṣalāh Allāh aanroepen om verlost te worden van een kwaad of om een goed te verkrijgen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte om verschillende redenen qunūt, dat wil zeggen dat hij in de ṣalāh in du`ā’ stond.
Het qunūt-gebed dat hier wordt genoemd, had echter betrekking op bepaalde stammen in verband met de ramp die bekend staat als de tragedie van Biʾr Maʿūnah, waarbij ongeveer zeventig uitmuntende metgezellen de marteldood stierven.
De stamhoofd van de stam ʿĀmir b. Saʿṣaʿa, Abū Barāʾ ʿĀmir b.
Mālik, had an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezocht en enige informatie ingewonnen over de Islām. Hoewel hij zelf niet moslim was geworden, vroeg hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om onderwijzers te sturen die zijn stam de Islām zouden kunnen uitleggen. Daarop vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met het oog op de veiligheid van de predikers die hij zou sturen, aan Abū Barāʾ om hun bescherming te garanderen, en hij wist an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hiervan te overtuigen.
Vervolgens vertrok een groep metgezellen, gekozen uit de mensen van Aṣḥāb aṣ-Ṣuffah, die bekend stonden om hun goede kennis van de Qurʾān, waarvan het aantal tussen de veertig en zeventig werd vermeld. Behalve ʿAmr b. Umayyah (رضي الله عنه) werden zij allen meedogenloos vermoord bij een plaats die Biʾr Maʿūnah werd genoemd.
Toen an-Nab (صلى الله عليه وسلم) via openbaring van deze gebeurtenis op de hoogte werd gebracht, deelde hij het aan zijn metgezellen mee. Hij voelde een buitengewoon diepe bedroevenis. Vanwege hun wrede afslachting verrichtte hij een maand lang qunūt in zijn ṣalāh tegen de moordenaars.
Hoewel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hardnekkig afstand hield van vervloeking en het uitspreken van du`ā’ tegen mensen, en dit ook zijn metgezellen afraadde, was zijn buitengewone en dagenlange verrichting van qunūt zowel een uitdrukking van zijn verdriet als van zijn woede. Zijn metgezellen sloten zich aan bij zijn verdriet en du`ā’ door āmīn te zeggen.] (Diyanet)
٣٩٤ - حديث أَنَسٍ عَنْ عَاصِمٍ، قَالَ: سَأَلْتُ أَنَسًا ﵁، عَنِ الْقُنُوتِ، قَالَ: قَبْلَ الرُّكُوعِ فَقُلْتُ: إِنَّ فُلاَنًا يَزْعُمُ أَنَّكَ قُلْتَ بَعْدَ الرُّكُوعِ فقال: كَذَبَ؛ ثُمَّ حَدَّثَنَا عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ قَنَتَ شَهْرًا بَعْدَ الرُّكُوعِ يَدْعُو عَلَى أَحْيَاءٍ مِنْ بَنِي سُلَيْمٍ قَالَ: بَعَثَ أَرْبَعِينَ أَوْ سَبْعِينَ (يَشُكُّ فِيهِ) مِنَ الْقُرَّاءِ إِلى أَنَاسٍ مِنَ الْمُشْرِكِينَ، فَعَرَضَ لَهُمْ هؤُلاَءِ، فَقَتَلُوهُمْ؛ وَكَانَ بَيْنَهُمْ وَبَيْنَ النَّبِيِّ ﷺ عَهْدٌ، فَمَا رَأَيْتُهُ وَجَدَ عَلَى أَحَدٍ مَا وَجَدَ عَلَيْهِمْ
394 – Van Anas via ʿĀṣim ibn Sulaymān رضي الله عنهما:ʿĀṣim zei: “Ik vroeg Anas رضي الله عنه over de qunūt.”Hij zei: “Voor de rukūʿ.”Ik zei: “Maar die-en-die beweert dat jij zei: na de rukūʿ.”Hij antwoordde: “Hij heeft gelogen.”Daarna vertelde hij ons dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een maand lang qunūt verrichtte ná de rukūʿ, en daarin smeekte tegen stammen van Banū Sulaym.Hij zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zond veertig of zeventig (de verteller twijfelde) van de Qurraʾ (metgezellen die de hele Qur’ān uit het hoofd kennen) naar een groep van de polytheisten. Maar ze werden in hinderlaag gelokt en vermoord.
En er was een verdrag tussen hen en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Ik heb hem (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit zo verdrietig over iemand gezien als over hen.
٣٩٥ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ سَرِيَّةً يُقَالُ لَهُمُ الْقُرَّاءُ، فَأُصِيبُوا، فَمَا رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ وَجَدَ عَلَى شَيْءٍ مَا وَجَدَ عَلَيْهِمْ، فَقَنَتَ شَهْرًا فِي صَلاَةِ الْفَجْرِ، وَيَقُولُ: إِنَّ عُصَيَّةَ عَصَوُا اللهَ وَرَسُولَهُ395 – Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde een expeditiegroep (zeventig personen van de Anṣār naar de stammen van Riʿl, Dhakwān, ʿUṣayyah en Lahyān om hen de religie te onderwijzen) die bekend stond als Qurrāʾ. (Bij de waterput Biʾr Maʿūnah, werden ze verraderlijk) aangevallen en gedood, (ondanks het bestaan van een verdrag.)Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit zo verdrietig gezien over iemand als over hen. Hij verrichtte een maand lang qunūt in de ṣalāh al-fajr, en zei: ‘Waarlijk, de ʿUṣayyah clan heeft Allāh en Zijn Rasûl ongehoorzaam geweest/kwamen tegen Allāh en Zijn Rasûl in opstand.”
Het verrichten van gemiste ṣalāh (qadhāʾ) en de aanbeveling om deze spoedig in te halen
قضاء الصلاة الفائتة واستحباب تعجيل قضائها
٣٩٦ - حديث عِمْرَانَ بْنِ حُصَيْنٍ، أَنَّهُمْ كَانُوا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي مَسِيرٍ، فَأَدْلَجُوا لَيْلَتَهُمْ، حَتَّى إِذَا كَانَ وَجْهُ الصُّبْحِ عَرَّسُوا فَغَلَبَتْهُمْ أَعْيُنُهُمْ حَتَّى ارْتَفَعَتِ الشَّمْسُ، فَكَانَ أَوَّلَ مَنِ اسْتَيْقَظَ مِنْ مَنَامِهِ أَبُو بَكْرٍ، وَكَانَ لاَ يُوقَظُ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ مَنَامِهِ حَتَّى يَسْتَيْقِظَ، فَاسْتَيْقَظَ عُمَرُ فَقَعَدَ أَبُو بَكْرٍ عِنْدَ رَأْسِهِ، فَجَعَلَ يُكَبِّرُ وَيَرْفَعُ صَوْتَهُ حَتَّى اسْتَيْقَظَ النَّبِيُّ ﷺ، فَنَزَلَ وَصَلَّى بِنَا الْغَدَاةَ؛ فَاعْتَزَلَ رَجٌلٌ مِنَ الْقَوْمِ لَمْ يُصَلِّ مَعَنَا فَلَمَّا انْصَرَفَ قَالَ: يَا فُلاَنُ مَا يَمْنَعُكَ أَنْ تُصَلِّيَ مَعَنَا قَالَ: أَصَابَتْنِي جَنَابَةٌ فَأَمَرَهُ أَنْ يَتَيَمَّمَ بِالصَّعِيدِ، ثُمَّ صَلَّى وَجَعَلَنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي رَكُوبٍ بَيْنَ يَدَيْهِ، وَقَدْ عَطِشْنَا عَطَشًا شَدِيدًا فَبَيْنَمَا نَحْنُ نَسِيرُ إذا بِامْرَأَةٍ سَادِلَةٍ رِجْلَيْهَا بَيْنَ مَزَادَتَيْنِ؛ فَقُلْنَا لَهَا: أَيْنَ الْمَاءُ فَقَالَتْ: إِنَّهُ لاَ مَاءَ فَقُلْنَا: كَمْ بَيْنَ أَهْلِكِ وَبَيْنَ الْمَاءِ قَالَتْ: يَوْمٌ وَلَيْلَةٌ فَقُلْنَا: انْطَلِقِي إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَتْ: وَمَا رَسُولُ اللهِ فَلَمْ نُمَلِّكْهَا مِن أَمْرِهَا حَتَّى اسْتَقْبَلْنَا بِهَا النَّبِيَّ ﷺ فَحَدَّثَتْهُ بِمِثْلِ الَّذِي حَدَّثَتْنَا، غَيْرَ أَنَّهَا حَدَّثَتْهُ أَنَّهَا مُؤْتِمَةٌ
فَأَمَرَ بِمَزَادَتَيْهَا، فَمَسَحَ فِي الْعَزْلاَوَيْنِ، فَشَرِبْنَا عِطَاشًا، أَرْبَعِينَ رَجُلًا، حَتَّى رَوِينَا فَمَلأْنا كُلَّ قِرْبَةٍ مَعَنَا وَإِدَاوَةٍ، غَيْرَ أَنَّهُ لَمْ نَسْقِ بَعِيرًا، وَهِيَ تَكَادُ تَنِضُّ مِنَ الْمِلْءِ ثُمَّ قَالَ: هَاتُوا مَا عِنْدَكُمْ فَجُمِعَ لَهَا مِنَ الْكِسَرِ وَالتَّمْر حَتَّى أَتَتْ أَهْلَهَا فَقَالَتْ: لَقِيتُ أَسْحَرَ النَّاسِ أَوْ هُوَ نَبِيٌّ كَمَا زَعَمُوا فَهَدَى اللهُ ذَاكَ الصِّرْمَ بِتِلْكَ الْمَرْأَةِ، فَأَسْلَمَتْ وَأَسْلَمُوا
396 - Van ʿImrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه):Zij waren op reis met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op . Die nacht hadden zij door gereisd totdat het ochtendgloren aanbrak, toen hielden ze halt. Hun ogen waren (door de slaap) overmand en sliepen door totdat de zon was opgekomen.
Degene die als eerste uit zijn slaap ontwaakte was Abū Bakr. En gewoonlijk werd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet gewekt zolang hij niet uit zichzelf ontwaakte. Toen ʿUmar wakker werd, ging Abū Bakr bij het hoofd (van Rasûlullāh) zitten en begon takbīr te zeggen en zijn stem te verheffen totdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wakker werd.
Daarop daalde hij af en verrichtte met ons de ṣalāh al fajr (ṣalāh al-ghadāh: inhaal). Een man had zich afzijdig gehouden van de groep en verrichtte de ṣalāh niet met ons. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) klaar was, zei hij: “O die-en-die! Wat heeft je belet om met ons mee ṣalāh te verrichten?”Hij antwoordde: “Ik ben in staat van grote onreinheid (janābah).”
Daarop beval hij hem de tayammum te verrichten met schone aarde, en vervolgens verrichtte hij ṣalāh.
Toen plaatste Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij op een rijdier vóór zich. Wij leden hevige dorst. Terwijl wij verder trokken (op zoek naar water), zagen wij een vrouw (op haar kameel) zitten met haar benen omlaag tussen twee leren waterzakken.
Wij zeiden tegen haar: “Waar is het water?”Zij zei: “Er is hier geen water.”- “Hoe ver is jouw volk van het water?”- “Een dag en een nacht.”
- “Ga met ons mee naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”- “Wie is Rasûlullāh ?”
Wij lieten haar niet vrij om voor zichzelf te beslissen totdat wij haar tot bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden gebracht. Zij vertelde hem wat zij ons ook verteld had, daarbij vertelde zij dat zij een weduwe (moeder van weeskinderen) was.
Toen beval hij dat men haar twee waterzakken moest brengen. Hij wreef over de twee uiteinden ervan. Wij, veertig mannen, dronken dorstig, totdat wij verzadigd waren. En wij vulden alle waterzakken en kruiken die wij bij ons hadden. Behalve dat wij geen van de kamelen te drinken gaven, en de waterzakken puilden bijna uit van het water.
Daarna zei hij: “Breng wat jullie bij je hebben.”Toen werd er voor haar verzameld wat brokken brood en dadels. Deze werden in een doek gewikkeld en in haar schoot gelegd. De vrouw keerde met vertraging terug naar de mensen van haar stam.
Zij zei: “Ik heb de meest bedreven tovenaar van de mensen ontmoet, of hij is werkelijk een profeet, zoals zij beweren.”
Vervolgens leidde Allāh die hele stam tot de Islām via deze vrouw. En zij werd moslima, evenals zij (haar stamleden).
[In deze ḥadīth zien we twee aspecten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :
Zijn menselijke kant, waarin hij niet van ons verschilt: hij sliep, zijn slaap kon zwaar zijn en hij kon zelfs een ṣalāh missen die hij daarna moest inhalen.
Zijn profetische kant, waarin hij in contact stond met goddelijke openbaringen. Dit aspect is totaal verschillend van de mens en is bovennatuurlijk, een toestand die voor mensen onbereikbaar is.
Wij noemen dit een muʿjizah (wonder), iets wat de mens machteloos maakt.
Er zijn verschillende verklaringen gegeven over het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door zijn slaap een ṣalāh niet op tijd kon verrichten en deze later inhaalde.
In een ḥadīth die Imām Muslim overlevert van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :
“Dit is de plaats waar de shayṭān bij ons kwam.” (Muslim, al-Masājid)
Zijn uitspraak geeft op een beknopte wijze de reden weer voor wat er gebeurde.] (AFK)
{*: De reden dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet werd gewekt: Want de sahabah wisten niet wat er tijdens zijn slaap gebeurde, en omdat er in zijn slaap ook openbaring via dromen tot hem kwam, vreesden zij dat de openbaring zou worden onderbroken, en daarom durfden zij hem niet wakker te maken.)}
{In een andere hadith staat: Van Auf via Abû Radjā’ (رحمه الله): Imrān (رضي الله عنه) heeft verteld:Wij waren op reis met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en reden bijna de hele nacht door. Toen vielen we neer, en niets is zo prettig voor een reiziger als aan het eind van de nacht te gaan slapen. Wij werden pas wakker toen de zon al heet was. Als eerste werd die en die wakker, en toen die, en toen die (Abû Radjā’ noemde hen bij naam, maar Auf was vergeten wie het waren) en als vierde `Umar ibn al-Khattāb (رضي الله عنه).an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakten wij nooit wakker; wij lieten hem uit zichzelf wakker worden omdat wij niet wisten wat er met hem gebeurde als hij sliep.
Toen `Umar wakker was geworden keek hij om zich heen en zag dat de meesten nog sliepen. `Umar was een onverzettelijke man; hij begon hard 'Allahu Akbar!' te roepen en ging daar zo lang mee door tot an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) er wakker van werd.Toen hij eenmaal wakker was kwamen ze bij hem klagen over hoe het gegaan was, maar hij zei: 'Het hindert niet; laten we verder rijden!'We waren nog niet ver of hij steeg af, riep om waswater en verrichtte de kleine wassing; er werd opgeroepen tot de ṣalāh en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging daarin voor. Toen hij daarmee klaar was zag hij een man die zich afzijdig had gehouden en de ṣalāh niet verricht had met de anderen. Hij zei: 'Wat heeft je belet, beste man, om met de mensen mee te bidden?'Hij zei: "Ik ben in staat van grote onreinheid en ik heb geen water."an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Neem wat losse aarde, dat is genoeg.'We reden verder en na een poosje klaagden de mensen over dorst. an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) steeg af, riep `Ali (رضي الله عنه) en nog iemand en zei tegen hen: 'Gaan jullie water zoeken!'De beide mannen reden weg en kwamen een vrouw tegen die op een kameel zat tussen twee leren zakken water. Ze vroegen haar waar er water te vinden was, en ze antwoordde: 'Dat ik voor het laatst water heb gezien was gisteren om deze tijd, en we zijn er zonder de mannen op uitgetrokken.'Ze zeiden haar hen te volgen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).'Die de Sabiër genoemd wordt?''Ja, dat is de man die je bedoelt; kom mee!'Ze brachten haar bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelden hem het verhaal. Hij zei: 'Help deze vrouw van haar kameel af.'an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) riep om een kruik en goot deze vol uit de mondstukken van de twee waterzakken, die hij op de kruik liet leunen, waarbij hij de tuitjes vrijliet. De mensen werden geroepen en kregen te drinken naar hartelust.
Tenslotte gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de man die in staat van grote onreinheid had verkeerd een kruik met water aan en zei: 'Ga het over jezelf leeggieten!' terwijl de vrouw stond toe te kijken wat er met haar water gebeurde, en ik zweer bij Allah, toen hij ophield met uitgieten leken haar waterzakken nog voller dan toen hij begon!an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Verzamel wat voedsel voor haar!' en dat deden ze: goede dadels, meel en gerstebrij, tot ze een maaltje bij elkaar hadden; dat deden ze in een doek, ze zetten haar op de kameel en legden de doek voor haar neer. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen haar: 'Je ziet, we hebben niets van je water afgenomen: het was Allah die ons te drinken heeft gegeven.'Ze kwam bij haar familie terug en ze vroegen wat haar zo lang had opgehouden. Ze zei: 'Er is mij iets vreemds overkomen. Ik kwam twee mannen tegen die mij bij de man brachten die de Sabiër genoemd wordt,' en ze vertelde het hele verhaal. 'Bij Allah,' besloot ze, 'hij is de grootste tovenaar tussen hier en hier' – en ze wees met haar wijsvinger en middelvinger – ze bedoelde: tussen hemel en aarde – 'of hij is werkelijk Rasûlullāh!'Daarna deden de moslims dikwijls aanvallen op de heidenen in de omgeving, maar ze vielen niet het groepje tenten aan waar zij thuishoorde. Op een dag zei zij tegen haar stamgenoten: 'Ik geloof dat deze mensen jullie met opzet met rust laten. Waarom worden jullie geen moslim?' Ze gaven daar gehoor aan en werden moslim."}
٣٩٧ - حديث أَنَسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: مَنْ نَسِيَ صَلاَةً فَلْيُصَلِّ إِذَا ذَكَرَهَا، لاَ كَفَّارَةَ لَهَا إِلاَّ ذلِكَ، (وَأَقِمِ الصَّلاَةَ لِذِكْرِي)
397 – Van Anas رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een ṣalāh vergeet (te verrichten), laat hem die verrichten zodra hij het zich herinnert. Er is geen andere boetedoening daarvoor dan dat.”
إِنَّنِيٓ أَنَا ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنَا۠ فَٱعۡبُدۡنِي وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِذِكۡرِيٓ ١٤
Waarlijk! Ik ben Allāh, er is geen god dan Ik, aanbid Mij dus en verricht de gebeden om Mij te gedenken. (sûrah Taha 20/14)