As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Tayammum

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Tayammum

[De lexicale betekenis van het woord tayammum is zich ergens op richten of iets bedoelen.In de islamitische terminologie verwijst dit naar een symbolische en toegestane reiniging die wordt uitgevoerd wanneer water niet beschikbaar is of niet gebruikt kan worden. Het doel is het opheffen van zowel de grote als de kleine rituele onreinheid. Dit geschiedt door de handen over schone aarde, of iets vergelijkbaars, te wrijven en vervolgens het gezicht en de beide armen ermee te strijken.

Onder normale omstandigheden worden wuḍūʾ (kleine wassing) en ghusl (grote wassing) uitgevoerd met water, en die bewerkstelligen een fysieke reiniging. Tayammum daarentegen is een symbolische handeling, die slechts wordt toegepast in uitzonderlijke situaties, en die in de plaats van wuḍūʾ of ghusl komt. Dat de Islām deze voorziening heeft ingesteld, benadrukt zowel het grote belang van de ṣalāh als het principe van gemak en verlichting binnen de religie. Met tayammum is het toegestaan om de verplichte (farḍ) ṣalāh te verrichten, evenals zoveel vrijwillige (nafl) ṣalāh als men wenst.

Het is niet toegestaan om twee farḍ-ṣalāh met één tayammum te verrichten. Wanneer iemand tayammum doet met de intentie een farḍ-ṣalāh te verrichten, mag hij daarmee ook vrijwillige (nafilah) ṣalāh bidden. Verricht men tayammum uitsluitend met de intentie voor nafilah-ṣalāh, dan mag men daarmee geen farḍ-ṣalāh verrichten.

Met één tayammum mag een persoon echter meerdere ṣalāh al-janāzah verrichten. Alles wat wuḍū’ verbreekt, verbreekt ook de tayammum.

Volgens de Hanafīen Mālikī-geleerden is het niet verplicht om bij tayammum een bepaalde volgorde (tartīb) aan te houden. Sommige geleerden van de Hanafī-madzhab hebben, op basis van de ḥadīth van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), toegestaan dat iemand tayammum verricht in plaats van wuduʾ, zelfs als hij water kan gebruiken.

In de Qurʾān zegt Allah over tayammum:

وَإِن كُنتُم مَّرۡضَىٰٓ أَوۡ عَلَىٰ سَفَرٍ أَوۡ جَآءَ أَحَدٞ مِّنكُم مِّنَ ٱلۡغَآئِطِ أَوۡ لَٰمَسۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَلَمۡ تَجِدُواْ مَآءٗ فَتَيَمَّمُواْ صَعِيدٗا طَيِّبٗا فَٱمۡسَحُواْ بِوُجُوهِكُمۡ وَأَيۡدِيكُمۡۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَفُوًّا غَفُورًا ٤٣

… En als jullie ziek zijn, of op reis, of één van jullie moet aan de roep van de natuur gehoor geven, of jullie hebben contact met vrouwen gehad en jullie kunnen geen water vinden, neem dan voor jullie zelf schone aarde en wrijf daar jullie gezichten en jullie handen mee.Waarlijk, Allah is Inschikkelijk, Vergevingsgezind. (surah an-Nisāʾ, 4:43)

Deze verordening over tayammum werd neergezonden in het vijfde jaar nH, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het praktisch voorgedaan.] HA

٢٠٦ - حديث عَائِشَةَ زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: خَرَجْنَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي بَعْض أَسْفَارِهِ حَتَّى إِذَا كُنَّا بِالْبَيْدَاءِ، أَوْ، بِذَاتِ الْجَيْشِ، انْقَطَعَ عِقْدٌ لِي؛ فَأَقَام رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى الْتِمَاسِهِ، وَأَقَامَ النَّاسُ مَعَهُ، وَلَيْسُوا عَلَى مَاءٍ؛ فَأَتَى النَّاسُ إِلَى أَبِي بَكْرٍ الصِّدِّيقِ فَقَالُوا: أَلاَ تَرَى إِلَى مَا صَنَعَتْ عَائِشَةُ أَقَامَتْ بِرَسُولِ اللهِ ﷺ وَالنَّاسِ، وَلَيْسُوا عَلَى مَاءٍ وَلَيْسَ مَعَهُمْ مَاءٌ فَجَاءَ أَبُو بَكْرٍ وَرَسُولُ اللهِ ﷺ وَاضِعٌ رَأْسَهُ عَلَى فَخِذِي قَدْ نَامَ فَقَالَ: حَبَسْتِ رَسُولَ اللهِ ﷺ وَالنَّاسَ، وَلَيْسُوا عَلَى مَاءٍ، وَلَيْسَ مَعَهُمْ مَاءٌ؛ فَقَالَتْ عَائِشَةُ: فَعاتَبَنِي أَبُو بَكْرٍ، وَقَالَ مَا شَاءَ اللهُ أَنْ يَقولَ، وَجَعَلَ يطْعُنُنِي بِيَدِهِ فِي خَاصِرَتِي فَلاَ يَمْنَعُنِي مِنَ التَّحَرُّكِ إِلاَّ مَكَانُ رَسُولِ اللهِ ﷺ عَلَى فَخِذِي، فَقَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حِينَ أَصْبَحَ عَلَى غَيْرِ مَاءٍ، فَأَنْزَلَ اللهُ آيَةَ التَّيَمُّمِ، فَتَيمَّمُوا؛ فَقَالَ أُسَيْدُ بْنُ الْحُضَيْرِ: مَا هِيَ بِأَوَّلِ بَرَكَتِكُمْ يَا آلَ أَبي بَكْرِ قَالَتْ: فَبَعَثْنَا الْبَعِيرَ الَّذِي كُنْتُ عَلَيْهِ فَأَصَبْنَا الْعِقْدَ تَحْتَهُ206 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :

Wij gingen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mee op een van zijn reizen. Toen we bij al-Baydāʾ of Dhāt al-Jaysh (plaats tussen Makkah en Madīnah) waren aangekomen, brak mijn halsketting. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte halt om hem te zoeken, en de mensen bleven ook bij hem. Maar er was (in verre omstreken) geen water te vinden.

De mensen kwamen bij (mijn vader) Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq en zeiden: “Zie je niet wat ʿĀʾishah heeft gedaan? Ze bezorgt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de mensen oponthoud (om de halsketting te zoeken), terwijl er geen water is en niemand water bij zich heeft.”

Toen Abū Bakr kwam bij mij terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn hoofd op mijn schoot lag te slapen.Hij zei: “Jij hebt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de mensen opgehouden, terwijl ze geen water hebben!”

ʿĀʾishah zei: “Abū Bakr gaf mij toen een standje en zei alles wat Allāh maar wilde dat hij zei. Hij begon mij met zijn hand in mijn zij te porren. Maar ik kon niet bewegen omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat op mijn schoot lag”.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had tot het aanbreken van de ochtend geen water. Toen openbaarde Allāh de āyah over tayammum (wuḍū’ verrichten met aarde) en dat (tayammum) deden de mensen toen. Daarop zei Usayd ibn al-Ḥuḍayr: “Dit is niet de eerste zegen die jullie hebben gebracht, o familie van Abū Bakr!”

ʿĀʾishah zei: “En toen we de kameel waarop ik had gezeten losmaakten, vonden we de halsketting op de plek waar hij gelegen had.”

[De verloren halsketting van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) behoorde aan haar zus Asmāʾ (رضي الله عنها) en had slechts een geringe waarde van ongeveer twaalf dirham.

Wat betreft de reis waarop dit voorval betrekking had: volgens geleerden zoals Ibn ʿAbd al-Bar, Ibn Saʿd en Ibn Ḥibbān vond dit plaats tijdens de slag van Banū al-Muṣṭaliq, in het vijfde jaar nH. Tijdens deze expeditie, die ook bekendstaat als de slag van al-Muraysīʿ, deed zich tevens de bekende gebeurtenis van al-Ifk (de lasteraffaire) voor.] (HA)

٢٠٧ - حديث عَمَّارٍ عَنْ شَقِيقٍ قَالَ: كُنْتُ جَالِسًا مَعَ عَبْدِ اللهِ وَأَبِي مُوسَى الأَشْعَرِيِّ، فَقَالَ لَهُ أَبُو مُوسى لَوْ أَنَّ رَجُلًا أَجْنَبَ فَلَمْ يَجِدِ المَاءَ شَهْرًا، أَمَا كَانَ يَتَيَمَّمُ وَيُصَلِّي فَكَيْفَ تَصْنَعُونَ بِهذِهِ الآيَةِ فِي سُورَةِ الْمَائِدَةِ (فَلَمْ تَجِدُوا مَاءً فَتَيَمَّمُوا صَعِيدًا طَيِّبًا) فَقَالَ عَبْدُ اللهِ: لَوْ رُخِّصَ لَهُمْ فِي هذَا لأَوْشَكُوا إِذَا بَرَدَ عَلَيْهِمُ الْمَاءَ أَنْ يَتَيَمَّموا الصَّعِيدَ قُلْتُ: وَإِنَّمَا كَرِهْتُمْ هذَا لِذَا قَالَ: نَعَمْ فَقَالَ أَبُو مُوسى: أَلَمْ تَسْمَع قَوْلَ عَمَّارٍ لِعُمَر: بَعَثَنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي حَاجَةٍ فَأَجْنَبْتُ فَلَمْ أَجِدِ الْمَاءَ، فَتَمَرَّغْتُ فِي الصَّعِيدِ كَما تَمَرَّغُ الدَّابَّةُ، فَذَكَرْتُ ذَلِكَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: إِنَمَا كَانَ يَكْفِيكَ أَنْ تَصْنَعَ هكَذَا؛ فَضَرَبَ بِكَفِّهِ ضَرْبَةً عَلَى الأَرْضِ، ثُمَّ نَفَضَهَا، ثُمَّ مَسَحَ بِهَا ظَهْرَ كَفِّهِ بِشِمَالِهِ، أَوْ ظَهْرَ شَمَالِهِ بِكَفِّهِ، ثُمَّ مَسَحَ بِهَا وَجْهَه

فَقَالَ عَبْدُ اللهِ: أَفَلَمْ تَرَ عُمَرَ لَمْ يَقْنَعْ بِقَوْلِ عَمَّارٍ

207 – VanʿAmmār via Shaqīq (رضي الله عنهما):Ik zat eens bij ʿAbdullāh bin Mas`ûd en Abū Mūsā al-Ashʿarī.

Abū Mūsā zei tegen hem: “Wat denk je, als iemand in staat van grote onreinheid (janābah) verkeert en een maand lang geen water kan vinden, mag hij dan geen tayammum verrichten en ṣalāh verrichten?

Maar, (vroeg Abū Mūsā): “Hoe zit het dan met het vers in sūrah al-Māʾidah:فَلَمْ تَجِدُوا مَاءً فَتَيَمَّمُوا صَعِيدٗا طَيِّبٗا‘…en als jullie geen water vinden, verricht dan tayammum met schone aarde…(sûrah an-Nisā’ (4: 43)

ʿAbdullāh (ibn Mas`ûd) zei: “Als het hun in dit vers was toegestaan, dan zouden mensen zodra ze het water koud vinden, meteen tayammum gaan verrichten met aarde.”

Ik (Shaqīq) zei: “Dus jullie hebben dit alleen verworpen vanwege dit argument?”Hij zei: “Ja.”

Toen zei Abū Mūsā (tegen Abdullah): “Heb je dan niet gehoord wat ʿAmmār bin Yāsir tegen ʿUmar zei?Hij zei: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zond mij eens eropuit voor een taak (sariyyah), en ik was in staat van janābah, maar ik kon geen water vinden. Dus rolde mij in de rulle zand zoals een dier dat doet. Toen ik bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam en hem dat vertelde, zei hij: ‘Het zou voor jou voldoende zijn geweest om het zo te doen.’Hij sloeg met de handpalm eenmaal op de grond en schudde die vervolgens af. vervolgens met zijn rechterhand over de rug van zijn linkerhand (of de rug van zijn rechtermet zijn linkerhand), en veegde daarna over zijn gezicht.”

ʿAbdullāh zei: “Zie je dan niet dat ʿUmar niet tevreden was met de uitspraak van ʿAmmār?”In een andere overlevering wordt vermeld dat `Umar (رضي الله عنه) tegen Ammâr zei: 'De verantwoordelijkheid die je op je hebt genomen, laat ik aan jou over.

[In een overlevering van Bukhârî wordt vermeld: “Hij sloeg met beide handen op de grond, blies erop en wreef daarna met die handen over zijn gezicht en handen.] (AFK)

[Een militaire eenheid die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd uitgezonden onder leiding van een bevelhebber, zonder dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf deelnam, wordt sariyyah genoemd.

ʿAmmār (رضي الله عنه) verrichtte hierbij ijtihād (persoonlijke juridische inspanning) en stelde, uitgaande van het verschil tussen de toestand van janābah (grote onreinheid) en wudū’, dat tayammum bij ghusl toegepast kon worden. Dit voorval toont tevens aan dat ʿAmmār goed bekend was met de basisprincipes van tayammum.

De vraag of ijtihād door de metgezellen in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was toegestaan, is onderwerp van discussie onder de uṣūl al-fiqh-geleerden. Volgens de sterkste opvatting is het wel toegestaan.

De islamitische geleerden hebben drie meningen over de vraag tot waar de armen gewreven moeten worden bij tayammum:

a. Van de vingertoppen tot aan de schouders wrijven. Deze mening behoort tot Imām az-Zuhrī.

b. Alleen tot aan de polsen wrijven. Deze mening is gebaseerd op een authentische overlevering van ʿAmmār b. Yāsir.

c. Tot aan de ellebogen wrijven, inclusief de ellebogen zelf. Dit is de mening van de meerderheid van de geleerden, waaronder de Ḥanafī-geleerden.

Toen ʿAmmār in een toestand van janābah verkeerde, vroeg hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wat hij moest doen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebood hem zijn gezicht en handen te wrijven. Daarop hield hij zich aan wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem geleerd had, namelijk het wrijven van het gezicht en de handen. Dit toont aan dat ʿAmmâr, tijdens het incident met ʿUmar (رضي الله عنه), aangaf dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem het wrijven van gezicht en handen had onderwezen, en dat hij zich hield aan hetgeen hij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geleerd had.] (HA)

[In de ḥadīth is er sprake van een gedachtewisseling over tayammum tussen ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) en Abū Mūsā (رضي الله عنه). Abū Mūsā (رضي الله عنه) was van mening dat wanneer iemand in staat van grote rituele onreinheid (junub) verkeert en geen water kan vinden, kan tayammum verrichten en zijn aanbidding voortzetten. ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) daarentegen vreesde dat mensen dit zouden kunnen misbruiken en dat zij, zelfs bij een geringe verontschuldiging, meteen naar tayammum zouden grijpen.

Daarnaast wordt vermeld dat ʿUmar (رضي الله عنه) eveneens bezwaar had tegen deze kwestie. Zoals in de daaropvolgende ḥadīth zal blijken, verklaart ʿAmmār ibn Yāsir (رضي الله عنه) dat hij op een dag, toen hij junub was en geen water kon vinden, tayammum verrichtte terwijl hij samen met ʿUmar (رضي الله عنه) was. ʿUmar (رضي الله عنه) herinnerde zich deze gebeurtenis echter niet.

Uiteindelijk bestaat er overeenstemming onder de imams van de Ḥanafī-, Shāfiʿī-, Mālikīen Ḥanbalī-wetscholen dat iemand die junub is en geen toegang heeft tot water, door middel van tayammum de ghusl kan vervangen.] (Diyanet)

٢٠٨ - حديثُ عَمَّارٍ جَاءَ رَجُلٌ إِلَى عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ؛ فَقَالَ: إِنِّي أَجْنَبْتُ فَلَمْ أُصِبِ الْمَاءَ، فَقَالَ عَمَّارُ بْنُ يَاسِرٍ لِعُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ أَمَا تَذْكُرُ أَنَّا كُنَّا فِي سَفَرٍ أَنَا وَأَنْتَ؛ فَأَمَّا أَنْتَ فَلَمْ تُصَلِّ، وَأَمَّا أَنَا فَتَمَعَّكْتُ فَصَلَّيْتُ، فَذَكَرْتُ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّمَا كَانَ يَكْفِيكَ هكَذَا، فَضَرَبَ النَّبِيُّ ﷺ بِكَفَّيْهِ الأَرْضَ، وَنَفَخَ فِيهِمَا وَجْهَهُ، ثُمَّ مَسَحَ بِهِمَا وَجْهَهُ وَكَفَّيْهِ208-) Van Ammār via Abdurrahman Ibn Ebzâ (رضي الله عنهما):

Een man kwam naar `Umar Ibn Khattâb en zei: “Ik ben onrein (junub) en ik heb geen water.” `Ammâr Ibn Yâsir herinnerde `Umar Ibn Khattâb aan een gebeurtenis: “We waren samen op reis, we werden beide junub, jij verrichtte hierdoor geen ṣalāh en ik rolde in de aarde om mijn ṣalāh te verrichten. We vertelden dit aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). En an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sloeg zijn handen op de aarde en wreef zijn handen over zijn gezicht en handen en zei: 'Dat is voldoende.'

٢٠٩ - حديث أَبِي الْجُهَيْمِ الأَنْصَارِيِّ عَنْ عُمَيْرٍ مَوْلَى ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: أَقْبَلْتُ أَنَا وَعَبْدُ اللهِ بْنُ يَسَارٍ مَوْلَى مَيْمُونَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، حَتَّى دَخَلْنَا عَلَى أَبِي جُهَيْمِ بْنِ الْحرِثِ بْنِ الصِّمَّةِ الأَنْصَارِيِّ، فَقَالَ أَبُو الْجُهَيْمِ: أَقْبَلَ النَبِيُّ ﷺ مِنْ نَحْوِ بِئْرِ جَمَلٍ فَلَقِيَهُ رَجُلٌ فَسَلَّمَ فَلَمْ يَرُدَّ عَلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ، حَتَّى أَقْبَلَ عَلَى الْجِدَارِ، فَمَسَحَ بِوَجْهِهِ وَيَدَيْهِ، ثُمَّ رَدَّ عَلَيْهِ السَّلاَمَ209-) Van Abû Juhaym al-Ansârî (رضي الله عنه):ʿUmayr, de mawlā (vrijgelatene) van Ibn ʿAbbās die zei: “Ik kwam samen met ʿAbdullāh ibn Yasār, de mawlā van Maymūnah, de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), totdat wij binnenkwamen bij Abū Juhaym ibn al-Ḥārith ibn aṣ-Ṣimmah al-Anṣārī. Toen zei Abū Juhaym: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was op weg van Bi'rû Jamal (een waterput in de buurt van Madīnah), toen een man hem tegenkwam en hem salām gaf. Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beantwoordde de salām niet (omdat hij nog bezig was met tayammum).

Hij ging naar de muur (en sloeg zijn handen erop) en wreef over zijn gezicht en handen en nadat beantwoordde hij zijn salām”.Het bewijs dat de moslim niet onrein is

الدليل على أن المسلم لا ينجس٢١٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: لَقِيَنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَنَا جُنُبٌ فأَخَذَ بِيَدِي، فَمَشَيْتُ مَعَهُ حَتَّى قَعَدَ، فَانْسَلَلْتُ مِنْهُ وَأَتَيْتُ الرَّحْلَ فَاغْتَسَلْتُ، ثُمَّ جِئْتُ وَهُوَ قَاعِدٌ؛ فَقَالَ: أَيْنَ كُنْتَ يَا أَبَا هِرٍّ فَقُلْتُ لَهُ، فَقَالَ: سُبْحَانَ اللهِ يَا أَبَا هِرٍّ إِنَّ الْمُؤْمِنَ لاَ يَنْجُسُ210-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Op een dag was ik junub (in een van de wijken van Madīnah) en ik kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen. Ik trok me onmiddellijk terug en nam mijn wassing (ghusl). Daarna ging ik naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Hij vroeg: 'O Abû Hurayrah, waar was je?' Ik antwoordde: 'Ik was junub en wilde niet in uw gezelschap blijven zonder wassing.' Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Subhanallah! Een gelovige (mu’min) kan nooit onrein zijn.'

[Abū Hurayrah (رضي الله عنه) voelde zich ongemakkelijk om de hand van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vast te houden en dicht bij hem te zijn terwijl hij in een staat van grote reinheid (janābah) verkeerde. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf echter aan dat een gelovige (mu’min), ook zonder ghusl, niet onrein (najīs) is. Dit benadrukt dat een persoon met geloof in wezen rein blijft, en dat de rituele onreinheid tijdelijk en herstelbaar is.

In een vergelijkbare situatie liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zien dat vrouwen tijdens hun menstruatie, anders dan volgens de gebruiken van joden en polytheïsten, niet als onrein worden beschouwd. Hij at samen met zijn vrouwen, dronk uit dezelfde beker, sliep in hetzelfde bed en las de Qurʾān terwijl hij tegen de schouder van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) leunde.

Het niet verrichten van ghusl brengt een staat van hadath (rituele onreinheid) met zich mee, wat een wettelijke onreinheid vormt en een belemmering kan zijn voor het verrichten van bepaalde handelingen zoals de ṣalāh. Voor andere handelingen buiten specifieke aanbiddingen vormt dit echter geen probleem voor een moslim. Ghusl is verplicht voor de ṣalāh, en aangezien de tijden voor de ṣalāh kort zijn, wordt aanbevolen om het ghusl zo snel mogelijk te voltooien.] (Diyanet)

De du‘ā’ die men opzegt bij het binnengaan van het toilet

ما يقول إِذا أراد دخول الخلاء٢١١ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ إِذَا دَخَلَ الْخَلاَءَ، قَالَ: اللهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ الْخُبُثِ وَالْخَبَائِثِ211-) Van Anas (رضي الله عنه):

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wanneer je naar het toilet gaat, zeg dan:

'Allahumme inni aûdhu bika mina'l-khubuthi wa'l-khabâith' (=O Allāh, ik zoek toevlucht bij U tegen de slechte geesten, zowel mannelijke als vrouwelijke)”.

[Het woord khubuth is het meervoud van khabîth en betekent mannelijke duivels.Khabâith daarentegen is het meervoud van khabîthah” en betekent vrouwelijke duivels.

Volgens Ibn al-ʿArabī (overleden 643/1148) wordt dit woord ook gebruikt om lelijke of slechte zaken aan te duiden. Het begrip khubth verwijst doorgaans naar vloeken in taal, ongeloof (kufr) in geloof, verboden (ḥarām) in voedsel en schadelijke zaken in drank.

Wie het toilet wil betreden, behoort deze duʿāʾ (smeekbede) uit te spreken, omdat toiletten plaatsen zijn waar het niet passend is Allah openlijk te gedenken. Daar bevinden zich vaak duivels (shayāṭīn), die de mens extra lastig kunnen vallen. Daarom is het noodzakelijk Allah’s bescherming tegen de duivels in te roepen bij het betreden van het toilet.

Het is eveneens aanbevolen om Allah’s bescherming te vragen wanneer men zich op een open terrein ontlast, net zoals bij het binnengaan van een toilet. Wie vergeet Allah’s toevlucht te zoeken voordat hij het toilet betreedt, wordt volgens de meerderheid van de islamitische geleerden geadviseerd dit in zijn hart te doen nadat hij binnen is gegaan.] (HA)

Zittend slapen verbreekt het wuḍū’ niet

الدليل على أن نوم الجالس لا ينقض الوُضوء٢١٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَال: أُقِيمَتِ الصَّلاَةُ، وَالنَّبِيُّ ﷺ يُنَاجِي رَجُلًا فِي جَانِبِ الْمَسْجِدِ، فَمَا قَامَ إِلَى الصَّلاَةِ حَتَّى نَامَ الْقَوْمُ212-) Van Anas (رضي الله عنه):

De iqāmah (oproep voor het begin van de verplichte ṣalāh ) was al verricht. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was in gesprek met een man aan de zijkant van de moskee. (Doordat hij zo lang in gesprek bleef) stond hij niet op voor de ṣalāh, en de mensen waren in slaap gevallen.”

[Onder geleerden geldt over het algemeen de opvatting dat slapen in een zittende positie de wassing (wuḍū’) niet verbreekt. In deze houding behoudt een persoon zijn wuḍū’, omdat men zittend geen handelingen kan verrichten die de wuḍū’ zouden verbreken, zoals het laten van gas of urineren. Het blijft echter belangrijk dat men bij het ontwaken controleert of de wuḍū’ nog intact is, aangezien het moeilijk is met zekerheid vast te stellen of deze tijdens de slaap is verbroken.

De meest gangbare mening is dus dat wuḍū’ behouden blijft bij zittend slapen. Slaapt iemand echter in een andere comfortabele of ontspannen houding, zoals op de rug, kunnen omstandigheden ontstaan die de wuḍū’ wél verbreken.] (AFK)

[Uit andere varianten van deze ḥadīth blijkt dat de metgezellen zich hadden verzameld om de ṣalāh al-ʿIshāʾ te verrichten, terwijl de iqāmah al was uitgeroepen. Op dat moment kwam echter een man binnen, van wie werd gezegd dat hij een stamhoofd was, en hij wilde met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over een bepaalde kwestie spreken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trok zich toen met hem terug aan de zijkant van de moskee en voerde een langdurig gesprek om hem tot de Islām te leiden.

Door dit lange gesprek waren de metgezellen in slaap gevallen. Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het gesprek had beëindigd, keerde hij terug en leidde hij hen in de ṣalāh.

Deze ḥadīth laat zien dat slapen in een zittende houding de wudūʾ niet ongeldig maakt.

Wat betreft slaap hebben de geleerden verschillende standpunten ingenomen:

Volgens sommige geleerden, zoals Saʿīd ibn al-Musayyab en Abū Mijlaz, maakt slaap in geen enkele vorm de wuḍū’ ongeldig.

Volgens Imām ash-Shāfiʿī maakt slapen tijdens de ṣalāh (bijvoorbeeld zittend in de ṣalāh) de wuḍū’ niet ongeldig, maar slapen buiten de ṣalāh wel.

Volgens Abū Ḥanīfah maakt slaap, ongeacht of het tijdens of buiten de ṣalāh is, de wuḍū’ niet ongeldig zolang iemand zich in een positie bevindt waarin wuḍū’ behouden blijft, zoals in rukūʿ, sujūd, qiyām of zittend. Alleen wie leunend tegen iets of op zijn rug liggend in slaap valt, verliest zijn wuḍū’.

Deze ḥadīth maakt ook duidelijk dat, hoewel het normaal gesproken verboden is dat twee personen zich afzonderen en fluisteren in aanwezigheid van een derde, het in een groepssituatie toegestaan is dat twee personen een vertrouwelijk gesprek voeren. Daarnaast blijkt hieruit dat het in geval van nood toegestaan is de tijd tussen de farḍ-ṣalāh en de iqāmah te verlengen, en dat wanneer meerdere zaken samenkomen, het geoorloofd is eerst de belangrijkste kwestie aan te pakken.] (HA)