Verhalen voor kinderen aan de hand van 40 Ḥadieth
Geschreven door: Prof. Dr. Mahmad Yaşar KANDEMIR
Uitgeverij: AMASYA BELEDIYESI KÜLTÜR YAYINLARI 2012
VOORWOORD
MERHABA
Lieve kinderen,
Onze Rab wil dat zijn dienaren gelukkig zijn. Om hun te leren hoe zij gelukkig kunnen zijn, heeft Allaah profeten gezonden. De profeten waren de gidsen en leermeesters van de mensen. Zij leerden hun zowel de geboden van Allāh als hoe zij in deze wereld moesten leven. Vanaf de eerste profeet, Ādam عليه السلام, tot aan de laatste profeet, onze lieve Profeet Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), is dit altijd zo geweest.
Jullie weten dat de woorden van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) ḥadieth worden genoemd. Onze Rab heeft de Qur’aan als zijn Woord aan ons laten brengen door onze Profeet (صلى الله عليه وسلم), en hij heeft deze goddelijke geboden met zijn ḥadieth uitgelegd.
Onze geliefde Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft ons door middel van zijn ḥadieth geleerd wat wij moeten doen om zowel in deze wereld als in het leven in het hiernamaals gelukkig te zijn.
Om het gebod van onze Rab goed te begrijpen en onze prachtige godsdienst volledig te leren kennen, moeten wij de ḥadieth veel lezen. Al honderden jaren hebben vele grote geleerden van onze godsdienst boeketten van veertig ḥadieth samengesteld uit de woorden van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم), zodat moslims de ḥadieth gemakkelijk konden leren.
Ook ik wilde dat mijn veertigste boek, dat ik voor jullie heb geschreven, een boeket van veertig ḥadieth zou zijn, samengesteld uit de woorden van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم). Omdat ik weet dat jullie erg van verhalen houden, wilde ik de ḥadieth samen met verhalen geven. In shā’a Allāh zullen jullie het boek mooi vinden. Als jullie het mooi vinden, doe dan alsjeblieft du`ā’ voor mij, lieve kinderen.
M. Yaşar Kandemir
VOGELS
Een jager had aan de oever van een beek een net uitgespannen. Een grote groep vogels liet zich door het aas in het net misleiden en kwam daarin vast te zitten. Toen de jager hen kwam verzamelen, vlogen de vogels plotseling allemaal tegelijk op, terwijl ze het net met zich meenamen.
De jager was verbaasd dat zij door samenwerking allemaal dezelfde kant op vlogen, en dan ook nog eens samen met het net. Hij zette de achtervolging in. Onderweg kwam hij een man tegen. Deze vroeg de jager waarom hij zo haastig aan het rennen was. De jager wees naar de wegvliegende vogels en zei dat hij hen zou vangen. De man lachte en zei:
– Moge Allah je verstand geven. Denk je werkelijk dat je de vogels die door de lucht wegvliegen, kunt inhalen?
De jager antwoordde:
– Ja. Als er maar één vogel in het net had gezeten, zou ik hem niet hebben kunnen bijhouden en vangen. Maar je zult zien dat ik deze vogels wel zal bijhouden.
En het kwam uit zoals hij had gezegd. Toen het avond werd en donker begon te worden, wilde iedere vogel naar zijn eigen nest terug. Een deel trok het net in de richting van het bos, een ander deel wilde naar het meer. Sommigen wilden naar de bergen en anderen naar de struiken. Maar geen van hen kreeg zijn zin. Samen met het net vielen ze op de grond. De jager kwam en ving ze allemaal.
Als die arme vogels de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) hadden gekend, zouden ze allemaal in dezelfde richting zijn blijven vliegen en zouden ze niet door de jager zijn gevangen genomen:
“Verlaat elkaar niet, want de wolf grijpt het schaap dat van de kudde afdwaalt.” (Nasāʾī, Imāmah, 48)
DE DOORN
Ooit bestond er in een van de landen een vreselijke vorm van bestraffing. Mensen die schuldig waren bevonden, werden aan uitgehongerde leeuwen geworpen. De mensen verzamelden zich en keken naar dit afschuwelijke schouwspel.
De schuldige van die dag was een slaaf die van zijn meester was weggelopen. In het midden van een arena, een door hoge muren omgeven plein, plaatsten zij de slaaf. Vervolgens lieten ze een leeuw op hem los die ze tien dagen lang hadden uitgehongerd.
De leeuw stormde woedend op de arme man af, maar bleef plotseling staan en begon de handen van de slaaf te likken. Iedereen was verbijsterd.
Ze vroegen de slaaf wat hiervan de reden was. Hij vertelde:
– Ik was deze leeuw ooit in het bos tegengekomen. Er zat een scherpe doorn in zijn poot. Hij bleef maar kreunen van de pijn. Nadat ik de doorn eruit had gehaald, werden we goede vrienden.
De mensen waren diep ontroerd toen ze het verhaal hoorden.
Ze lieten zowel de slaaf als de leeuw vrij. Met verbazing en bewondering zagen ze hoe de leeuw de slaaf volgde, als een tamme kat.
“Wie barmhartig is, voor hem zal Allah ook barmhartigheid tonen. Wees barmhartig voor wie op de aarde is, opdat wie in de hemel is, ook barmhartigheid aan jullie zal tonen.” (Tirmidhī, Bir, 16)
DE MANTEL
Oom Ahmet, de herder, droeg een wereld aan zorgen met zich mee. Tijdens de verschrikkelijke oorlogsjaren had hij veel verloren. Zijn vrouw was overleden en zijn zoon was verdwenen. Toen hij ook zijn baan in de stad verloor, begon hij in een dorp als herder te werken.
Op een dag, terwijl hij zijn schapen langs de weg liet grazen, zag hij hoe men een zieke jongeman naar de stad bracht. Het bleek dat de arme jongeman nog armer was dan hij. Hij rilde onophoudelijk in zijn dunne jasje. Oom Ahmet, de herder, trok zijn jas uit, die hij al jarenlang niet meer van het lijf had gehad, en gaf die aan de zieke jongen.
De zieke jongeman stond in de ziekenhuisgang gebogen te wachten op zijn behandeling. Toen hij voelde dat iemand hem aanraakte en “vader” tegen hem zei, was hij verbaasd. Hij hief zijn hoofd op en keek naar hem. Hij herkende de jongeman tegenover hem niet. Ook de jongeman die hem “vader” had genoemd, was verbaasd:
– Neem me niet kwalijk. Uw mantel leek op de mantel van mijn vader, die ik al jarenlang niet meer heb gezien. Ik dacht daarom dat u mijn vader was. Mijn excuses.
De zieke jongeman vroeg hem wie zijn vader was. Na enige tijd met elkaar gesproken te hebben, begreep hij dat deze jongeman de zoon van oom Ahmed was. Hij vertelde hem dat hij zich niet had vergist en dat deze mantel inderdaad van zijn vader was.
Nadat zijn behandeling was afgelopen, keerden ze samen met de zoon van herder oom Ahmed, die als verpleger werkte, terug naar het dorp.
Onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Voor een goede daad wordt het tienvoudige beloond.” (Bukhārī, Ṣawm, 56)
DE SPIEGEL
Ooit liep een van de ministers van de sultan met zijn vooraanstaande mannen door de markt. Onderweg kwamen ze langs de slavenmarkt. Arme mensen die hun vrijheid waren kwijtgeraakt, werden hier een voor een verkocht.
De minister van de sultan liep naar de slaven toe. Hij wilde hen van dichtbij bekijken. Een oude slaaf sprak de minister van de sultan aan:
– Mijn heer, er zit een vlek op uw tulband.
De minister van de sultan deed zijn tulband af en bekeek hem. De slaaf had gelijk. Hij liep dus al uren rond met die vlek en iedereen had hem zo gezien. Hij schaamde zich diep. Hij keek bedroefd naar zijn mannen en zei:
– Jullie hebben de ogen ervoor gesloten dat ik zo bij liep. Hoewel jullie de vlek op mijn tulband zagen, hebben jullie niets gezegd. Deze arme slaaf blijkt mijn ware vriend te zijn. Maar ik wist niet dat hij mijn vriend was. Ik kan er niet mee instemmen dat mijn vriend als slaaf wordt verkocht. Koop hem onmiddellijk vrij en schenk hem zijn vrijheid.
Om ervoor te zorgen dat zijn mannen dit voorval nooit meer zouden vergeten, liet de minister van de sultan de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) op een bord schrijven en stuurde die naar zijn mannen:
“De gelovige is de spiegel van zijn medegelovige.” (Abū Dāwūd, Adab, 49)
DE WREDE
Op een zomerdag speelden de kinderen bij een beek. Een van hen heette Ghaffaar. Omdat hij dieren mishandelde, hadden de kinderen hem de bijnaam “Ghaddaar” (de Wrede) gegeven. Ghaffaar wilde een nieuw en spannender spel spelen, maar geen van de voorgestelde spelletjes vond hij leuk.
Hij nam twee of drie vrienden die er net zo over dachten apart. Nadat hij met hen had overlegd, zei hij dat ze een leuk spel hadden bedacht. De andere kinderen waren nieuwsgierig naar dit nieuwe spel.
Ghaffaar en zijn vrienden slopen behoedzaam naar Alie toe, die nog maar net in het stadje was komen wonen en daarom nog niet kon zwemmen. Vervolgens grepen ze de arme jongen bij zijn arm en been en gooiden hem in de beek.
Alie raakte volledig in paniek. Hij spartelde wanhopig om boven water te blijven, maar hij kon niet zwemmen. Steeds verdween hij onder water om even later weer boven te komen. Terwijl hij om hulp riep en wanhopig om zich heen sloeg, lachten Ghaffaar en zijn vrienden hem luidkeels uit.
Een van de kinderen begon zich snel uit te kleden. Het was Ismāʿīl. Omdat hij een moedige jongen was, durfde hij als enige tegen Ghaffaar in te gaan. Toen hij zag wat Alie was aangedaan, kwam hij meteen in actie. Binnen één of twee minuten sprong hij in de beek en bracht hij Alie veilig naar de kant.
De andere kinderen prezen Ismāʿīl met zijn moedige houding. Een voorbijganger had gezien wat er was gebeurd. Nadat deze goedgeklede man met een vriendelijk gezicht over het hoofd van Ismāʿīl had gestreken, zei hij:
– Mijn jongen, jij hebt gedaan wat onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft bevolen. Moge Allah tevreden met je zijn.
Onze geliefde Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft in een hadieth het volgende gezegd:
“Een moslim is de broeder van een andere moslim. Hij doet hem geen kwaad en laat hem evenmin over aan degenen die hem kwaad willen doen.” (Bukhārī, Maẓālim, 3)
DE GEEST
Een koopman keerde laat in de avond naar huis terug. Hij zag een oude donkere man die de nacht tegen een muur probeerde door te brengen. Niemand had de arme man onderdak willen bieden, omdat men bang was dat hun kinderen van hem zouden schrikken. De koopman gaf hem warme soep, schone kleren en een kamer om te slapen.
De man sliep bij het raam. Midden in de nacht schrok hij wakker. In het zwakke maanlicht probeerden twee rovers door het raam naar binnen te sluipen. Ze waren van plan de koopman te doden en zijn geld te stelen.
De man hief zijn handen op en riep:
– Hé! Wat wat moet dat daar?
Toen de rovers hem in zijn spierwitte ondergoed en hemd zagen, riepen ze:
– Mama! Er is hier een geest!
Ze stormden naar buiten. Een van hen brak daarbij zijn been en de ander liep een hoofdwond op. De bewoners, die door het lawaai wakker waren geworden, pakten de rovers.
“Zolang iemand zijn broeder helpt, zal Allah hem helpen.” (Muslim, Dhikr, 38)
DE BUURMAN IN HET PARADIJS
Ooit liep een van de sultans door de stad. Om onherkenbaar te blijven, had hij zijn kleding verwisseld en een van zijn slaven bij zich genomen. Hij wilde te weten komen wat de mensen van zijn bestuur vonden.
Het was winter. De kou was overal genadeloos. Zijn weg leidde hem naar een masjid. Twee arme mannen zaten rillend in een hoek. Ze hadden geen andere plek om naartoe te gaan. Omdat de sultan benieuwd was waarover zij spraken, ging hij dichter bij hen staan. De ene arme man, die nogal grappen kon maken, klaagde over de kou:
– Als we morgen naar het Paradijs gaan, zal ik onze sultan daar niet binnenlaten! Als ik hem in de buurt van de muur van het Paradijs zie komen, trek ik mijn schoen uit en sla ik hem ermee op zijn hoofd.
De andere vroeg nieuwsgierig:
– Waarom zou je hem niet in het Paradijs binnenlaten?
– Natuurlijk laat ik hem niet binnen. Terwijl wij hier van de kou bijna bevriezen, zit hij zich in zijn paleis te vermaken. Hij bekommert zich niet om onze toestand. En dan zou hij ook nog naar het Paradijs komen om mijn buurman te worden. Zo’n buurman wil ik niet, vriend!
Ze moesten allebei lachen.
De sultan zei tegen zijn slaaf:
– Vergeet deze masjid en deze mannen niet!
Toen hij terugkeerde naar het paleis, stuurde hij zijn mannen naar de masjid. Ze brachten de twee arme mannen naar het paleis.
Terwijl de arme mannen angstig afwachtten wat hun te wachten stond, brachten ze hen naar een prachtig ingerichte kamer.
– Hier zullen jullie eten, drinken en slapen, en du`ā’ doen voor onze sultan. Jullie zullen er geen bezwaar tegen maken dat hij in het Paradijs jullie buurman wordt, zeiden ze.
Wat had de sultan toch een goed hart, hè?
Onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft degenen die de armen helpen als volgt geprezen:
“Wie een gelovige van een wereldse zorg verlost, zal Allah van een zorg op de Dag des Oordeels verlossen.” (Muslim, Dhikr, 38)
HET MEDICIJN TEGEN KIESPIJN
Een goedgeklede vreemdeling stapte een restaurant in het stadje binnen. Hij zei tegen de ober:
– Ik wil graag een goed doorbakken biefstuk met een salade erbij.
Zodra de man zijn eerste hap naar zijn mond bracht, schreeuwde hij:
– Au! Mijn kies doet weer pijn!
Een andere vreemdeling, die een grote tas bij zich had, kwam op hem af. Hij haalde een klein flesje uit zijn tas. Nadat hij een watje in het flesje had gedoopt, zei hij:
– Smeer dit alstublieft op de kies die pijn doet.
De man deed wat hem was gezegd. Vervolgens slaakte hij plotseling een kreet van blijdschap:
– Ongelooflijk, ik voel helemaal geen pijn meer!
Iedereen verzamelde zich rond de man met de grote tas om ook van dit wonderbaarlijke medicijn te kopen. Al snel waren alle flesjes in de tas uitverkocht.
Een uur later ontmoetten de man met de zere kies en de verkoper van het medicijn elkaar op het station. Ze feliciteerden elkaar met de goede afloop van de zaken in het stadje en wachtten vervolgens op de trein, die even later zou arriveren. Precies op dat moment werden ze door twee politieagenten gearresteerd.
Een van de mensen die het nepmedicijn had gekocht, was niet van zijn pijn afgekomen en was rechtstreeks naar het politiebureau gegaan.
De hoofdcommissaris liet hen voor zich komen en vroeg:
– Tot welke godsdienst behoren jullie?
Zonder hun hoofd op te heffen, antwoordden ze:
– Wij zijn moslims, al-ḥamdu liLlāh.
Toen werd de hoofdcommissaris nog bozer:
– Jullie weten toch wat onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Wie ons bedriegt, behoort niet tot ons.” (Muslim, Īmān, 164)
– Hebben jullie dan niet gehoord wat hij heeft bevolen? riep hij boos uit, waarna hij hen bestrafte.
DE PORTEMONNEE
Ooit verloor een koopman met een slecht karakter zijn portemonnee terwijl hij over de markt liep. Er zaten achthonderd gouden munten in. Hij rende overal heen, maar kon niemand vinden die zijn portemonnee had gezien. Hij huurde onmiddellijk een omroeper in en liet bekendmaken dat hij honderd gouden munten als beloning zou geven aan degene die zijn geld terugbracht.
De verloren portemonnee werd gevonden door Weli, een schoenmaker die een zeer eerlijke man was. Hij besloot de portemonnee te bewaren totdat de eigenaar zich zou melden. Toen hij de stem van de omroeper hoorde, ging hij rechtstreeks naar de koopman en gaf hem zijn portemonnee terug.
De koopman was gierig, leugenachtig en ondankbaar. Hij was zeer blij dat zijn geld was teruggevonden, maar liet dat niet merken. Hij opende onmiddellijk de portemonnee en telde het geld. Vervolgens zei hij:
– O, vriend! Je hebt het geld dat je moest krijgen al genomen.
Daarmee beschuldigde hij de arme schoenmaker ook nog eens van diefstal.
Schoenmaker Weli greep de koopman bij zijn kraag en zei:
– Luister goed, meneer! Ik ben een arme man, maar ik ben geen dief of bedrieger. Je hoeft mij het beloofde geld niet te geven. Maar je kunt mij er niet van beschuldigen dat ik jouw geld heb gestolen.
Toen de schaamteloze koopman Weli bleef beschuldigen, kwamen ze voor de rechtbank terecht.
Nadat de rechter beide partijen had aangehoord, begreep hij dat de koopman loog. Hij besloot hem een passende straf op te leggen. Maar hij liet niet merken dat hij boos was. Hij maakte zijn uitspraak als volgt bekend:
– De koopman zegt dat er honderd gouden munten uit de portemonnee zijn genomen, terwijl de schoenmaker zegt dat hij helemaal geen gouden munten heeft genomen. Ik geloof hen beiden. Ze spreken allebei de waarheid. Blijkbaar behoort de portemonnee die de schoenmaker heeft gevonden dus aan iemand anders toe. Hij zal worden bewaard totdat de eigenaar zich meldt. De gierige koopman kreeg spijt van het onrecht dat hij had begaan, maar toen was het al te laat.
De toestand van deze ondankbare koopman doet denken aan de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Wie de mensen niet dankt, dankt Allah ook niet.” (Tirmidhī, Bir, 35)
HET GIF
Oom Husayin keerde vanuit de stad terug naar het dorp. Hij was blij, omdat hij alle goederen die hij naar de markt had meegenomen, had verkocht.
Bij een fontein hield hij even rust. “Terwijl de ezel wat graast, zal ik onder deze boom even een dutje doen”, dacht hij. Toen hij bijna in slaap viel, dacht hij aan zijn geld. Hij moest het op een veilige plek bewaren. Hij opende zijn geldbuidel en keek erin. Al het geld zat er nog in. Hij stopte de geldbuidel onder zijn hemd en viel in slaap.
Helaas zag een rover die zich op dat moment in de boom bevond alles gebeuren. De ogen van deze man, die zijn hele leven anderen kwaad had aangedaan, begonnen van vreugde te glinsteren. Langzaam gleed hij uit de boom naar beneden. Hij haalde een rietje en een doosje met gif uit zijn zak. Hij deed het gif in het rietje. Vervolgens liep hij naar oom Husayn, die diep in slaap was gevallen. Hij zou het gif gemakkelijk in zijn mond blazen, hem doden en zijn geld buitmaken.
Toen de rover het gif wilde uitblazen, niesde oom Husayn plotseling. Al het gif kwam in de mond van deze boosaardige man terecht, waardoor hij onmiddellijk stierf.
Wat heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het toch mooi gezegd:
“Wie anderen schade berokkent, Allah zal hem ook schade berokkenen.” (Tirmidhī, Bir, 27)
DE RIEM
Nihat was een onhandelbaar kind. Met zijn grove manieren en zijn eindeloze twisten kwetste hij zijn broers en zussen. Zijn gedrag maakte zijn moeder erg verdrietig.
– O mijn kind, doe niemand verdriet. Spreek geen grove woorden, adviseerde zij hem.
Maar de ondeugende jongen, die iedere keer beweerde dat hij gelijk had, zei:
– Het is niet mijn schuld. Zij dwingen mij om me zo te gedragen.
Op een dag zei zijn moeder:
– Als je vandaag tot vanavond met niemand ruzie maakt, koop ik je die riem uit de etalage die je zo mooi vindt.”
Zijn andere broers en zussen hoorden dit gesprek en probeerden op allerlei manieren hem boos te maken. Maar Nihat had besloten zichzelf in bedwang te houden en ze konden hem niet boos krijgen.
Toen het avond werd, zei zijn moeder tegen hem:
– Je kunt jezelf beheersen om een riem te krijgen. Je moet dit niet alleen voor eenvoudige dingen doen, mijn kind, maar omdat Allah het wil.
Was er maar iemand geweest die Nihat de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) had kunnen vertellen:
“Voor degene die, zelfs wanneer hij gelijk heeft, afziet van ruzie maken, sta ik garant voor een paleis in de voorhof van het Paradijs.” (Tirmidhī, Bir, 58)
BOOSHEID
Khalid was een sterk en fors gebouwde jongen. Hij kon met één hand een kruk optillen zonder zijn arm te buigen. Op school was er niemand die hij niet had verslagen met worstelen. Het vaakst worstelde hij met Nureddien.
Op een dag gingen ze opnieuw op elkaar af op het schoolplein. Nadat Nureddien het worstelen had verloren, bekliederde hij, zodra hij de klas binnenkwam, het schrift van Khalid.
Khalid werd hierdoor vreselijk boos. Hij sprong op zijn vriend af en gaf hem een vuistslag in het gezicht. Het bloed dat uit Nureddiens neus stroomde, maakte zowel zijn kleren als het klaslokaal vuil. De hele klas was bedroefd over wat er was gebeurd.
Toen de leraar Khalid berispte, herinnerde hij hem aan de volgende woorden van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم): “De sterke persoon is niet degene die anderen tijdens het worstelen weet te overwinnen, maar degene die zijn woede weet te beheersen wanneer hij boos wordt.” (Bukhārī, Adab, 76)
DE WEDSTRIJD
Husnu was een heel goede jongen. Helaas had hij bij een verkeersongeluk zijn gezichtsvermogen verloren. Toch hij had de moed niet opgegeven en had laten zien dat hij zonder de hulp van anderen kon leven. Vaak ging hij zelfs helemaal alleen van zijn dorp naar de stad en weer terug.
Een verwaande jongen uit hetzelfde dorp, Murtaza genaamd, wilde de spot met Husnu drijven en zei:
– Husnu, durf je met mij een wedstrijd naar de stad te houden?
Husnu nam het voorstel serieus:
– Dat durf ik. Maar als ik de wedstrijd win, geef je me dan je jas? vroeg hij.
Murtaza barstte in lachen uit om die voorwaarde:
– Als je wint, is hij van jou, zei hij.
Husnu zei:
– Ik heb nog één voorwaarde. Ik bepaal wanneer we de wedstrijd houden.
Murtaza, die het onmogelijk achtte dat Husnu de wedstrijd zou winnen, bleef lachen en zei:
– Je mag iedere voorwaarde stellen die je maar wilt.
Ze zouden op een pikdonkere nacht via de weg door het bos naar de stad racen. Voor Husnu was er geen verschil tussen duisternis en licht. Hij liep gewoon verder. Maar Murtaza verdwaalde in het bos.
Hij rolde in greppels en de takken van de bomen schramden zijn handen en gezicht open. Hij bereikte de stad een halfuur na Husnu.
Als de arme Murtaza de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, zou hij zich misschien niet zo hebben gedragen:
“Allah Teʿālā heeft mij opgedragen: ‘Wees nederig. Laat niemand zich boven een ander verheffen.” (Muslim, het Paradijs, 64)
DE GOUDEN MUNTEN
Aylien was een verwaand en hoogmoedig kind. Nadat zij haar vader had verloren, trok zij sloot zich steeds meer van de buitenwereld af. Ze speelde altijd alleen in de tuin van hun landhuis. Omdat hun buren arm waren, wilde ze geen contact met hun kleine dochter Badriya.
Op een dag kwam Badriya naar Aylien toe rennen:
– Mijn vader is ernstig ziek. Misschien beleeft hij wel zijn laatste momenten. Hij wil je zo snel mogelijk zien. Hij zei dat hij je iets heel belangrijks wil vertellen.
Aylien trok haar neus op:
– Wat zou een arme man mij voor belangrijks te vertellen hebben? “Jullie huis zal zeker ook niet te betreden zijn vanwege die vieze geur,” zei ze.
Een paar minuten later kwam Badriya huilend terug:
– Wat mijn vader je wilde vertellen, is echt belangrijk. Jouw vader heeft voordat hij stierf zijn goud ergens begraven. Alleen mijn vader weet waar hij het heeft begraven. Hij mocht je ook niets over het goud vertellen voordat je volwassen was. Maar nu hij op sterven ligt, wil hij je vertellen waar het goud ligt. Kom snel!
Toen Aylien dit hoorde, haastte ze zich naar het armoedige huis van Badriya. Maar ze waren te laat. De arme man had inmiddels zijn laatste adem uitgeblazen. Aylien was ontzettend boos op zichzelf. Ze had spijt van wat ze had gedaan.
Denken jullie dat het enige wat dit verwaande meisje heeft verloren, het goud was?
Nee. Als zij van deze slechte eigenschap niet afziet, zal zij niet alleen haar goud verliezen, maar ook het Paradijs.
Kijk wat onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) over zulke mensen heeft gezegd:
“Degene die ook maar een greintje hoogmoed in zijn hart heeft, zal het Paradijs niet binnengaan.” (Muslim, Īmān, 147)
DE DIEF
Oom Noerie was eenbescheiden en teruggetrokken dorpsbewoner. Omdat hij zich met niemands zaken bemoeide en niet onnodig praatte, beschouwden sommigen hem als onhandig.
Een man die dacht dat hij erg slim was, stal de ezel van oom Noerie.Oom Noerie ging naar de markt om een nieuwe ezel te kopen. Toen hij daar heen en weer liep, kwam hij plots zijn eigen ezel tegen.
- Deze ezel is van mij. Vorige week hebben ze hem gestolen, zei hij.
De dief was een schaamteloze man:
– Je vergist je. Ik heb deze ezel gekocht toen hij nog een veulen was en hem zelf grootgebracht, zei hij.
Oom Noerie kreeg een uitstekend idee. Hij bedekte de beide ogen van de ezel met zijn handen en vroeg de dief:
– Als deze ezel van jou is, zeg dan eens: aan welk oog is hij blind?
De dief aarzelde even en zei:
– Zijn rechteroog.
Oom Noerie haalde zijn hand voor het rechteroog van de ezel weg.
– Je ziet dat zijn rechteroog gezond is, zei hij.
Toen zei de dief:
– Ik was even in de war. Zijn linkeroog is blind.
– Ook dat heb je verkeerd, zei oom Noerie, terwijl hij ook zijn hand voor het linkeroog van de ezel weghaalde.
Toen de mensen op de markt, die zich om hen heen hadden verzameld, zagen dat beide ogen van de ezel gezond waren, grepen ze de leugenachtige dief en leverden hem over aan de politie.
Oom Noerie klom op zijn ezel en keerde terug naar zijn dorp. Iedereen begreep toen wat een slimme man hij was.
Onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft degene die diefstal pleegt vervloekt en het volgende gezegd:
“Moge Allah geen medelijden hebben met de dief!” (Bukhārī, Ḥudūd, 7)
EEN HAPJE
Basiem was een goede jongen. Omdat zijn vader rijk was, beschikte hij over alles wat hij zich wenste. Helaas wist hij niets over het leven van arme en behoeftige mensen.
Op een dag was Basiem onderweg naar het voetbalveld toen een hond hem plotseling begon te achtervolgen. In een smalle steeg wist de hond hem in te halen. Basiem struikelde op dat moment ovr een steen en viel op de grond.
Toen hij zijn ogen opendeed, zag hij dat een jongen van zijn leeftijd en een vrouw bezig waren zijn gezicht te verzorgen.
Nadat Mahmad en zijn moeder Basiem van de hond hadden gered, brachten ze hem naar hun huis en maakten ze de schaafwonden op zijn gezicht schoon.
Basiem bedankte hen. Met verbazing zag hij hoe eenvoudig hun huis was en hoe eenvoudig zij leefden.
Die avond merkte hij tijdens het eten dat hij zich niet op zijn gemak voelde en dat de happen hem in de keel bleven steken.
De volgende dag nam hij de voedselpakket mee die zijn moeder had klaargemaakt en ging naar het huis van Mahmad, die ze aten. Zo werden ze goede vrienden.
De goedhartige en barmhartige Basiem handelde overeenkomstig de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Hij die met een volle maag (naar bed gaat) terwijl zijn buurman honger heeft, is geen gelovige.” (Ibn Abī Shaybah, al-Muṣannaf (Ḥūt), VI, 164)
HET GELD
Het was een dag in de maand Ramaḍaan. Atham ging vlak voor de ifṭār (het verbreken van de vasten) naar de bakker om pide (plat Turks brood) te kopen. Voor de bakkerij stond een lange rij. Toen de tijd van de ifṭār naderde, begonnen de mensen die in de rij stonden ongeduldig te worden. De bakker kreeg het nog drukker. Het was niet eenvoudig om iedereen die aan de beurt was zijn pide te geven en tegelijkertijd het geld aan te nemen.
Toen het bijna tijd was voor het kanonschot waarmee de ifṭār werd aangekondigd, was Atham aan de beurt. De bakker was erg moe en gaf hem per ongeluk te veel geld terug.
Atham bleef even staan. Hij keek de bakker verbaasd aan. De man vroeg:
– Is er iets misgegaan, jongeman?
Atham antwoordde:
– Nee,
en nam het geld aan. Hij rende naar huis.
Tijdens de ifṭār was Atham wat afwezig. Toen hij naar bed ging, werd zijn onrust nog groter. Het was alsof iemand die hij niet kon zien hem ter verantwoording riep:
“Waarom heb je dat gedaan?”
“Waarom heb je geld aangenomen waar je geen recht op hebt?”
Hij overwoog om alles wat er gebeurd was aan zijn moeder te vertellen. Maar daar zag hij meteen van af. Zijn moeder zou hem beslist berispen en erg boos op hem worden. ’s Nachts had hij nachtmerries. Toen hij ’s morgens wakker werd, merkte hij dat het beklemmende gevoel in zijn hart nog steeds niet was verdwenen.
Hij scheurde het blaadje van de wandkalender af en begon het te lezen. Op de kalender stond een hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) geschreven.
“Een zonde is datgene wat in je binnenste knaagt en waarvan je niet wilt dat anderen ervan weten.” (Muslim, Bir, 5)
Atham voelde dat zijn gezicht rood werd. Het was alsof onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) deze hadieth speciaal voor hem had gezegd. Hij ging rechtstreeks naar de bakkerij. Hij gaf het geld dat hem niet toekwam terug en bood zijn excuses aan.
DE BEMIDDELAAR
Het was een koude winterdag. Toen ʿIesa naar school ging, kwam hij een arme jongen tegen. Deze arme jongen had geen jas aan. Aan zijn versleten schoenen was duidelijk te zien dat er water naar binnen liep. ʿIesa voelde zijn hart samenkrimpen.
Zijn gezin was niet rijk, maar zij konden goed rondkomen zonder van iemand afhankelijk te zijn.
Hij volgde de arme jongen. Toen die de school binnenging waar hij zelf ook zat, keek hij verbaasd op. Hij kon zich niet herinneren hem ooit eerder te hebben gezien.
Hij dacht na over wat hij kon doen om hem te helpen, maar kon geen oplossing bedenken. Als hij zijn laarzen, die hij al twee jaar droeg, aan hem zou geven, had hij zelf geen ander paar om aan te trekken.
Tijdens de middagpauze zocht hij de arme jongen op. Hij zei dat hij vrienden met hem wilde worden en raakte meteen met hem bevriend.
De vader van de arme jongen was enkele jaren geleden overleden. Hij woonde samen met zijn moeder en zijn twee jongere broertjes. Nog maar kort geleden waren ze verhuisd naar de buurt waar ʿĪsā woonde.
ʿIesa deelde de koekjes uit zijn tas met hem. ’s Avonds zei hij tegen zijn vader:
– Onze leraar heeft ons een opdracht gegeven. We moeten onderzoeken hoe we arme mensen kunnen helpen.
Zijn vader gaf hem enkele tips. Hij vertelde hem hoe je arme mensen kunt helpen.
De volgende dag ging ʿIesa, nadat hij uit school kwam, rechtstreeks naar een stichting die arme mensen helpt.
Daar vertelde hij een vriendelijke man over de situatie van zijn arme vriend en zijn gezin en vroeg hem om hem te helpen.
De goedhartige man was erg onder de indruk van wat ʿIesa had gedaan en gaf hem een schouderklopje. Hij vroeg hem waar zijn vriend woonde en zei tegen hem:
– Mensen zoals jij zijn geliefd bij zowel Allah als onze Profeet (صلى الله عليه وسلم). Want jij hebt gehandeld naar de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Wie bemiddelt bij het verrichten van een goede daad, ontvangt een beloning alsof hij die goede daad zelf heeft verricht.” (Tirmidhī, ʿIlm, 14)
VERSTOPPERTJE
İhsaan speelde verstoppertje met zijn vrienden. Toen iedereen zich verspreidde om zich ergens te verstoppen, gebruikte hij de enorme kastanjeboom langs de weg als schuilplaats. Het zou moeilijk zijn voor de zoeker om hem te vinden.
Op dat moment kwam een oude man met een sneeuwwitte baard, die een vreemdeling in het stadje was. Hij liep op İhsaan af, die achter de kastanjeboom onrustig bewoog.
– O mijn zoon, ik wil je een adres vragen, zei hij.
İhsaan draaide zich haastig om. Hij bracht zijn vinger naar zijn lippen en gebaarde dat de man stil moest zijn.
De oude man begreep niet waarom hij stil moest zijn en keek İhsaan verbaasd aan:
– Waarom zou ik stil moeten zijn, jongeman? Ik heb je iets gevraagd. Als je het weet, zeg het dan. Als je het niet weet, houd je dan je mond. Stadskinderen zijn rare snuiten, mompelde hij.
Toen de zoeker zag dat de oude man met iemand achter de boom sprak, begreep hij dat daar een van zijn vrienden verborgen zat. Hij liep op zijn tenen in de richting van de boom.
De oude man, die inmiddels erg ongeduldig was geworden, zei:
– Wat jammer! Ze hebben deze kinderen blijkbaar niet geleerd wat onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“De weg wijzen aan iemand die naar een adres vraagt, is een goede daad.” (Tirmidhī, ʿIlm, 14)
Daarna draaide hij zich om en liep weg.
Op dat moment schaamde İhsaan zich diep. Hij vergat dat hij aan het spelen was. Hij kwam uit zijn schuilplaats, liep naar de oude man met zijn stralende gezicht toe, vroeg hem om vergiffenis en bracht hem naar de plaats waar hij naartoe wilde.
DE ZEURPIET
Awnie was een goede jongen. Maar omdat hij met iedereen ruzie maakte in in conflict lag, mochten zijn vrienden hem niet graag.
Op een herfstdag kwamen de kinderen bij het meer bijeen. Ze praatten over zeeën en meren. Ze hadden het erover dat de zeeën dieper waren en dat het water er kouder was.
Zoals altijd beweerde Awnie het tegenovergestelde.
Omdat zijn vrienden zijn karakter kenden, gingen ze niet met hem in discussie. Later begonnen ze de dunne, platte stenen die ze hadden verzameld over het water te laten ketsen. De platte ronde stenen sprongen als patrijzen over het blauwe water.
Die dag was Faroek het meest succesvol. De stenen die hij wierp, gleden al het water rakend verder.
Awnie, die jaloers was op Faroek, zei:
– Laat me je stenen eens zien.
Faroek opende zijn hand en liet de stenen zien die hij had verzameld. Eigenlijk verschilden deze stenen helemaal niet van de andere.
Maar de zeurpiet Awnie moest een excuus vinden.
– Natuurlijk. Jij hebt stenen verzameld die zo dun zijn als papier. Iedereen zou met zulke stenen goed kunnen ketsen, zei hij.
Faroek, die een begripvolle jongen was, zei:
– Neem deze maar en geef mij die van jou.
Maar ook nu veranderde er niets.
Haydar, die door een verkeersongeluk gehandicapt was geraakt, kwam hinkend naar Awnie toe en zei:
– Je bent vandaag niet helemaal in vorm, vriend!
Gefrustreerd omdat hij had gevaald, schreeuwde Avni naar hem:
– Jij bent niet slim genoeg voor dit werk, manke!
De onbeschofte houding van Awnie maakte de andere kinderen boos. Ze zeiden allemaal tegen hem dat hij onrechtvaardig en respectloos was.
Is de houding van Awnie niet volkomen in strijd met de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم)?
“Ga niet in discussie met je geloofsbroeder! Drijf geen spot met hem!” (Tirmidhī, Bir, 58)
DE KERSENBOOM
Alie en Aaisha klommen in de kersenboom en begonnen de rijpe kersen te plukken. De kersen aan het uiteinde van de takken leken Alie rijper.
Aaisha waarschuwde hem:
– Die takken zijn dun en kunnen jouw gewicht niet dragen. De kersen hier zijn ook lekker.
Maar Alie zag niets anders dan de kersen aan het uiteinde van de takken. Hij luisterde niet naar Aaisha en begon naar de dunne takken toe te kruipen.
Niet lang daarna lag hij samen met die prachtige kersentak op de grond. Hij had zowel een grote tak van de boom als zijn voet gebroken. Wekenlang moest hij met zijn voet in het gips thuiszitten en van een afstand naar de kersenboom kijken.
Noem je wat Alie deed geen hebzucht?
Is de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) niet bijzonder betekenisvol?
“Als een mens twee valleien vol goud heeft, verlangt hij naar een derde (vallei). Alleen de aarde kan zijn verlangen verzadigen.” (Tirmidhī, Zuhd, 27)
DE ZOON
In vroegere tijden maakten rovers de wegen onveilig, beroofden zij reizigers en verkochten zij hun gevangenen op slavenmarkten.
Bij een overval viel een oude en arme man in de handen van de rovers. De leider van de rovers zei tegen de oude man:
– Als je niet op de slavenmarkt verkocht wilt worden, breng me dan honderd gouden munten. Dan zullen we je vrijlaten.
In de brief die de arme man aan zijn familie schreef, zei hij:
– Ik weet dat jullie het geld niet hebben om mij vrij te kopen. Maar ik schrijf dit zodat jullie weten wat mij is overkomen.
De arme man had een goedhartige en moedige zoon. Zodra hij de brief van zijn vader had ontvangen, rende hij naar de rovers en smeekte:
– Beste heren! Ik vraag jullie niet om mijn vader gratis vrij te laten, want ik weet dat jullie dat niet zullen doen. Mijn vader is oud, zwak en hulpeloos. Zelfs als jullie hem verkopen, zullen jullie er weinig aan verdienen. Verkoop mij in zijn plaats. Zo zullen jullie meer geld verdienen.
De rovers vonden dit voorstel aantrekkelijk.
– Laten we dit ook aan onze leider voorleggen, zeiden ze.
Toen de roversleider met zijn grote snor dit hoorde, kon hij zijn oren niet geloven. Hij keek vol bewondering naar de zoon van de oude man en zei:
– Ongelooflijk! Wat zijn er toch dappere zonen op deze wereld. Voor zo iemand kun je je leven wel geven. Is de menselijkheid soms uitgestorven, mijn jongen? Ik schenk je je vader. Ga nu maar.
De arme vader en zijn trouwe zoon keerden vol vreugde naar huis terug.
Dit verhaal doet ons denken aan de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Een kind kan het recht dat zijn vader op hem heeft nooit volledig vergelden. Als hij hem als slaaf aantreft, hem vrijkoopt en hem zijn vrijheid schenkt, heeft hij daarmee zijn schuld aan hem voldaan.” (Muslim, ʿItq, 25)
DE BOK
Najieb was dol op jonge geitjes. De bok die hij van zijn vader had gekregen, voedde en verzorgde hij de hele zomer lang zodat het groter werd. Het was werkelijk leuk om te zien hoe deze prachtige bok achter hem aan rende en kleine stofwolkjes met zijn hoeven opwierp.
Zijn vader waarschuwde Najieb vaak:
- Laat de deur beslist niet open! De bok kan naar binnen komen en schade aan de spullen veroorzaken.
Op een dag rende Najieb het huis binnen om zijn bal te pakken. Hij herinnerde zich de woorden van zijn vader, maar liet de deur toch openstaan, omdat hij dacht meteen weer naar buiten te gaan. Hij had niet in de gaten dat de bok, die hem naar binnen had zien rennen, achter hem aan het huis was binnengelopen.
Terwijl de bok met zijn prachtige blauwe ogen onderzocht waar Najieb naartoe was gegaan, liep hij naar de grote spiegel in de woonkamer. Toen hij tegenover zich een andere bok zag die precies op hem leek, liep hij ernaartoe. Hij ergerde zich eraan dat dit brutale dier zonder angst op hem af kwam. Hij wilde hem wel eens laten zien wie de baas was. Plotseling sprong hij naar voren en ramde met al zijn kracht tegenaan.
“Klingggg!”
De enorme spiegel lag volledig aan diggelen.
Als Najieb had geweten wat onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) bij verschillende gelegenheden tegen zijn twee jonge ṣaḥābah, ʿAbdullāh ibn ʿUmar en ʿAbdullāh ibn ʿAmr had gezegd, zou hij niet tegen de woorden van zijn vader zijn ingegaan.
“Luister naar je vader!” (Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad, II, 20, 164, 206)
HET BEGAAFDE KIND
Drie vrouwen keerden met hun manden terug van de markt. Ze gingen op een bankje langs de weg zitten om uit te rusten. Ze begonnen over hun kinderen te praten.
De eerste vrouw vertelde dat haar zoon erg beweeglijk was en minutenlang op zijn handen kon lopen.
De tweede vrouw vertelde dat iedereen dol was op de liedjes van haar zoon, die een stem als een nachtegaal had.
De derde vrouw luisterde alleen maar naar hen. Toen haar werd gevraagd waarom zij niets vertelde, zei ze:
– Mijn zoon heeft geen bijzondere vaardigheid waarover ik kan vertellen.
Een oude man die toevallig had meegeluisterd naar hun gesprek, liep achter de vrouwen aan.
Aan het begin van de straat zetten de vrouwen hun manden op de grond en begonnen ze hun vermoeide armen en pijnlijke ruggen te masseren. Toen hun kinderen hen zagen, kwamen ze aanrennen.
De zoon van de eerste vrouw maakte salto’s en liep op zijn handen.
De zoon van de tweede vrouw ging op een steen zitten en begon een van de liedjes te zingen die zijn moeder mooi vond. De andere vrouwen applaudisseerden enthousiast voor hem.
De zoon van de derde vrouw pakte daarentegen het handvat van de mand vast en zei:
– Laat mij u helpen, o lieve moeder.
De vrouwen vroegen de oude man, die daar toevallig langskwam, wat hij van de bijzondere vaardigheden van hun kinderen vond.
– Ik heb een begaafd kind gezien, zei de oude man. Dat is deze jongen die zijn moeder te hulp schiet. Hij heeft gehandeld naar de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Ik raad iedereen aan om zijn moeder te dienen.” (Ibn Mājah, Adab, 1)
DE PLASTIC BORD
De oude timmerman was inmiddels zeer oud geworden. Er was geen glans meer in zijn ogen en geen kracht meer in zijn vingers. Omdat zijn handen trilden, kon hij zijn lepel niet goed vasthouden en morste hij zijn eten op het tafelkleed.
Zijn zoon en schoondochter waren boos op hem omdat hij niet zorgvuldig genoeg was. Vooral het feit dat het eten langs zijn kin naar beneden liep, ergerde hen. Uiteindelijk scheidden ze zijn eetplek van die van henzelf. Terwijl zij aan tafel aten, maakten ze voor hem een plekje op de grond.
Zijn kleine kleinzoon Hassan was erg verdrietig om de toestand van zijn grootvader. Tijdens het eten hield hij zijn arm vast en hielp hem om zonder te morsen te eten.
Op een dag liet de oude man, terwijl hij met betraande ogen naar de mensen aan tafel keek, het bord met eten uit zijn handen vallen, waardoor het brak. Ze werden hierdoor nog bozer. Ze zeiden kwetsende woorden tegen hem. Vanaf dat moment begonnen ze hem zijn eten op een plastic bord te geven.
Op een dag zei de zoon van de oude timmerman tegen zijn vrouw, terwijl hij haar vroeg het fruit niet op een plastic bord te leggen:
— Gooi deze maar weg, zei hij.
Hassan pakte twee van de plastic borden apart en zei:
– Gooi deze niet weg, mama. We zullen ze later nodig hebben.
Zijn vader vroeg nieuwsgierig:
– Wat ga je ermee doen?
Hassan antwoordde:
– Als jullie oud zijn geworden, zal ik jullie met deze borden eten geven.
Hasans vader en moeder schaamden zich diep voor de manier waarop ze de oude man hadden behandeld. Ze lieten hem weer samen met hen aan tafel eten.
Als de zoon van de timmerman en zijn vrouw hadden geweten dat een van de beste manieren om het Paradijs te bereiken het goed behandelen van je ouders is, zouden ze zich waarschijnlijk niet zo hebben gedragen.
“De tevredenheid van Allah wordt verkregen door je ouders tevreden te stellen. De woede van Allah wordt opgewekt door je ouders boos te maken.” (Tirmidhī, Bir, 3)
DE PEN
Jallaal was de zoon van een arme timmerman. Omdat hij zijn vulpen was kwijtgeraakt, zat hij langs de weg te huilen.
Een goedgeklede man die daar langskwam, vroeg Jallaal waarom hij huilde. Daarna haalde hij een pen uit zijn zak en vroeg:
– Is dit de pen die je bent kwijtgeraakt?
Terwijl Jallaal zijn gesnik probeerde te bedwingen, zei hij:
– Nee, mijn pen was niet zo mooi als deze.
De man was onder de indruk van Jallaals eerlijkheid.
– Omdat je eerlijk bent geweest, geef ik je deze pen cadeau. Neem hem alsjeblieft aan, zei hij, terwijl hij de pen aan hem gaf.
Onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft als volgt verteld welke beloning Allah degenen die eerlijk zijn zal geven:
“Eerlijk spreken brengt goedheid voort, en goedheid brengt de mens naar het Paradijs.” (Bukhārī, Adaab, 69)
DE LEUGENAAR
Die dag was er in de rechtbank een zaak tussen een vrouw en een man. Nadat de rechter zijn plaats had ingenomen, begon de rechtszitting. De vrouw kreeg als eerste het woord.
De vrouw wees naar de magere man naast haar en zei:
– Deze man heeft mij aangevallen en mijn eer geschonden. Ik eis gerechtigheid.
Daarbij begon ze te huilen.
De man verdedigde zichzelf:
– Zij liegt, o edelachtbare! Terwijl ik het geld aan het tellen was van de schapen die ik had verkocht, kwam deze vrouw naar mij toe en vroeg mij haar geld te geven. Anders zou ze mij in moeilijkheden brengen. Toen ik haar voorstel afwees, begon ze te schreeuwen en te tieren.
De rechter begreep aan de hand van hun woorden en gedrag wie er gelijk had en wie niet. Maar hij liet niets merken. Hij snauwde tegen de man:
– Je valt deze arme vrouw aan en dan lieg je ook nog dat je haar niet hebt aangevallen! Geef haar onmiddellijk het geld dat je in je zak hebt. Anders laat ik je gevangenzetten!
Iedereen was verbaasd over het gedrag van de edelechtbare rechter.
De vrouw nam het geld verheugd aan en vertrok, terwijl zij een smeekbede voor de rechter uitsprak. Vervolgens zei de edelachtbare rechter tegen de man dat hij de vrouw achterna moest gaan en het geld uit haar handen moest terugnemen.
De man, die totaal overdonderd was, stormde naar buiten in de hoop zijn geld terug te krijgen.
Even later brachten ze hen beiden opnieuw voor de rechtbank. De man bleef kreunen terwijl hij zijn zijden wreef. Uit zijn opengehaalde gezicht liep bloed.
Opnieuw kreeg de vrouw als eerste het woord. Ze was woedend:
– Edelachtbare rechter! Deze gewelddadige man probeerde deze keer het geld dat u mij had toegewezen uit mijn handen te pakken.
De rechter vroeg:
– Is het hem gelukt?
De vrouw grijnsde en zei:
– Denkt u dat ik zo dom ben dat ik mijn geld aan deze magere man zou laten afpakken?
Toen bulderde de rechter:
– Schaamteloze vrouw! Je hebt je voorgedaan als een eerbare vrouw en beweerd dat deze man jou had aangevallen. Als dat werkelijk zo was, had je je toch veel meer moeten inspannen om je eer te beschermen dan je de onterecht verkregen geldbedragen terug moest geven? Geef het geld van de man onmiddellijk terug!
Voordat de edelachtbare rechter de leugenachtige vrouw strafte, herinnerde hij haar aan de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Liegen is onzedelijk gedrag. Onzedelijk gedrag leidt de mens naar de Hel.” (Muslim, Bir, 103)
DE KASTANJEBOOM
Oom Husnu wees met zijn vinger naar de beklaagde en zei:
– Edelachtbare rechter! Toen ik vorig jaar naar het buitenland vertrok om werk te zoeken, had ik deze man een ring met een diamant toevertrouwd. Nu wil ik mijn ring terug, maar hij weigert hem te geven.
De rechter vroeg rentmeester rentmeester Mistiq, die op de plaats van de beklaagde zat:
– Waarom geef je deze man zijn ring niet terug?
Rentmeester Mistiq antwoordde:
– Deze man liegt. Hij heeft mij helemaal geen ring gegeven.
De rechter vroeg oom Husnu:
– Heb je een getuige die heeft gezien dat je de ring aan deze man hebt gegeven?
– Nee, zei oom Husnu. Toen ik hem de ring onder een kastanjeboom gaf, was er niemand bij ons.
Daarop zei de rechter tegen oom Husnu:
– Ga onmiddellijk daarheen en breng mij een tak van de kastanjeboom.
Tegen rentmeester Mistiq zei hij dat hij daar moest blijven wachten.
Niet lang daarna zei de rechter tegen Mıstık:
– Waar blijft die oom Husnu? Kijk eens door dit raam of hij eraan komt.
Zonder van zijn plaats te komen, antwoordde rentmeester Mistiq:
– Hij kan niet eerder dan over drie uur terug zijn, edelachtbare. Het is een heel eind daarvandaan.
Toen schreeuwde de rechter tegen rentmeester Mistiq:
– Jij leugenachtige dwaas! Als je de ring niet hebt aangenomen, hoe weet je dan dat de kastanjeboom zo ver weg is?
Heb je niet gehoord wat onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd?
“O mensen, lieg nooit, want geloof en leugen kunnen niet samengaan.” (Tirmidhī, Zuhd, 27)
Daarna gaf hij hem een zware straf.
DE ECHO
De kleine Ramzie bracht eten naar zijn vader, die op het land aan het werk was. In de verte zag hij aan de voet van de rotsen op de heuvel een donkere gedaante. Hij dacht dat het een kind was en riep naar de rechtopstaande rots:
– Héé!
Vanaf de rotsen op de heuvel klonk:
– Héé!
Omdat Ramzie niet wist dat het een echo was, dacht hij dat een kind dat zich achter de rotsen had verstopt hem voor de gek hield. Hij schreeuwde:
– Als ik naar je toe kom, zul je ervan lusten!
Dezelfde stem antwoordde:
– Als ik naar je toe kom, zul je ervan lusten!
Ramzie werd steeds bozer en schreeuwde uit alle macht:
– Kom tevoorschijn, lafaard!
Toen hij opnieuw hetzelfde antwoord kreeg, begon hij naar de heuvel te rennen. Hij was moe geworden. Toen hij aan de voet van de heuvel niemand zag, dacht hij dat die verwaande jongen zich ergens had verstopt. Hij klom over de rotsen. Ondertussen schold hij hem uit voor alles wat hem voor de mond kwam. Hij wist wel wat hij met hem zou doen als hij hem te pakken kreeg. Maar die laffe jongen durfde niet tevoorschijn te komen.
Omdat hij al heel wat tijd had verspild, bedacht Ramzie dat zijn vader inmiddels erg hongerig zou zijn. Daarom zag hij ervan af de jongen verder te zoeken.
Toen hij op het land aankwam, vertelde hij zijn vader wat er was gebeurd.
Zijn vader herinnerde hem aan een spreekwoord:
“Wie alles zegt wat hij wil zeggen, krijgt ook te horen wat hij liever niet hoort.” / “Wie kaatst, moet de bal verwachten.”
Als Ramzie de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) had gekend, zou hij zich niet zo hebben gedragen:
“Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem het goede spreken of zwijgen!” (Bukhārī, Adab, 31)
BROOD
Het was een koude winterdag.
Hassan had brood bij de bakker gekocht en was op weg naar huis.
Hij zag een verwaarloosde hond, waarvan de botten uitstaken, met smekende geluiden naar de broden in zijn mand kijken.
De toestand van het arme dier raakte Hassan diep. Hij mompelde:
- Als ik een van de broden aan de hond geef, wordt mijn moeder boos.
Daarna zette hij, ondanks de gevolgen die dat kon hebben, de mand in de sneeuw en begon een van de broden voor de hond in stukken te breken.
Een man die van de bakker kwam, had Hassan horen praten. Hij legde een van de broden uit zijn eigen tas in Hassans mand.
Toen Hassan thuiskwam, zag hij tot zijn verbazing dat er geen brood uit zijn mand ontbrak.
Als Hassan de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) had gekend, had hij kunnen begrijpen hoe dit was gebeurd:
“Ṣadaqah vermindert het bezit niet.” (Muslim, Bir, 69)
DE GIERIGAARD
İhsaan had een gierige oom.
Hij gebruikte zijn bezit niet zelf en gaf het ook niet aan anderen. Daarom hield niemand van hem. Deze gierige man zei:
- Je moet over je vermogen kunnen beschikken.
Daarom zette hij al zijn bezittingen om in goud en begroef het goud in een hoek van zijn tuin.
Bijna elke dag groef hij zijn goud op, telde het en begroef het vervolgens weer in de grond.
Op een dag kon hij het goud niet meer vinden op de plek waar hij het had begraven. Blijkbaar was het gestolen. Hij werd er helemaal krankzinnig van en trok zich de haren uit het hoofd.
Toen İhsaan hoorde wat er was gebeurd, zei hij tegen zijn oom:
– Huil maar niet, lieve oom. Dat goud was toch helemaal niet van jou! Als het werkelijk van jou was geweest, had je het niet in de grond begraven, maar er gebruik van maken.
Onze Profeet (صلى الله عليه وسلم), die zijn toevlucht zocht bij Allah tegen gierigheid, heeft over zulke mensen het volgende gezegd:
“De gierigaard staat ver van Allah, ver van het Paradijs en ver van de mensen.”
(Tirmidhī, Bir, 40)
DE SCHOEN
De winter was streng ingetreden. Sadi had het erg koud, omdat zijn versleten schoenen water doorlieten. Voor het eerst was hij dat jaar verdrietig omdat zijn familie arm was. Hij mopperde:
- Wat zou het fijn zijn als we genoeg geld hadden om goede kleding, een dikke jas en stevige schoenen te kopen!
Op een dag liep hij met zijn tas van school naar huis. Toen hij bij de Grote Moskee aankwam, begon de ʿaṣr-adzān te klinken. Sadi hield er van om samen met de moslim gemeenschap de ṣalāh in de moskee te verrichten.
Hij ging meteen de binnenplaats van de moskee op.
Hij liep naar de wasfontein van de moskee om kleine wassing te verrichten. Hij zette zijn tas op een bankje en stroopte zijn mouwen op. Rondom de wasfontein waren verschillende moslims kleine wassing aan het verrichten, van wie hij er velen kende.
Hij ging voor een kraan zitten en begon zijn schoenen uit te trekken. Zijn sokken waren door en door nat en vies geworden. Boos gooide hij zijn versleten schoenen op de grond.
Op dat moment zag hij dat de man die naast hem kleine wassing verrichtte, één van zijn voeten had gewassen en opstond. De arme man had geen andere voet.
Sadi schaamde zich omdat hij verdrietig was geweest omdat hij geen goede schoenen had. Misschien had de man zonder voet wel genoeg geld om veel schoenen te kopen. Maar geld kon niet alles kopen.
Na de ṣalāh hief hij zijn handen nog hoger op en begon duʿā’/smeekbede te doen. Die dag dankte hij Allāhu Taʿālā dat Hij hem gezonde voeten had geschonken.
“Wees tevreden met wat je hebt! Dan zul je een van de meest dankbare mensen zijn.” (Ibn Mājah, Zuhd, 24)
DE AUTO
Hikmet was een goede leerling. Hij ging naar een middelbare school die behoorlijk ver van zijn huis lag. Elke dag nam hij de bus naar school en weer naar huis.
Hikmet had allerlei interesses. Een daarvan was zijn belangstelling voor auto's. Alle merken en modellen van de voertuigen die hij onderweg naar school en naar huis zag, kon hij zijn vrienden in één keer opnoemen.
Maar hij was erg verdrietig omdat ze zelf geen auto hadden. Omdat hij een begripvolle jongen was, kon hij zijn verdriet niet aan zijn vader en moeder vertellen. Zijn vader was namelijk een eenvoudige ambtenaar en had moeite om zijn gezin van vier personen te onderhouden. Het had natuurlijk geen enkele zin om hem om een auto te vragen. Iemand die hard werkt om zijn gezin te onderhouden, verdriet doen omwille van een onrealistische wens, zou grote onrechtvaardigheid zijn.
Hij zag zijn vriend Ahmet, die in dezelfde buurt woonde en op dezelfde school zat, elke dag te voet naar school gaan en terugkomen. Hij begreep niet waarom.
Het was een regenachtige dag. Hikmet stond met enkele vrienden op de bus te wachten.
Hij zag Ahmet, die zich niets van de regen aantrok, hen haastig voorbijlopen. Hij riep naar hem:
– De bus komt zo. Maak jezelf niet voor niets nat.
Ahmet antwoordde:
– Ik moet ergens langs. Bedankt.
En hij liep verder.
Toen hetzelfde meerdere keren gebeurde, begon Hikmet zich steeds meer af te vragen waarom zijn vriend niet met de bus ging. Op een dag vertelde hij hierover aan zijn moeder.
Zijn moeder kende Ahmets familie goed. Zijn vader was enkele jaren geleden overleden en had zes kinderen achtergelaten. Zijn arme moeder voorzag met moeite in hun levensonderhoud door bij mensen thuis schoon te maken. Dat Ahmet niet met de bus ging, kwam doordat hij geen geld had.
Hikmet werd hier erg verdrietig van. Hij schaamde zich omdat hij had geklaagd dat ze geen auto hadden. Hij dacht eraan dat ze in dezelfde stad woonden als duizenden mensen die niet eens een woning hadden waarin ze hun hoofd te rusten konden leggen en die hard moesten werken om hun buik te kunnen vullen. Hij dankte Allah voor de gunsten die Hij hun had geschonken.
Als Hikmet, die verdrietig was omdat ze geen auto hadden, de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, zou hij waarschijnlijk niet verdrietig zijn geweest:
“Kijk naar degenen die minder hebben dan jullie en niet naar degenen die meer hebben.” (Muslim, Zuhd, 8)
DE ROOK
Ooit leefde er een zeer rijke man genaamd Ḥātem, die niet alleen rijk, maar ook bijzonder vrijgevig was. Op de weidegronden graasden zijn grote kudden dieren. Ḥātem genoot er enorm van om zijn bezit met anderen te delen.
Hâtem had een ram genaamd Duman, met zwarte ogen en een zijdezachte vacht, die iedereen die hem zag in vervoering bracht en wiens faam tot in verre streken was doorgedrongen. Duman was zo’n uitzonderlijke ram dat men overal sprak over zijn schoonheid, zijn kracht en zijn gekrulde vacht die in de wind op en neer golfde, en over zijn diepzwarte ogen, zo zwart als olijven. Hâtem hield zielsveel van deze ram en zou hem voor niets ter wereld willen ruilen.
Zowel de vrijgevigheid van Ḥātem als de schoonheid van zijn ram waren de sultan ter ore gekomen. De sultan riep zijn grootvisier van de sultan bij zich en zei:
– Ik wil Ḥātims vrijgevigheid op de proef stellen. Vraag Doeman voor mij eens; we zullen wel zien of hij hem weggeeft.
De mannen van de sultan vertrokken de volgende dag. Op een nacht waarop het pijpenstelen regende, kwamen zij aan in het dorp van Hâtem en waren zij bij hem te gast.
Ḥātem verwelkomde hen hartelijk. Hij gaf zijn bedienden opdracht eten voor hen klaar te zetten. Niet lang daarna werd de tafel gedekt, er werd kabab gegeten en vervolgens vielen de gasten in de mooiste bedden in een diepe slaap.
De volgende ochtend vertelden de mannen van de sultan waarom ze waren gekomen. Toen begon Ḥātem diep bedroefd op zijn hoofd en borst te slaan.
– Ach! Had u mij toch maar meteen bij uw aankomst verteld wat de sultan u had opgedragen. Ik weet dat u graag paardenvlees eet. Omdat het weer gisteravond zo slecht was, kon ik geen ander dier vinden om voor u te slachten dan Doeman, zei hij.
De vrijgevigheid van Ḥātem lijkt wel heel sterk op de vrijgevigheid van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم), die zelfs aan iemand die om twee geiten vroeg, een hele kudde schonk.
Hoe mooi een vrijgevige eigenschap is, heeft onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) als volgt uitgelegd:
“De vrijgevige staat dicht bij Allah, dicht bij de mensen en dicht bij het Paradijs, en ver van de Hel.” Tirmidhī, Bir, 40.
DE LEEMSTEEN
Ooit was er een arme man genaamd Has Murat. Hij was een goedhartige man die zijn ṣalāh en andere vormen van aanbidding nauwgezet verrichtte. Op een dag vond hij, terwijl hij de muur van zijn huis aan het repareren was, een goudstaaf die in de vorm van een leemsteen was gegoten. Van vreugde wist hij niet wat hij moest doen.
- Nu ben ik eindelijk van mijn armoede verlost. Ik zal een prachtig landhuis laten bouwen. De vloeren laat ik met wit marmer bedekken en de kamers laat ik met de beste meubels inrichten. In de tuin komen kleurrijke bloemen en allerlei soorten fruitbomen. In die bomen zullen de mooiste vogels ter wereld zingen”, dacht hij.
Die nacht viel hij met deze dromen in slaap.
De volgende dag fantaseerde hij over de bedienden, koks en knechten die hij in dienst zou nemen.
De dag erna maakte hij opnieuw allerlei toekomstplannen. Door te dagdromen had hij nauwelijks nog tijd om te eten, te drinken, zelfs zijn ṣalāh te verrichten of Allah te danken voor deze gunsten die Hij hem had geschonken.
Op een dag liep Has Murat, terwijl zijn hoofd vol zat met duizend-en-een dromen, buiten de stad rond. Aan de rand van de begraafplaats zag hij een man die leemstenen maakte.
De man groef met een houweel en een schop de grond om en mengde de aarde die hij naar boven haalde met water en stro. Vervolgens goot hij het mengsel in een mal voor leemstenen.
Toen de man die de leemstenen maakte zei dat leemstenen die van aarde uit graven waren gemaakt steviger waren, was Has Murat zo geschokt alsof hij een klap in zijn gezicht had gekregen. Hij liep verder en verweet zichzelf:
- Hé, domme man! Op een dag zullen ze ook leemstenen maken van de aarde van jouw graf. Zodra je een goudstaaf in handen kreeg, raakte je helemaal van de wijs. Je vergat je ṣalāh en andere vormen van aanbidding. Terwijl het leven je iedere dag iets ontneemt. Stap voor stap nader je de dood. Stop met dat dagdromen! Benut de kans die Allah je heeft gegeven goed! Geef je geld op de juiste manier uit! Verspil het niet roekeloos!”
Op dat moment begon de ẓuhr-adzān te klinken.
Has Murat, die had besloten goede daden te verrichten, liep met een gerust hart naar de moskee.
Had Has Murat maar eerder de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) gekend, dan zou hij niet zo in verwarring zijn geraakt:
“Als ik zoveel goud zou bezitten als de berg Uḥud, zou ik niet willen dat er daarvan, afgezien van mijn schulden, meer dan drie dagen bij mij bleef.” Bukhārī, Istiḳrāḍ, 3.
DE GAST
Hamdie was in de tuin aan het spelen toen hij een oude man met een witte baard zag. Hij liep met kleine stapjes. Bij de tuinpoort van het mooie landhuis bleef hij even staan om uit te rusten. Hij riep naar Hamdie:
– Mijn zoon! Mag ik één nacht in dit gastenverblijf verblijven?
Hamdie lachte.
– Dit is geen gastenverblijf, oom, zei hij.
– Als het geen gastenverblijf is, wat is het dan?
– Ons huis.
– O ja! En wie heeft dit huis laten bouwen?
– Mijn grootvader.
– Aan wie is het na je grootvader nagelaten?
– Aan mijn vader.
– En aan wie zal het daarna worden nagelaten?
– Waarschijnlijk aan mij.
De oude man keek Hamdie glimlachend aan en zei:
– Aangezien de bewoners van dit huis het steeds aan iemand anders nalaten, zijn jullie allemaal toch slechts gasten, mijn zoon.
Daarna liep hij met wankele stapjes weg.
Toen de scholen weer begonnen, vertelden de leerlingen tijdens de les Islamitische Godsdienst en Cultuur over hun meest bijzondere vakantieherinneringen. Hamdie vertelde dit voorval.
Toen enkele kinderen de woorden van de oude man betekenisloos vonden, herinnerde de leraar hen aan de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Mijn relatie met de wereld is als die van een reiziger die even rust onder een boom en daarna zijn reis vervolgt.” Tirmidhī, Zuhd, 44.
DE HOUTHAKKER
In de tijd van Mūsā (عليه السلام) was er een arme houthakker. Hij verzamelde hout in de bergen, droeg het op zijn rug naar de stad en verkocht het daar. Met de paar muntjes die hij ermee verdiende, voorzag hij in zijn levensonderhoud.
De houthakker werd niet moe van het zware werk dat hij deed. Maar hij kon het maar niet verdragen dat zijn buurman, die net als hij houthakker was, zijn hout op zijn ezel laadde en naar de stad bracht.
Op een dag ging de arme houthakker naar Mūsā (عليه السلام) en vertelde hem over zijn toestand:
– Mijn rug is gewond geraakt doordat ik hout op mijn rug draag. Ik heb in mijn leven nooit ervaren wat rust en vrede is. Vertel alstublieft over mijn toestand wanneer u voor uw Rab verschijnt. Laat Hem mij een ezel geven, zodat ik het hout kan laten dragen.
Toen Mūsā (عليه السلام) voor Allāhu Taʿālā verscheen, bracht hij het verzoek van de houthakker over.
Allāhu Taʿālā zei:
– Deze dienaar van Mij lijdt aan de ziekte van afgunst. Zolang hij niet van deze ziekte geneest, zal hij geen rust vinden. Eerst en vooral moet hij ophouden anderen te benijden.
– De ezel van de houthakker die zijn buurman is, is ziek geworden. Zeg hem dat hij duʿā’ moet doen zodat de ezel van zijn buurman geneest. Als hij dat doet, zal Ik hem ook een ezel geven.
Toen Mūsā (عليه السلام) de arme houthakker dit aanbod van Allāhu Taʿālā voorlegde, begonnen zijn jaloezie en afgunst op te spelen:
– Ik kan geen duʿā’ doen dat de ezel van mijn buurman geneest. Ik ben tevreden met mijn toestand. Ik wil ook geen ezel van Allah. Als zijn ezel maar niet geneest, zei hij.
Afgunst is werkelijk een ziekte. Het is onmogelijk dat iemand die door deze ziekte wordt getroffen gelukkig is.
Het is een feit dat niet het dragen van hout op zijn rug, maar zijn afgunst de arme houthakker vermoeide en uitputte en hem geen moment rust gunde.
Onze Profeet (صلى الله عليه وسلم) heeft deze waarheid prachtig uiteengezet:
“Wees niet afgunstig. Zoals vuur het hout verteert, zo verteert afgunst de goede daden.” (Abū Dāwūd, Adab, 44)
DE BLOEDIGE VIJL
Die dag zou Ādam de boodschappen doen. Hij stond vroeg op en ging naar de markt. Alles wat hij kocht, stopte hij in zijn kleine boodschappentas. Hij had er geen moment aan gedacht dat de vijl die hij bij de ijzerhandel had gekocht, het pakje lever zou kunnen doorboren.
Toen hij thuiskwam, haalde hij de puntige vijl uit de tas. Om het bloed dat erop zat af te wassen, legde hij de vijl voor de buitendeur neer. Toen hij terugkwam, zag hij een kat die door de geur van de lever was aangetrokken en de vijl voortdurend likte.
In plaats van dat het bloed dat aan de vijl zat minder werd, nam het vreemd genoeg steeds toe. De kat likte het verse bloed met steeds meer gretigheid.
Pas veel later besefte Ādam wat er was gebeurd. Hij kreeg medelijden met het arme dier en joeg het weg:
- Pst! Pst!
De kat keek Ādam boos aan, omdat hij haar van haar voedsel had beroofd. Het arme dier wist niet dat de bloedige vijl haar tong had verwond en dat het bloed dat zij zo gretig likte, haar eigen bloed was.
Toen Ādam zijn vader vertelde wat er was gebeurd, moest zijn vader lachen.
- Mijn zoon, sommige mensen zijn net als dat katje. Zij beseffen niet dat het kwaad dat zij doen, uiteindelijk henzelf zal schaden. En wanneer mensen die hen van dat kwaad proberen te weerhouden en hen daarop aanspreken, worden zij daar net als dat katje boos om.
Daarop zei Ādem:
- Dan moeten we hun slechtheid niet in de weg staan. Ze moeten zelf inzien dat dat hun daad slecht is.
Toen antwoordde zijn vader:
- Het past ons niet, mijn zoon, om hen aan hun slechtheid over te laten. Onze plicht is om mensen van het kwaad te weerhouden. Zo doen we zowel hunzelf als de samenleving goed.
Vervolgens reciteerde hij de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم):
“Wie ziet dat er kwaad wordt bedreven, moet het met zijn hand tegengaan. Als hij daartoe niet in staat is, moet hij het met zijn tong tegengaan. Als hij ook daartoe niet in staat is, moet hij het in zijn hart verafschuwen.” (Muslim, Īmān, 49)
DE HOND
Oom Mamish was samen met zijn vrouw op het land graan aan het maaien. Hun kleine baby sliep samen met hun hond Karabash onder een boom aan de rand van het veld.
Toen zij naar de boom gingen om uit te rusten, zagen zij een vreselijk tafereel. Hun baby lag bewegingloos in zijn omgekeerde wiegje, terwijl Karabash bebloed lag te kreunen.
Oom Mamish werd razend. Hij dacht dat Karabash de baby had verscheurd en sloeg met de zeis die hij in zijn hand had op zijn kop. De arme Karabash viel levenloos op de grond.
Toen zijn vrouw zei dat de baby ongedeerd en rustig lag te slapen, waren zij verbijsterd. Even verderop zagen zij het levenloze lichaam van een enorme slang liggen. Toen begrepen zij dat Karabash tijdens het gevecht met de slang gewond was geraakt en hun baby, ten koste van zijn eigen leven, van de dood had gered. Ze werden diep bedroefd.
Als oom Mamish had gehandeld naar de volgende uitspraak van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم), wat zou hij dan gelukkig zijn geweest:
“Voorzichtigheid komt van Allah, haast komt van de duivel.” (Tirmidhī, Bir, 66)
DE GELE KOE
Mevrouw Aaisha had bonen in haar tuin gezaaid. Door het mooie weer kwamen de bonen snel op.
Op een dag rende zij het huis uit toen zij het schrille geloei van een koe hoorde. De gele koe van de buurman was de tuin binnengekomen en had de jonge bonen vertrapt en volledig vernield.
Toen mevrouw Aaisha zag dat al haar werk voor niets was geweest, bleef zij verbijsterd staan. De gele koe stond voor de stal te loeien, met het touw om haar nek. Mevrouw Aaisha werd steeds bozer en liep met een flinke stok die zij had gepakt op de koe af.
Op dat moment kwam de vrouw van de buurman aangerend. Met een verdrietige stem begon zij te vertellen:
- Het arme dier heeft gisteren haar kalf verloren. Sinds vanmorgen heeft zij al drie keer haar touw losgebroken om haar kalf te zoeken.
Toen mevrouw Aaisha dat hoorde, viel de stok uit haar hand. Zij keek in de verdrietige ogen van de Gele Koe die naar hen toe was gekomen en begon haar over de kop te aaien.
- Dus ook zij denkt aan haar jong, zei ze.
Ze was haar bonen volledig vergeten.
Is het mooie gedrag van mevrouw Aaisha niet precies in overeenstemming met de volgende hadieth van onze Profeet (صلى الله عليه وسلم)?
“Vrees Allah en doe deze sprakeloze dieren geen kwaad.” (Abū Dāwūd, Jihād, 44)